Kan de macht van het internet worden gebruikt om het schijnbaar vastgeroeste democratische bestel te hervormen?

Heerlijk, die digitale revolutie. Hele sectoren in de economie worden omgeploegd. Oude monopolies en machtsblokken verdwijnen, consumenten (burgers!) krijgen onbeperkte macht, de klant is eindelijk koning. Intermediaire marktpartijen die altijd slapende rijk werden door links én rechts hoge commissies te vangen (reisbureaus, verzekeringsagenten) konden hun deuren sluiten.

Disruptie, noemen we dat. Sterker, internet bracht ons disruptive innovation, een variant van wat de econoom Joseph Schumpeter ‘creatieve destructie’ noemde. Vernietig het oude om het nieuwe te laten groeien. Geen sector in onze samenleving lijkt eraan te ontkomen. Niet één? Toch wel. Er is een cruciaal onderdeel van onze samenleving dat immuun lijkt voor de digitale revolutie. Waar Jan en alleman over klaagt, dat broodnodig aan renovatie toe is, dat niet meer de aan de wensen van de burger tegemoet lijkt te komen. Dat al eeuwenoud is en nooit wezenlijk is aangepakt, maar desondanks als krasse knar fier overeind blijft.

De Kloof
Dat blok beton is ons democratische bestel, ons politieke systeem. Vormgegeven in zeg maar 1848, aangepast in het begin van de vorige eeuw, met bijvoorbeeld een overstap van het districtenstelsel naar de evenredige vertegenwoordiging en invoering van het algemeen kiesrecht. Sinds de Tweede Wereldoorlog is er niets wezenlijks meer aan veranderd. Alle pogingen van D66, opgericht om juist dat voor elkaar te brengen, ten spijt. Kabinetten raakten in crisis door pogingen om gekozen burgemeesters of volksraadplegingen in te voeren. Commissies stelden ingrijpende wijzigingen voor, het laatst nog in 2006 met het ‘Burgerforum’. Het leidde tot niets.

De burger voelt zich steeds minder vertegenwoordigd in de politiek. Hij stemt, en in zijn naam worden volksvertegenwoordigers afgevaardigd naar het parlement in Den Haag – vaak niet de mensen waarop hij gestemd heeft. Voorkeursstemmen spelen slechts een beperkte rol in ons kiesstelsel. In Den Haag worden kabinetten gevormd met steun van meerdere partijen – alweer vaak niet de partijen van kiezers’ voorkeur. Die ander beleid gaan voeren dan hem was beloofd in de verkiezingscampagne.

Kortom, er is een representatieprobleem in de politiek, de roemruchte kloof tussen burger en politiek. Dat probleem lijkt groter te worden. Dat kan niet liggen aan het kiesstelsel zelf, dat immers als in beton gegoten blijft. De samenleving zélf verandert, wordt complexer, met hoger opgeleide en mondiger burgers die meer dan ooit denken in termen van rechten, die opgeëist moeten worden.

Er is groeiende kritiek op politieke partijen, de machtscentra in ons bestel die voor bovenstaande representatiecrisis verantwoordelijk zijn. Ze monopoliseren de kandidaatstelling, de bestuursbenoemingen en de agendasetting, terwijl ze maar een miniem percentage (3%) van de kiezers vertegenwoordigen. Binnen politieke partijen is vaak sprake van machtspolitiek door zittende bestuurders met eigen belangen, die het democratische debat smoren. Recalcitrante volksvertegenwoordigers die zich niet meer naar de partijlijn willen voegen, worden uitgekotst.

In een essaybundel uit 2014 van de Raad voor Openbaar Bestuur (ROB), adviseur van regering en parlement, werd zelf al serieus geopperd om deze ‘democratische systeemcrisis’ door loting op te lossen. Zoals een rechtbankjury in de UK en de VS wordt samengesteld uit gewone burgers, met een beroep op hun burgerplicht. Dan zijn geen partijen meer nodig.

Andere voorstellen om de kloof te verkleinen richten zich vaak op de wijze waarop we volksvertegenwoordigers kiezen. Moeten we het zoals de Britten, Amerikanen, Fransen, Belgen, of Duitsers doen? Voeren we een districtenstelsel (weer) in (zoals in de UK), of een mengvorm van districtenstelsel en evenredige vertegenwoordiging (België, Duitsland)? Geven we de burger een tweede stem, zodat hij niet alleen volksvertegenwoordigers kan kiezen die het bestuur controleren, maar ook de bestuurders zelf kan kiezen (VS)?

Een districtenstelsel heeft als voordeel dat kiezers direct een volksvertegenwoordiger kunnen afvaardigen, waardoor ze meer binding krijgen met individuele politici, en er bovendien veel minder politieke partijen nodig zijn. Vaak, zoals nu weer in het VK, is er daardoor geen coalitievorming nodig wat ook efficiënter werkt. Maar het maakt de politiek ook nóg persoonlijker.

Het zijn ingrijpende wijzigingen die voors en tegens kennen, maar die vooral grondwetswijzigingen nodig hebben. En daar deinst de Haagse politiek altijd weer voor terug. Laat het maar zoals het is.

Op de slippen
VVD-staatsman Frits Bolkestein opperde al in 1993 om de stem van de kiezer een zwaarder gewicht te geven ten koste van de partijmacht. Hij stelde voor om voorkeursstemmen een hoofdrol te geven bínnen het bestaande bestel van evenredige vertegenwoordiging. Kandidaten op een partijlijst zouden niet meer op basis van volgorde achter de lijsttrekker (“op zijn slippen”) de Kamer in gaan, maar op basis van behaalde voorkeursstemmen. Goed idee, maar er was toch een kleine aanpassing van de kieswet nodig: dus ging het niet door. De insiders in Den Haag slaakten een zucht van verlichting.

Soms moet je het doen zoals de Ubers, Booking.coms en Amazons hebben gedaan: gewoon beginnen en het systeem van binnenuit uithollen en vernieuwen. Met digitale middelen. Onze kieswet biedt voldoende ruimte voor nieuwkomers om het op een andere manier te doen. Bolkesteins plan is wél mogelijk zonder een aanpassing van kieswet of Grondwet. Nu al plaatsen politieke partijen kandidaten op hun lijst wel in de Kamer als iemand, hoe onverkiesbaar laag ook op de lijst, toch zeer veel voorkeursstemmen heeft behaald. Dat is zelfs onvermijdelijk als iemand de kiesdrempel heeft gehaald, het minimaal aantal stemmen dat nodig is om één zetel te bemachtigen.

Infiltratie in het systeem
In het distcrictenstelsel is het electoraat opgedeeld in kieskringen, gelijk aan het aantal Kamerzetels waar per kieskring een zetel te verdienen valt. Een enkele politieke partij zou dat binnen ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging ook kunnen doen. Zo’n partij hoeft zich niets aan te trekken van wat het politieke establishment van andere partijen allemaal bedenkt. Het schrijft zelf een aantal ‘virtuele’ kieskringen voor, die niet geografisch gebonden zijn.

Kandidaten kunnen opteren – en binnen de partij campagne voeren – voor een kieskring. Ze kunnen dat doen met eigen thema’s. In tegenstelling tot de gevestigde partijen hoeft deze ‘virtuele’ partij geen eigen, dominant programma of partijlijn te hebben. Het kan hooguit kaders stellen (bv tegen extremisme en populisme) maar verder vooral faciliterend optreden. Om binnen de regels van de kieswet toegang tot het systeem te bieden aan verkiesbare burgers die hun eigen campagne willen voeren.

Social media bieden tegenwoordig alle kansen om mensen aan je te binden. Het is het middel voor grass root campaigning bij uitstek. De kandidaten die zo een plaats op de lijst hebben verworven kunnen vervolgens campagne gaan voeren binnen hun kieskring om de kiesdrempel te halen. Doen ze dat, dan staan ze in het parlement.

Zo’n virtuele partij heeft voor- en nadelen, en er zullen weer andere problemen opdoemen. Bijvoorbeeld als een regeringscoalitie gevormd moet worden. Maar overal is een oplossing voor. Voorop staat dat de digitale revolutie ook in de politiek disrupties kan veroorzaken – en dat is een kans. Ik ga er de volgende keer verder op in, en reageer dan graag op uw commentaar hierover.