Het naoorlogse bestuurlijke overlegmodel lijkt niet langer bestand tegen de individualisering.

Het poldermodel vindt zijn oorsprong in de middeleeuwen waarbij het in de moerassen van ons land noodzakelijk was om met alle geledingen van de maatschappij samen te werken, bijvoorbeeld in waterschappen, steden en gilden, omdat anders iedereen letterlijk verzoop.

In zijn huidige vorm heeft het poldermodel zich echter vooral ontwikkeld als gedemocratiseerd uitvloeisel van het in het midden van de negentiende eeuw ontstane corporatisme. Het was een reactie op de toenmalige moderniteit, vooral gericht tegen individualistisch liberalisme.

Het corporatisme in zijn pure vorm is een staat waarbij alle maatschappelijke geledingen vertegenwoordigd zijn; alles wat – gevoeld – strijdig is met de belangen van die staat wordt tegengegaan. Ondemocratisch is het corporatisme verregaand toegepast door fascisten als Mussolini in Italië, Peron in Argentinië, Dolfuss in Oostenrijk en Salazar in Portugal.

Het corporatisme in zijn pure vorm is een staat waarbij alle maatschappelijke geledingen vertegenwoordigd zijn; alles wat – gevoeld – strijdig is met de belangen van die staat wordt tegengegaan.

Nederland heeft in de wereld een vrij unieke vorm ontwikkeld van gedemocratiseerd corporatisme met geïnstitutionaliseerde inspraak van maatschappelijke geledingen, tegenwoordig voornamelijk vakbonden en werkgeverorganisaties.

Huidige corporatistische structuur

Het poldermodel is na WO II vertaald in circa 350 rijks-adviescolleges samengesteld uit belangengroepen inclusief ‘kroonleden’ en vele besturen zoals (nu nog) de ruim 300 pensioenfondsen.  In de wederopbouw na de oorlog tot 1960 heeft het gezamenlijk optrekken zeker zijn nut bewezen. Het motto was toen ‘samen de schouders eronder’. Maar die tijden waren in de jaren zestig al voorbij, toen ging het al om verdeling van de welvaart.

Veel (advies) colleges hebben inmiddels de facto grote invloed, daarbij is de ene dienst de andere waard. Er is een soort inerte oligarchie is ontstaan, een relatief kleine kliek van ‘adviseurs’ hebben een enorm netwerk ten dienste van belangen die zij dienen.

Bij al de organisaties zijn er ook, via lidmaatschap van besturen, intensieve links ontstaan met politieke partijen, die hun vertegenwoordigers in de adviescolleges laten benoemen. In de praktijk vooral PvdA, VVD, CDA en D66. Daarnaast zijn die bestuurders omdat ze in Den Haag goed thuis zijn meestal banenstapelaars in een carrousel  van branche werknemer- of werkgeververtegenwoordigingen, soms ook als provinciaal- of Eerste Kamerlid.

SER en ABP als ijkpunten

Voorbeelden van corporatistische colleges  zijn:

  • SER de Sociaal Economische Raad, ooit het belangrijkste adviesorgaan voor de regering, waarin 11 werkgevers- en 11werknemervertegewoordigers zitting hebben en daarnaast nog eens 11 kroonleden. Tevens zijn er nog een hetzelfde aantal plaatsvervangende leden van die drie categorieën. Bij de werkgevers zijn VNO-NCW, MKB en LTO vertegenwoordigd, bij de werknemers maken FNV, CNV en nog iemand voor de vakcentrale voor professionals (VCP) deel uit van de Raad
  • ABP, letterlijk Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Het is het grootste pensioenfonds van Nederland met ruim 2,5 miljoen leden. Tevens een van de grootste in de hele wereld. Alle ambtenaren – ook de gepensioneerden – zijn er verplicht bij aangesloten. Het bestuur bestaat uit één ‘onafhankelijke’ voorzitter (geen stemrecht), vier bestuursleden namens de werknemers, vijf bestuursleden namens de werkgevers, drie bestuursleden namens de gepensioneerden

Poldermodel kraakt in zijn voegen

De huidige polderstructuren hebben steeds minder draagvlak en wel om twee basis redenen.

  • Bestuurlijke vertegenwoordigers van al die colleges representeren een steeds kleiner deel van de Nederlanders. De middenpartijen zullen volgend jaar naar verwachting nog slechts 50% van de stemmen halen, democratische vertegenwoordiging is dus een farce, ook als men naar het steeds verder slinkende aantal vakbondsleden en werknemers met een vast dienstverband kijkt.
  • Het collectivisme, waardoor vaak exclusieve macht in een sector van de economie is toegekend aan bestuurders met hun achterban, staat op gespannen voet met de wens naar individuele vrijheid. Hoe lang de Nederlanders – bijvoorbeeld – nog bereid zullen zijn verplicht lid te moeten zijn van een pensioenfonds, ook als dat matig presteert, laat zich raden.

De maatschappij is in de eenentwintigste eeuw te ingewikkeld geworden om slechts aan werknemers en werkgeversorganisaties (advies)macht toe te kennen

Overrijp bestuur

Het beleid van zowel pensioenfondsen als adviesorganen staat dus aan toenemende kritiek bloot en is in feite bestuurlijk overrijp geworden. Besluiten zijn vaak waterige consensus compromissen, door de noodzakelijk overbrugging van bestaande belangentegenstellingen van achterbannen. Daarbij vallen nauwelijks meer heldere en consistente lange termijn visies te ontwaren. Corporatistisch voldoende draagvlak creëren is eigenlijk niet meer mogelijk.

De maatschappij is in de eenentwintigste eeuw te ingewikkeld geworden om slechts aan werknemers en werkgeversorganisaties (advies)macht toe te kennen

In dat verband heeft de SER bijvoorbeeld al zo’n dertig jaar nauwelijks nog  een tot de verbeelding sprekend en werkbaar advies afgeleverd. Bij ABP en vele andere pensioenfondsen is het beleggingsbeleid zo weinig succesvol dat niet met droge ogen kan worden beweerd dat individuele en dus meer flexibele oplossingen slechter zouden werken.

Terug naar de politiek, democratie en individualisering

Het kan nog slechts een kwestie van jaren zijn dat veel corporatistische colleges worden opgeheven. Productschappen, door de Duitsers tijdens de bezetting opgericht, waarin veel agri-business branches met werknemer en werkgever vertegenwoordigers waren ondergebracht hebben al het loodje gelegd.

De volgende, die nu aan de beurt zijn zullen pensioenfondsen zijn. Individualisering is na de vele kortingen op uitkeringen en een steeds meer opkomende strijd tussen generaties om beschikbare fondsen onvermijdelijk. Een gouden kans voor levensverzekeringsmaatschappijen, die nu – na de crisis – slechts een moeizaam bestaan hebben

Toekomst Nederland niet corporatief

Cruciaal voor de toekomst van Nederland wordt of wij erin slagen ook honderden adviescolleges als de SER wegens overbodigheid op te heffen. De motivering is duidelijk, ze zijn niet meer vernieuwend of creatief. Ze zijn ook niet meer representatief en dus eigenlijk niet meer democratisch.

Echter de middenpartijen hebben naar schatting zeker duizenden goed betaalde banen voor hun (ex-)politici te verliezen als dit soort colleges verdwijnen, meer dan dat, ook veel invloed. Die partijen staan daar niet om te springen, want wie geeft vrijwillig macht prijs? Het gaat uiteindelijk niet om de hoge kosten die al de overbodige colleges met zich meebrengen, maar vooral om de remmende en vervreemdende invloed die ze op vele politieke besluiten hebben.

Het zal dus nog wel een tijdje duren, maar het einde van de SER en de meeste andere adviescolleges is in zicht. Pas daarna kan Nederland weer een levendige democratie worden. Elke rechtgeaarde liberaal zou hier voor moeten zijn.