Met een blik op de peilingen kunnen we aardig speculeren over de uitslag en gevolgen van de komende Kamerverkiezingen – een alleraardigst tijdverdrijf.

 

De grote vraag lijkt mij of Geert Wilders inderdaad zal gaan winnen. Dat kan, hij gaat nu immers aan kop. Hij gaat in hoger beroep tegen zijn veroordeling, en dat levert weer extra publiciteit en medeleven op. Veel zal natuurlijk ook afhangen van de omstandigheden – kort en bondig geformuleerd: of er nog aan aanslag komt of niet. Bovendien blijkt Wilders als het er op de verkiezingsdag op aankomt, toch altijd lager te scoren dan de peilingen suggereren. Blijkbaar haken potentiële kiezers op het laatste moment toch af, hoe graag ze ook een stem van protest zouden uitbrengen. De emoties worden dan bedwongen door de rationale overweging dat enige continuïteit en stabiliteit toch de voorkeur verdient. Bij een overwinning van Wilders zullen die ver te zoeken te zijn. Niemand zal zich als coalitiepartner bij Wilders aandienen, zo zal dan tijdens het Kamerdebat op 16 maart duidelijk worden, en de door Wilders voorspelde kleine revolte zal dan een feit zijn.

Veel hangt af van de vraag hoe deze campagne zal worden ‘ge-framed’. De vorige liep uit op een grote tweestrijd tussen VVD en PvdA. De kiezers wilden of de een of de ander, en kregen uiteindelijk beide. Nu de PvdA maar zo historisch laag in de peilingen blijft staan, is een herhaling van die tweestrijd niet het meest waarschijnlijke scenario. Al kan het nog steeds, zeker als de media Lodewijk Asscher gaan neerzetten als het linkse alternatief voor een VVD die zich op sommige punten als een PVV light presenteert.

Maar waarschijnlijk is de beslissende vraag wie zich tegenover Wilders zal weten te posteren als het redelijke en gematigde alternatief voor diens A4’tje-populisme. Deze verkiezingen worden dus, naar het zich laat aanzien, een gevecht op rechts. Met een marginale rol voor VNL, GeenPeil en Forum voor Democratie, die met elkaar gaan vechten om een enkel zeteltje.

Daarmee tekent zich een scenario af dat we ook in Amerika en Oostenrijk hebben gezien en nog in Frankrijk en Duitsland zullen gaan zien. In Amerika versloeg de outsider Trump de kandidaat van het establishment Hilary Clinton, maar in Oostenrijk wist de progressieve kandidaat Alexander Van der Bellen (gesteund door de Groene partij) de FPÖ-kandidaat Norbert Hofer te verslaan. In Duitsland moet Angela Merkel de opkomst van de AfD stuiten, en in Frankrijk moet François Fillon Marine Le Pen uit het Elysée zien te houden.

De meest waarschijnlijke kandidaat, op dit moment, om Wilders uit het Torentje te houden, is natuurlijk Mark Rutte (die het vak ooit onder de vleugels van Geert Wilders heeft geleerd). Na deze regeerperiode kan hij overtuigende economische cijfers overleggen, maar we weten inmiddels allemaal dat dat niet beslissend is. It’s not the economy, stupid! Deze verkiezingen gaan over identiteit, over migratie en cultuur, over representatie en eigenheid. Dat zijn de thema’s van Wilders. Maar ook van Sybrand Buma.

In de aanloop naar de volgende verkiezingen moet ik steeds vaker terugdenken aan het voorjaar van 2002. Pim Fortuyn leidde in de peilingen, werd vermoord, en het CDA profiteerde – tegenover een in de touwen hangende paarse élite. De vraag is nu of Buma zich in die niche kan wurmen en zich als de enige geloofwaardige tegenkandidaat van Wilders zal kunnen presenteren. Inhoudelijk kan dat, getuige zijn boek Tegen het cynisme. Maar Buma zelf en zijn campagneteam hebben nog een lange weg te gaan. Het CDA klotst zo tegen de grens van 20 zetels aan, en dat is ten opzichte van het huidige zetelaantal natuurlijk een respectabele winst, maar nog niet de doorbraak die nodig is om Rutte en Wilders te bedreigen.

Maar het kan natuurlijk nog – als Buma op een verleidelijke wijze het aambeeld weet te beroeren van waarden en grenzen, van identiteit en cultuur. Dat vraagt om enig retorisch geweld. Buma zal zich binnen een maand als de Churchill van de Lage Landen moeten ontpoppen.

 

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons