Thierry Baudet pleit voor zakenkabinet dat een onafhankelijke positie inneemt tegenover de Tweede Kamer. Baudet is niet de eerste in Nederland die voor zo’n kabinet heeft gepleit. Willem Treub, F.C. Gerretson, Hendrikus Colijn, Pieter Jongeling en A.J. Verbrugh gingen hem voor.

Willem Treub

Willem Treub

De politicus Thierry Baudet doet heel erg denken aan Willem Treub (1858-1931). Treub was een man met vele gezichten. Hij was behalve politicus ook bestuurder, ondernemer, wetenschapper en rokkenjager. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin ons land neutraal bleef, was Treub minister van Handel, Nijverheid en Landbouw. In 1917 richtte Treub de Economische Bond op, een politieke partij die naar eigen zeggen boven het partijgekrakeel uit het landsbelang wilde dienen. Kabinetten moesten worden geleid door ‘mannen van zaken’. Treub was zo’n man, want hij had Nederland economisch redelijk ongehavend door de oorlog geleid. De Economische Bond voerde een hele moderne verkiezingscampagne, maar behaalde slechts drie zetels. De oude politiek van de verzuiling bleef bestaan. De Economische Bond lijkt, qua verkiezingsretoriek, ook heel erg op het Forum voor Democratie. Op een verkiezingsaffiche stond:

Ook Nederland zal ondergaan, als de partijtwist blijft bestaan. Slechts één partij predikt de verzoening van alle klassen en groepen van ons volk.

F.C. Gerretson

F.C. Gerretson en Hendrikus Colijn

F.C. Gerretson was lange tijd de spreekbuis van uiterst rechts binnen de Christelijk-Historische Unie. Hij had zich in de jaren dertig een tijdje fascist genoemd, toen dit begrip nog redelijk onbesmet was, en zat bij het gematigd fascistische partijtje de Nationale Unie. In 1934 schreef Gerretson de controversiële brochure Koninklijk kabinet of dictatuur? waarin hij pleitte voor een autoritaire regering. Om Nederland uit de crisis te helpen moest er een sterk kabinet komen, geleid door de monarch, dat onafhankelijk stond van het parlement.

Minister-president Hendrikus Colijn van de Antirevolutionaire Partij voelde wel wat voor de antiparlementaire ideeën van zijn goede vriend Gerretson. In 1933 leek de premier volgens biograaf Herman Langeveld even met de gedachte te hebben gespeeld het gezag in Nederland te versterken in Italiaans-fascistische geest. Colijn schrok er echter voor terug om openlijk antidemocratisch te handelen, omdat hij dan zijn steun onder de antirevolutionairen zou verliezen. Op 4 juli 1933 hield prof. mr. A. Anema een rede over ‘De Italiaansch-fascistische staatsleer’, waarin hij stelde dat deze revolutionair, onchristelijk en onhistorisch was. Anema deed dit ook met als doel Colijn voor afglijden naar het fascisme te waarschuwen. Na 1933 zou Colijn niet meer door het fascisme worden verleid. Pas in de defaitistische brochure Op de grens van twee werelden uit 1940 – waarin Colijn stelde dat Europa door nazi-Duitsland zou worden overheerst – zei hij zijn vertrouwen in de parlementaire democratie op.

tweede_kamer_debat_a-_j-_verbrugh_aan_het_woord_-_nl-hana_anefo_931-4854_wm405

A.J. Verbrugh

Pieter Jongeling en A.J. Verbrugh

Het Gereformeerd Politiek Verbond, dat in 1963 in de Tweede Kamer werd verkozen, zette de staatsrechtelijke traditie van Gerretson voort. In zijn maidenspeech verdedigde Pieter Jongeling het dualisme tussen kabinet en Kamer. De overheid was volgens Jongeling van God gegeven en moest de cultuuropdracht uitvoeren. Het parlement had een controlerende functie maar mocht niet op de stoel van de regering gaan zitten, want dan was er sprake van volkssoevereiniteit en daar was het GPV met een beroep op de antirevolutionaire voorman Groen van Prinsterer tegen. Net als Gerretson was Jongeling van mening dat de monarchie moest worden versterkt. Hij vond daarom dat artikel 86 van de grondwet, waarin stond dat de koning ministers ‘naar welgevallen’ mocht benoemen en ontslaan, letterlijk genomen moest worden.

Ook partij-ideoloog A.J. Verbrugh was tegen volkssoevereiniteit en voor de versterking van de monarchie. Het GPV was heel verzuild georganiseerd, maar tegen de verzuiling en de levensbeschouwelijke verdeeldheid in ons land. De gereformeerde zuil was geen doel maar een middel. Het GPV streefde naar een ‘nationaal-gereformeerd’ Nederland. Verbrugh verzette zich daarom tegen KVP, CHU, ARP, VVD en PvdA, politieke partijen die volgens hem eigenlijk allemaal hetzelfde wilden. In het Nederlands Manifest 1967, waarin Verbrugh de politieke plannen van het GPV uit de doeken deed, pleitte hij expliciet voor een volksbeweging die het politieke bestel grondig moest hervormen:

Als het anti-socialistische en anti-liberalistische verzet zo geleid wordt, dat het naar fascisme en naar een soort nieuwe N.S.B. toegaat, begrijpt het volk gauw genoeg, dat het zó niet moet en trekt het zijn steun in. (…) Maar het kan ook anders. Het verzet kan ook groeien naar een nieuwe volksbeweging, die precies even anti-socialistisch en anti-liberalistisch is, maar nu met een goede kern erin, die kiest voor een nationaal-gereformeerd politiek program, en waarop later een beter type van regering kan steunen.

Met deze vergelijking begaf Verbrugh zich op glad ijs. Hij wees het nationaal-socialisme af, maar zijn nationaal-gereformeerde politiek streefde ook naar volkseenheid en het grondig hervormen in autoritaire zin van de Nederlandse politieke bestel.

 

En hoe zit het nou met het Forum voor Democratie?

Thierry Baudet vergeleek zich in een campagnefilmpje met D’66-godfather Hans van Mierlo, maar de ultrarechtse leider van het Forum voor Democratie heeft wellicht meer feeling met Treub, Gerretson, Colijn, Jongeling en Verbrugh. Baudet wil het partijkartel breken. Dat kan volgens hem het beste met een regering van mannen van zaken die zich weinig van partijbelangen en de machtsverhoudingen in de Tweede Kamer aantrekken. Zijn zakenkabinet komt hierdoor dicht in de buurt van een dictatuur.