Een van de belangrijkste problemen die Nederland op dit moment heeft is het ontbreken van significante economische groei. Een goed draaiende economie lost de werkeloosheid op, dempt daarmee integratieproblemen en stimuleert de belastinginkomsten, drie thema’s die veelvuldig op de Nederlandse politieke agenda voorkomen. De meeste monetaire mogelijkheden zoals het verlagen van de rente en het bijdrukken van geld zijn benut en hebben tot nu toe nog niet het beoogde effect gehad. Het is hoog tijd om de problemen fundamenteel aan te pakken.

Een van de belangrijkste oorzaken waarom Den Haag de economische motor niet aan de praat krijgt is het ontbreken van relevante zakelijke kennis in de Tweede Kamer. Een gedegen analyse van de tweede kamer laat zien dat 60% van de leden van de wetgevende macht niet of nauwelijks (minder dan vijf jaar) in de private sector heeft gewerkt. Daarnaast hebben de mensen die wel in de private sector hebben gewerkt, slechts een gedeelte van hun carrière hun eigen geld verdiend. In totaal leidt dit tot de conclusie dat in slechts 25% van de arbeidsjaren van parlementariërs ervaring is opgedaan met vraagstukken die vergelijkbaar zijn met het vraagstuk: “hoe gaan we de BV Nederland weer winstgevend maken?”. Zou Shell een CEO aannemen die slecht in 25% van zijn leven heeft gewerkt in de olie-industrie? Of meer persoonlijk: zou u geopereerd willen worden door een chirurg die 5 jaar van zijn leven geopereerd heeft en daarna 15 jaar bij de dienst Stadsbeheer heeft gewerkt van de gemeente Zoetermeer?

Het volgende blijkt verder uit de analyse: een gemiddeld Tweede Kamerlid is 45 jaar oud, heeft in totaal 21 jaar werkervaring, waarvan 5 jaar in de private sector, 10 jaar in de publieke sector en daarna 5 jaar kamerlid. De private ervaring is gemiddeld aan het begin van de carrière opgedaan, waaruit kan worden geconcludeerd dat er nauwelijks strategische private ervaring aanwezig is in de kamer. Als we de uitersten nemen van de grote fracties dan heeft een gemiddelde VVD-er 8 jaar private ervaring en 8 jaar publieke ervaring en een gemiddelde D66-er slechts 2 jaar private ervaring tegen 16 jaar publieke ervaring. De jaren in de Tweede Kamer worden hier buiten beschouwing gelaten.

Als gevolg van deze zakelijke onkunde ontstaan er maatschappelijke uitwassen die nooit zouden plaatsvinden in het bedrijfsleven. Zo zou geen enkel bedrijf sturen op een structureel tekort van 3% tussen uitgaven en inkomsten. Een begroting moet sluitend zijn. Daarnaast is er totaal geen urgentie om problemen op te lossen. Zo neemt Minister Wiebes ongeveer een half jaar om een belastingherziening in eerste voorstel voor te bereiden, iets wat met een tiental strategieconsultants aangevuld met een equivalent aantal weldenkende ambtenaren van het ministerie in week of drie moet kunnen worden opgeleverd. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan moet de Minister zich ernstige zorgen gaan maken. De onmogelijkheid van zo’n aanpak lijkt hem te zitten in de politieke afweging en belangen die er kamerbreed liggen, echter dit is opnieuw een metastase van het ontbreken van zakelijkheid: een politieke agenda met electorale belangen wordt in het Haagse hoger geacht dan een lange termijn strategie waarin adequaat en voortvarend keuzen worden gemaakt. Een laatste uitwas is het feit dat discussies over de grootte van het publieke domein niet makkelijk kunnen worden gevoerd door mensen die het overgrote deel van hun leven hier onderdeel van zijn geweest.

Er zijn voorbeelden te over, de vraag is of je het de Tweede Kamer kan kwalijk nemen dat het toneelstuk zo wordt gespeeld. De carrière van de meeste Kamerleden is doorspekt van het sturen op een budget in plaats van het sturen op groei. Daardoor is er een neiging om “behoud” als doelstelling te hebben in plaats van “bouwen”. Het derde grote verschil tussen de publieke en de private sector is dat er helaas in de publieke taak geen sprake is van een gelijk hebbende markt die afrekent op performance. In de arena van debat is er altijd ruimte voor het sluiten van akkoorden, iets wat tot een verkeerde prikkel in de besluitvorming leidt. Zo wordt het opeens volstrekt normaal om 18 miljard euro per jaar te veel uit te geven doordat de financiering aanwezig is en landen om ons heen een vergelijkbare handelswijze kennen. Dat dit tot gevolg heeft dat we de jeugd opzadelen met torenhoge schulden wordt voor lief genomen. De afrekening volgt over tientallen jaren, wanneer het te laat is om deze keuzen te herzien.

Een snelle verandering valt niet te verwachten aangezien de politieke partijen hun kieslijst zelf ontwikkelen. Vaak wordt dit gedaan door een partijtop die het belang van private ervaring niet onderkent. Electorale ontwikkelingen zijn dat de verschillen tussen rechts en links kleiner worden en ideologie steeds minder belangrijk is voor de kiezer. Het land laten besturen door beroepspolitici geeft een eenzijdige en beperkte blik op de bestaande problemen, zo wordt het immigratievraagstuk vaak negatief ingestoken, terwijl immigranten moeten worden gezien als consumenten en waardevolle verbindingen met het land van herkomst om zaken mee te ontwikkelen. Op de zakelijke manier vraagstukken behandelen haalt vaak de angel uit het debat en verbindt partijen in plaats van dat het polariseert. Het is een kwestie van tijd voordat er een partij van ondernemers gaat opstaan. Besluitvorming zal vaker langs de bedrijfsmatige as plaatsvinden en minder ten faveure van de welvaartsstaat, die in de afgelopen tientallen jaren ontwikkeld is als gevolg van hoge economische groei in het verleden. Als gevolg hiervan zal de private sector opnieuw gaan floreren, hetgeen tot de nodige economisch groei zal leiden om de demografische trends in Nederland financierbaar te houden.

Dr. Rutger van den Noort werkt als vicepresident bij een Nederlandse multinational in de Verenigde Staten