Ophef op sociale media: de vijf genomineerden voor politicus van het jaar 2018 zijn alleen maar mannen. Intersectionele feministen en andere linkse opiniemakers zijn woedend. Want waar blijven de vrouwen? En de politici van kleur?

 

Maar het probleem is niet dat het vijf mannen zijn. Het probleem is dat het deze vijf mannen zijn: Mark Rutte, Jesse Klaver, Klaas Dijkhoff, Geert Wilders en Thierry Baudet. Alleen Mark Rutte en Jesse Klaver zouden in dit rijtje mogen staan vanwege hun kwaliteiten. Het is onbegrijpelijk dat Dijkhoff genomineerd is, met de kansloze proefballonnetjes die hij en zijn fractieleden hebben opgelaten. Uiteraard horen Geert Wilders en Thierry Baudet ook niet in dit rijtje thuis. De FvD-voorman is de slechtste politicus van 2018. Hij laat zelden zijn gezicht zien in de Tweede Kamer, beledigt zijn collega’s, weet nog steeds hoe de parlementaire regels werken, debatteert niet maar zendt alleen maar, enzovoort. En dit staat dus allemaal los van wat Baudet inhoudelijk allemaal zegt.

En als we het dan toch over vrouwen hebben: er zijn in Nederland zat vrouwen die vanwege hun kwaliteiten (dus niet omdat ze vrouw zijn) genomineerd hadden mogen worden. Sigrid Kaag, de echte minister van Buitenlandse Zaken; Kajsa Ollongren, die zich niet laat intimideren door GeenStijl en het FvD en een hele degelijke bestuurder is; Carola Schouten, de beste minister van Landbouw sinds tijden; Kathalijne Buitenweg, de echte leider van GroenLinks; Sadet Karabulut, de beste buitenlandwoordvoerder in de Tweede Kamer (nu nog alleen kritisch over Venezuela worden).

Uit hard-linkse hoek werd Farid Azarkan van DENK op het schild geheven als alternatieve politicus van het jaar. Omdat hij Marokkaan is. En tegen racisme zegt te zijn. Onbegrijpelijk dat men uitgerekend Azarkan noemt, het brein achter het nepspotje van de PVV, die DENK uiteindelijk niet durfde uit te zenden. En Azarkan heeft de parlementaire mores ook niet hoog zitten, door net als Baudet ordinaire taal te bezigen in de Tweede Kamer. Een volksvertegenwoordiger moet inderdaad het volk vertegenwoordigen, maar dat betekent niet dat hij of zij qua taalgebruik ook een afspiegeling van het volk moet zijn. Juist niet misschien.