Nu het derde kabinet Rutte in aantocht is en alle uitgesproken linkse politieke partijen in Nederland in de oppositie moeten, zou je verwachten dat links met een onderbouwd en inhoudelijk alternatief voor het centrumrechtse beleid op de proppen komt. Niets is echter minder waar.

Het zuur was afgelopen dinsdag in het programma Pauw van de gezichten af te lezen bij Lodewijk Asscher, Jesse Klaver en Emile Roemer. De voltallige linkse oppositie had zichzelf bij deze formatie om verschillende redenen buitenspel gezet. De PvdA had het beste excuus, de partij had immers fors verloren. Maar de SP wil per definitie niet in een kabinet en GroenLinks haakte na twee pogingen definitief af. Het linkse gejammer over het rechtse beleid valt dan ook amper serieus te nemen. Ze hadden het in hun voordeel kunnen keren, maar lieten dat na.

De inhoudelijke oppositievoering is vooralsnog bedroevend. Je zou verwachten dat het prijsschieten wordt, maar op een petitie tegen de BTW-verhoging na ging het met name bij Jesse Klaver met name om de toon van het debat en om personen. Met een moreel verheven toon sprak Klaver tijdens het debat met informateur Gerrit Zalm over de in zijn ogen seksistische grappen van premier Rutte en PVV-leider Geert Wilders eerder in het debat. Deze komische woordenwisseling tussen de premier en Wilders was wellicht wat ongepast in het parlement, maar beweren dat het seksistisch is doet wel heel hysterisch aan.

Ook maakte Klaver zich druk over de vraag hoeveel vrouwelijke ministers er in het kabinet plaats zullen nemen. Een thema dat door verreweg de meeste kiezers terecht helemaal niet relevant gevonden wordt. Met wil gewoon goede bestuurders; mannen of vrouwen. Ook vroegen de linkse fractievoorzitters zich af wat premier Rutte toch bedoelde met zijn term ”gewone Nederlanders”. Tot in den treure werd erover doorgevraagd. De inhoud van het regeerakkoord kwam minder ter sprake. Zouden ze werkelijk denken dat hiermee punten worden gescoord bij de gemiddelde links georiënteerde kiezer?

Het linkse blok heeft bij de verkiezingen in maart collectief een gigantische dreun gekregen. De partijen hebben een ruim half jaar de tijd gehad om de messen te slijpen om dit in hun ogen onzalige kabinet verbaal met de grond gelijk te maken, maar de partijleiders maken zich in de media en in de Kamer eerder volstrekt belachelijk en men valt voortdurend in dezelfde fouten. Geklaag over de toon van het debat, de verhouding tussen mannen en vrouwen en moreel verheven gewapper met het vingertje, daar zit zelfs de linkse kiezer niet op te wachten. Men heeft de eigen achterban dan ook bijzonder weinig te bieden: het gevolg is een rechtse meerderheid en dus rechts beleid. Jammer voor de linkse kiezer, maar ook jammer voor de democratie dat dit kabinet geen oppositie tegenover zich heeft die met een grondig onderbouwd alternatief komt.