Twee decennia debat over de kloof tussen kiezer en gekozene heeft ons geen stap dichterbij een oplossing gebracht. Tijd voor radicale maatregelen.

Het is een jaarlijks terugkerend ritueel. Voor een vrijwel lege publieke tribune debatteren Kamerleden over het lage aanzien onder kiezers van Kamer én Kamerleden. Meestal komen leden met plannetjes die vooral het eigen onvermogen onderstrepen – Staf Deplas voorstel uit 2004 om een Gouden Eikel uit te reiken voor de meest nutteloze motie staat nog altijd bovenaan de lijst van meest tenenkrommende voorstellen. Eenmaal in de zoveel tijd wordt er een ei uitgebroed waarvan de Kamer hopen dat het daadwerkelijk iets oplost. Begin deze maand was er opeens een meerderheid voor het voorstel van SP-Kamerlid Ronald van Raak om het Vragenuurtje om te vormen tot een soort Prime Minister’s Questions. Het “spektakel” dat dit oplevert, zou de kiezer-kijker vast en zeker meer bij het politieke bedrijf betrekken!

Het Binnenhof

Het Binnenhof

Ik heb slecht nieuws voor de dames en heren Kamerleden. Ik heb in Westminster gewerkt. Ik heb zelfs geholpen bij de voorbereidingen van PMQs toen William Hague de degens mocht kruisen met Tony Blair (interessanter kijkvoer dan de huidige botsingen tussen Cameron en Miliband). Ik kan ze vertellen: buiten Westminster is niemand onder de indruk van PMQs. Al helemaal de kiezer niet. Die laat regelmatig via peilingen weten het een afschuwelijk tafereel te vinden. Een recente poll uitgevoerd door de Hansard Society bevestigde dat beeld: 67% van de kiezers vindt het een “goedkoop debatclub tafereel” waarbij “niet het beantwoorden van de vraag maar het eigen partijpolitieke gelijk” voorop staat. Van alle ondervraagden vond slechts 12% (!) dat PMQs een positieve bijdrage leverde aan het imago van het parlement. Meer politieke showbiz gaat de Nederlandse kloof dus niet dichten.

Staatscommissie

Dat wil niet zeggen dat het Britse model niet als voorbeeld kan dienen bij het zoeken naar oplossingen voor ‘de kloof’. Het kabinet kondigde vorige week aan een staatscommissie te zullen instellen om het tweekamerstelsel tegen het licht te houden. Dit vooral op aandringen van de VVD, die bezwaar zou hebben tegen de toenemende politisering van de verhoudingen in de Senaat. Het zou goed zijn als de opdracht van de commissie wordt verbreed zodat ook kan worden gekeken naar het Britse districtenstelsel. Wat namelijk opvalt in peilingen over het aanzien van de Britse politiek is dat ‘individuele parlementsleden in hun eigen kiesdistricten aanzienlijk populairder zijn dan hun beroepsgroep. Collectief kunnen MPs volgens een eerder deze week gepubliceerde peiling slechts rekenen op de steun van een kwart van alle kiezers. Individuele MPs daarentegen genieten volgens pollster IPSOS/MORI de steun van meer dan de helft van hun lokale kiezers: 51% zegt het eigen lokale parlementslid te vertrouwen. De kloof die op landelijk niveau overduidelijk bestaat, verdwijnt dus zodra we de politiek op kieskringniveau bekijken. Hetzelfde zien we overigens in de Verenigde Staten: daar zijn Huis en Senaat als instellingen ook veel minder populair dan leden in hun eigen kiesdistricten.

Het zou een goede reden zijn om invoering van een districtenstelsel ook in ons land te overwegen. Maar ja, hoe zit het dan met de kleine partijtjes? En winnen de grote partijen ieder voor zich wel net zoveel zetels als ze nu met het landelijke lijstensysteem binnenhalen? Doorgaans is het stellen van deze vragen genoeg om de discussie over het kiesstelsel plat te slaan. Kalkoenen stemmen immers niet voor kerst. Maar als kalkoenen nu eens voor méér kalkoenen konden stemmen? Wat als invoering van het districtenstelsel werd gecombineerd met uitbreiding van het aantal zetels in de Tweede Kamer van 150 naar 300?

Doorgaans is het stellen van deze vragen genoeg om de discussie over het kiesstelsel plat te slaan. Kalkoenen stemmen immers niet voor kerst. Maar als kalkoenen nu eens voor méér kalkoenen konden stemmen?

We hebben relatief het kleinste parlement van Europa. Zelfs als we het aantal Kamerzetels zouden verdubbelen, zouden we nog onder het Europees gemiddelde uitkomen. Gevolg van het geringe aantal Kamerleden is dat ze vaak meerdere portefeuilles tegelijk moeten doen zodat ze nauwelijks effectief tegenwicht kunnen bieden aan de ministeries die ze worden geacht te schaduwen. De Kamer verwordt daardoor steeds meer tot een soort stempelmachine van de macht. Uitbreiding van het aantal zetels zou daaraan een einde kunnen maken. In Westminster moet een premier voor elke nieuwe stemming opnieuw onderhandelen met het parlement over steun in tweede en derde termijn. Soms wordt een regeringsvoorstel weggestemd. Vaker eist het Lagerhuis ingrijpende wijzigingen in ruil voor steun.

Weerbaarder

Zo’n weerbaarder parlement zou op zich al een verbetering zijn. De uitbreiding zou daarnaast ook voor een levendiger parlement zorgen. Bij de huidige omvang van de fracties en de smalle meerderheden waarmee opeenvolgende kabinetten moeten werken, is het ondenkbaar dat individuele Kamerleden zich als dissidenten kunnen gedragen. Als het voortbestaan van de coalitie op het spel staat, is immers even geen ruimte voor individuele overwegingen. Regeerakkoorden worden zo tot een keurslijf waarin de Kamer steeds dichter wordt ingesnoerd. Een groter parlement maakt dat keurslijf op slag minder strak. Een grote fractie zal straks zeventig of tachtig zetels tellen, in uitzonderlijke gevallen misschien zelfs meer dan dat. Bij die omvang is het voor de fractieleiding niet langer te doen om alle leden voortdurend in het gareel te houden. Door de grotere marges (meerderheden verdubbelen immers mee) is het ook niet langer nodig. Er ontstaat dus ruimte voor dissidenten – politici die principes belangrijker vinden dan politiek gewin. Een uitbreiding van het aantal Kamerleden maakt het parlement zo niet weerbaarder maar ook interessanter.

De Tweede Kamer

De Tweede Kamer

De voordelen van uitbreiding zijn evident: individuele Kamerleden zullen dankzij hun band met hun kiesdistrict aan populariteit winnen, de Kamer wordt weerbaarder en het politieke bedrijf wordt interessanter. Het meest overwegende nadeel is dat van de kosten. Die zouden immers mee verdubbelen, van ongeveer 100 miljoen euro per jaar nu naar 200 miljoen euro per jaar straks. In tijden waarin kiezers de broekriem moeten aanhalen, ook al op verzoek van de politiek, is het lastig om ze te vragen meer te betalen voor hun parlement. Zonder compenserende bezuinigingen gaat het dus niet. In dat verband zou in ieder geval kunnen worden overwogen om de subsidies voor politieke partijen te schrappen. Verder zou ook de overstap naar een unicameraal stelsel ongetwijfeld geld vrijmaken dat nu nog wordt besteed aan de bekostiging van de senaat. Maar als deze maatregel uiteindelijk zelfs na doorvoering van mogelijke bezuinigingen nog steeds een netto kostenpost blijkt te zijn, dan moet dat maar. Een gezonde, weerbare, aansprekende democratie mag namelijk wel wat kosten.