In 2007 bezocht ik als jonge aio voor het eerst een Balie-debat. Het ging over de toekomst van D66, die na de verkiezingen van november 2006 in zwaar weer zat. Moest de partij misschien fuseren met GroenLinks?

 

In de zaal zat ook een hele deftige linkse meneer die uiteraard lid was van GroenLinks. Hij voerde tijdens de discussie het hoogste woord. Hij kwam echter net als ik niet uit Amsterdam. Toen ik de trein naar huis pakte zag ik dat hij ook instapte met een dame. Hij wilde echter niet bij haar in de tweede klas zitten, want hij had recht op een eersteklas plek. Dat zei hij ook op hoge toon. Hij voelde zich kennelijk ver verheven boven het achterlijke klootjesvolk.

Aan deze anekdote moest ik denken toen ik vorige week het verhaal van champagnesocialist Paul Rosenmöller las, die zich hard maakt voor topsalarissen in de semi-publieke sector. Rationeel valt er natuurlijk wel iets voor het bestaan van zulke salarissen te zeggen. Mensen met veel talent lopen anders weg naar een ander bedrijf. Maar dat een voormalige GroenLinks-leider dat doet, is heel typisch. GroenLinks is toch de partij van gelijkheid, van nivellering? En was Rosenmöller niet degene die de stakingen in de Rotterdamse havens leidde?

Het probleem is niet dat Rosenmöller voor de belangen van de ‘rijken’ opkomt, maar dat hij dat doet terwijl hij in het verleden hele linkse standpunten verkondigde. Dat tast de geloofwaardigheid van linkse politiek aan. De VVD heeft om de zoveel tijd last van schandalen, denk aan Jos van Rey en Henry Keizer, maar dat raakt de partij toch minder. Linkse politici en linkse oud-politici zouden beter moeten weten. Om met de apostel Paulus te spreken: ‘Daarom, wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.’

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons