‘Iemand die vroeger gewoon gezellig rechts was, slaat opeens verschrikkelijke taal uit. En andersom ook.’ Mathijs van der Loo over hoe rechts weer gezellig kan worden.

 

In een tijd waarin het politiek debat in een rap tempo aan het verharden is probeer je jezelf een plek te geven op de politieke kaart. Ben ik links, ben ik rechts, ben ik een liberaal, socialist of communist? Zodoende maak je voor jezelf een afweging welke politieke partij bij jou hoort. Columniste Elma Drayer kwam gisteren in de Volkskrant met een wat nieuwere indeling. Zij sprak namelijk van ‘gezellig rechts’. Hoewel ze er niet uitgebreid op inging gaf deze nieuwe indeling van Drayer wel te denken.

Maar hoe definieer je eigenlijk gezellig rechts? En heb je dan ook ongezellig rechts? Van oudsher is het politieke spectrum opgedeeld in een liberaal en socialistisch kamp. Er bestaan alleen verschillende gradaties in hoe je daar mee kan omgaan. Je kan liberaal tot in het extreme zijn, wat je meer libertariër dan liberaal maakt. En je kunt natuurlijk ook socialist tot in het extreme zijn, wat je vaak tot een communist maakt.

Zoals gezegd is het politieke debat enorm verhard in onze tijd. Dit zien we vooral op het gebied van identiteitspolitiek, die ook vaak wordt aangeduid met de Amerikaanse term Identity Politics. Dit debat wordt gedomineerd door een fel anti-racismekamp en een kamp dat de Nederlandse waarden tot in het extreme lijkt te verdedigen. Je zou deze kampen wellicht kunnen omschrijven als ‘ongezellig rechts’ en ‘ongezellig links’. Het is wellicht ook een betere manier om de uiterste zijden van het politieke spectrum te duiden. De typering extremistisch gaat immers gepaard gaan met zeer negatieve connotaties. Degene die zichzelf als ‘gezellig rechts’ ziet heeft wellicht een goede, genuanceerde mening over dit onderwerp. Hij heeft niet de behoefte om altijd aan het debat mee te doen en zijn stem te laten horen. Hij beseft immers dat hij in gevoelige discussies zal worden overschreeuwd door de ongezellige mensen. Zij hebben geen lust voor een echt debat, waarin argumenten worden uitgewisseld en waarin je van standpunt kunt wijzigen. Gezellige mensen hebben wel iets met echte debatten en echte discussie, maar voelen niets voor zinloze confrontaties.

In de decennia die volgden op de Tweede Wereldoorlog is de Nederlandse sociale verzorgingsstaat opgebouwd. Tijdens het interbellum kenden wij nog de liberale nachtwakersstaat. De liberaal anno nu heeft echter geprofiteerd van socialistische verzorgingsstaat en zal minder snel geneigd zijn dan de libertariër om deze af te breken. De liberaal ziet immers de meerwaarde van een sociaal vangnet in. Aan de andere kant zal hij de economie van de vrije markt blijven koesteren en moet deze ook in stand gehouden worden.

De ‘gezellige rechtse mens’ is net als een liberaal die de verzorgingsstaat wil behouden, maar tegelijkertijd wel voor de vrije marktwerking is. Daarnaast zal hij ook minder snel geneigd zijn om zich hard over sociaal-culturele fenomenen uit te spreken, om de lieve vrede te bewaren. Gezellig rechts is dan ook geen spotterm, zoals het redelijke midden dat vaak wel is, omdat die laatste term getuigd van expliciete politieke visie.

 

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons