Nu de kandidaten zich hebben aangemeld, kan het speculeren beginnen. Belangrijker dan de vraag wie het gaat worden is wat we eigenlijk van de nieuwe voorzitter verwachten. 

Laten we met de meest voor de hand kwaliteit liggende beginnen: de voorzitter moet altijd kunnen vertrouwen op de steun van de volledige Kamer. Dat lijkt vanzelfsprekend maar de periode Van Miltenburg liet zien dat dit geenszins het geval is. Wat de Kamer zich in geen geval kan permitteren is nog een periode met een voorzitter die omstreden is en die door onhandig optreden of omstreden uitspraken sommige fracties van zich vervreemdt en het ambt van voorzitter nog verder in diskrediet brengt. Een combinatie van veilige handen en diplomatieke instincten is dus voorwaarde nummer één.

Onafhankelijk

De nieuwe voorzitter moet daarnaast in denken én handelen de onafhankelijkheid van het voorzitterschap opnieuw vorm gaan geven. Van Miltenburg werd naarmate haar voorzitterschap vorderde steeds meer gezien als een verlengstuk van het VVD-leiderschap. Triest dieptepunt daarbij was haar besluit om een klokkenluidersbrief met voor haar partij onwelgevallige informatie te vernietigen maar de inhoud ervan wel te delen met de leiding van haar eigen fractie. Voorwaarde twee is daarom onafhankelijkheid van geest – en fractiediscipline.

De huidige roerige tijden vragen verder om een voorzitter die bereid is zowel de Kamer als instituut als de omgangsvormen van dat instituut te verdedigen. Omdat ze Wilders geen strobreed in de weg durfde te leggen, verloor Van Miltenburg steeds meer de controle over de gang van zaken in de Kamer. Uiteindelijk kon Wilders er zelfs ongestraft mee wegkomen de Kamer een ‘nepparlement’ te noemen. Dat was op zich al een politieke doodszonde voor een Kamervoorzitter: geen enkele zichzelf en het instituut Tweede Kamer respecterende voorzitter zou zo’n uitspraak mogen accepteren. Van een nieuwe voorzitter mag dan ook verwacht – nee: geëist worden dat die in zulke gevallen hard op zal treden.

Ideale kandidaat

Voorgaand lijstje maakt duidelijk dat de ideale kandidaat niet bestaat. Arib (PvdA) functioneerde voor het reces goed als plaatsvervanger van de afgetreden Van Miltenburg. Het had haar de status van koploper kunnen bezorgen, maar ze liet zich vervolgens van die positie beroven door te makkelijk in te gaan op de provocaties van de PVV. Ze voldoet niet aan eis nummer één en hoort dus af te vallen. Zo zal het niet meteen gaan: ze is de enige kandidaat van links en maakt daardoor goede kans tot de laatste ronde door te dringen.

Wie mag het daar tegen haar opnemen? Waarschijnlijk niet Martin Bosma. Bosma is als voorzitter een natuurtalent. Humor, rust en intelligentie: hij bezit het allemaal. Maar een voorzitter moet zoals gezegd een bindende figuur zijn. Nu bezit Bosma vele kwaliteiten maar bruggenbouwen is er niet een van. Er bestaat daarnaast ook gerede twijfel of hij wel bereid zou zijn Wilders aan te pakken als de situatie daarom vraagt. Overigens maakt Bosma sowieso geen kans omdat er voor hem gewoon geen pad naar de 76 stemmen is, maar dat is een andere zaak. Hij is er misschien wel voor geboren, maar voorzitter wordt hij niet.

Blijven dus over Van Toorenburg (CDA) en Elias (VVD). Van Toorenburg scoort goed op punten een en twee, maar is ze uit stevig genoeg hout gesneden om ook op punt drie goed voor de dag te komen? Op dat laatste punt bestaat in elk geval geen twijfel over de kandidatuur van Elias. Hij is in elk opzicht stevig genoeg om die uitdaging aan te kunnen. Net als Bosma bezit hij alle persoonlijke kwaliteiten die hem tot een goede voorzitter zouden kunnen maken. Maar Elias is wel erg nauw verbonden met het leiderschap van zijn partij. Een partij die het bovendien verdient om een keer te worden overgeslagen na al het geflater onder de vorige voorzitter. Als zijn collega-Kamerleden in andere fracties er net zo over denken, valt hij ondanks al zijn natuurtalent gewoon af.

Papabile

De race zou daarmee op het oog iets onrechtvaardigs krijgen. De twee natuurlijke voorzitterskandidaten vallen af, twee op het eerste gezicht minder interessante kandidaten mogen door. Maar kamervoorzitterschapsverkiezingen zijn wat dat betreft net pauselijke conclaven: de beste kandidaten (de papabili) gaan doorgaans als paus het conclaaf in en komen als kardinaal weer naar buiten. Niet de kandidaat met het meeste talent, maar degene met de minste vijanden en de minste evidente zwakke punten gaat het winnen. Voorzitters worden niet geboren maar gemaakt.