Benda dwingt tot nadenken over de vraag wat de taak van de intellectueel moet zijn.

Eind vorig jaar verscheen bij Amsterdam University Press een Nederlandse vertaling van de klassieke tekst La Trahison des Clercs van Julien Benda, van een inleiding voorzien door ideeenhistoricus Thijs Kleinpaste.

Elke klassieke tekst heeft meerdere betekenissen voor ons, de lezers van vandaag. Hij biedt allereerst een venster op de politiek-filosofische debatten van het tijdperk waarin hij verscheen. In Bendas geval is dat het Frankrijk van de eerste decennia van de twintigste eeuw – een periode getekend door de Dreyfusaffaire, de Eerste Wereldoorlog en de groeiende dominantie van de -ismen, de grote ideologische stromingen.

Een tweede betekenis die een tekst als die van Benda kan hebben, is die van munitie voor het debat van vandaag. Het is, deels, hoe Kleinpaste de publicatie gebruikt. Hij ziet het als een bron van inspiratie en argumenten voor stellingname tegen het nieuwe hypernationalisme van politici als Wilders en Baudet: “Kijken we naar het heden, dan zien we angstaanjagend veel vergelijkbare patronen uit de eerste helft van de twintigste eeuw zich herhalen. Het nationalisme heeft zich opnieuw weten te nestelen in het hart van de politiek, en opnieuw zijn de rechten, de onafhankelijkheid en de vrijheid van het individu het slachtoffer.”

Je hoeft echter geen intellectueel historicus of politiek gemotiveerd individu te zijn om een klassieke tekst als deze te willen herlezen. Het is immers een klassieke tekst geworden omdat het meer biedt dan louter inzicht in de debatten van vroeger of vandaag. Het heeft blijvende betekenis gekregen omdat het blijkbaar bepaalde wezenlijke, tijdloze vragen stelt. Deze derde betekenislaag is in zekere zin waar Bendas betoog naar verwijst. Het is een pleidooi voor het beschermen van bepaalde eeuwige waarden, zaken als rechtvaardigheid en medemenselijkheid. En dat beschermen, zo maakt de tekst duidelijk, is meer dan een defensieve opdracht. Benda kiest overduidelijk voor de voorwaartse verdediging.

De simpelste definitie die we van een intellectueel zouden kunnen geven is: een denker die zich in het publieke debat mengt. Dat doet hij of zij bijvoorbeeld door een boek uit te brengen. Publiceren is niet alleen een kwestie van woorden afdrukken. Door het boek te laten verschijnen, stelt de auteur ook een daad. Hij of zij betrekt een stelling en levert kritiek op wat met die stelling in strijd is. Stellingname is dus een belangrijk aspect van het intellectuele bestaan.

Maar niet stellingname van elke soort. Als de levenshouding van de intellectueel namelijk iets van een ordenend beginsel heeft, dan is het dat van wantrouwen ten opzichte van de voor het politieke debat kenmerkende versimpelde voorstelling van zaken (Burckhardts ‘terribles simplificateurs‘). Het intellectualisme vormt daarmee de tegenhanger van de ideologie, de leer die alle tegenstellingen in het denken terugbrengt tot een enkel idee (de natie, de klasse, eventueel de godsdienst). Een oprechte intellectueel streeft een onafhankelijke stellingname name.

De reden dat Benda zich gedwongen voelde in de pen te klimmen, is dat hij een ontwikkeling van toenemende ideologisering van het publieke debat ontwaarde. Veel intellectuelen verruilden daarbij hun onafhankelijke positie voor die van een partij of idee. Daarmee verraadden zij de eeuwige waarden die ze zouden moeten verdedigen. In de tekst neemt dit verraad allerlei verschillende gestalten aan, maar zo het verraad der klerken iets is voor Benda, dan is het de omarming van ‘realisme’: het verheffen van de politieke driften tot de maat van alle dingen. En dan vooral van de “natiegerelateerde driften”, de kritiekloze en totale verheerlijking van het eigen vaderland.

La Trahison des Clercs heeft zoals gezegd de status van een klassieke tekst gekregen, maar daarmee is het bepaald niet boven elke kritiek verheven. Die kritiek valt in twee soorten uiteen. De een is die van Sartre, die Benda ervan beschuldigde dat die zich met een beroep op eeuwige waarden feitelijk onttrok aan de politieke strijd van het moment. De ander verwijt Benda juist een teveel aan activisme. Deze vorm van kritiek werd eerder deze week verwoord door NRC-recensent Arnold Heumakers. Door zich nadrukkelijk in het politieke strijdgewoel te mengen, en uiteindelijk zelfs de communisten te accepteren als bondgenoot in zijn strijd tegen het fascisme, zou Benda verraad hebben gepleegd aan de door hem als standaard gepresenteerde kritische distantie.

Dat laatste punt van kritiek is overigens weinig uniek. Hetzelfde verwijt, dat hij/zij niet naar zijn eigen opvattingen leefde, kan men immers vrijwel elke denker uit de westerse canon maken. Machiavelli was zelf bepaald geen machiavellist. En de Amerikaanse Founding Fathers stelden een document op dat enerzijds de unieke waardigheid van elk menselijk individu benadrukte maar anderzijds voortzetting van slavernij als politiek compromis accepteerde.

Op zich is het mogelijk om als intellectueel volledige zuiverheid na te streven door nadrukkelijk afstand te bewaren tot het politieke debat van vandaag. De vraag die zich na lezing van Het verraad der intellectuelen aan de lezer opdringt, is of we dat eigenlijk wel moeten willen. Als het uberhaupt al mogelijk is, want zoals Bendas leven en werken lieten zien, is volledig afstand bewaren praktisch onmogelijk. Zo is het bijvoorbeeld een politiek geladen keuze van Heumakers om niet het gedachtengoed van Baudet en co maar het verzet daartegen van Kleinpaste tot onderwerp van kritiek te maken: “om een idealistisch en moralistisch engagement… nog eens aan een kritische reflectie te onderwerpen.” Via een dergelijke excessieve gehechtheid aan kritische distantie dekking biedt de intellectueel Heumakers immers dekking aan degenen die pleiten voor ondermijning van de waarden die hij als intellectueel wordt geacht te verdedigen. De kritiek van Sartre lijkt daarmee relevanter voor de zuiver intellectuele anti-stellingname zoals Heumakers die beschrijft dan voor de anti-ideologische intellectuele betrokkenheid van Benda en Kleinpaste.

We zijn zo terug bij de vraag waarmee we begonnen: wat is de taak van de intellectueel? In praktijk bestaat die taak vooral uit schipperen tussen ideaal en praktijk – de idealen beschermend tegen de praktijk zonder ze ooit als absolute standaarden aan diezelfde praktijk te willen opleggen. De ultieme opdracht van de intellectueel is het bewaken van deze ruimte tussen “het goede zeggen en het slechte doen”. Met zijn stellingname voor tijdloze waarden en tegen het opkomend fascisme lijkt Benda in ruime mate aan deze opdracht te hebben voldaan. Het is daardoor een boek dat het ook (of wellicht juist) vandaag verdient te worden herlezen.