Hou de markt buiten de financiering van grote infrastructuurprojecten!

Volgende week gaat de top van Rutte III – premier Rutte en vice-premier Ollongren – met de vier grote steden om tafel om te praten over hun wensenlijstjes op het gebied van infrastructuurverbetering. Om onduidelijke redenen wordt daarbij overwogen om die projecten niet op de gebruikelijke wijze te financieren via staatsleningen maar via kapitaal van private partijen. Zodat de belastingbetaler straks mogelijk met een veel hogere rekening wordt opgescheept.

Ik ben een overtuigd voorstander van de vrije markt.  Of het nu gaat om dagelijkse boodschappen of gecompliceerde dienstverlening, de praktijk leert dat de markt dit soort zaken efficienter en dus uiteindelijk ook goedkoper regelt dan de overheid. Daarin sta ik ook niet alleen: zelfs onder de meest overtuigde socialisten vind je nauwelijks mensen die menen dat de overheid letterlijk alle aspecten van de economie moet overnemen. Op mijn beurt geef ik toe dat de markt ook niet alles kan. Er zijn soms goede redenen voor overheidsingrijpen in het marktproces. Het is om die reden bijvoorbeeld dat elke overheid milieustandaarden oplegt aan de markt. Of mededingingsbeleid voert. Sommige diensten kunnen ook niet uitsluitend aan de markt worden overgelaten omdat dit indruist tegen ons rechtvaardigheidsgevoel. Onderwijs bijvoorbeeld. Of zorg.

Een aparte categorie wordt gevormd door zaken die de markt in principe wel zou kunnen leveren maar die zo duur zijn dat geen enkel bedrijf er het geld voor heeft. Ik doel dan op de grote infrastructuurprojecten. Bruggen, wegen, trein en metronetwerken, dijken en kanalen: allemaal zijn ze noodzakelijk voor het goed functioneren van een economie en van een gemeenschap uberhaupt. Maar als de overheid het niet doet, zal niemand ze aanleggen.

Van oudsher worden dit soort grote infrastructuurprojecten gefinancierd via staatsleningen. Dat valt zonder meer te rechtvaardigen omdat het een investering in het langetermijn potentieel van de economie betreft. Het verhoogt immers de mobiliteit van werknemers en grondstoffen en schept nieuwe afzetmogelijkheden door steden of regio’s (en dus markten) te ontsluiten. Wat nu precies het multipliereffect van dergelijke investering is, valt lastig in te schatten maar het IMF houdt het er in een recente studie op dat ze “substantieel” zijn.

De rente op de kapitaalmarkten is historisch laag (de reele rente is zelfs negatief). Onze staatsschuld ligt met 52 procent ruim onder de EMU-grens van 60 procent (die overigens geen harde eis is maar een streefcijfer). We hebben inmiddels alweer voor het derde jaar op rij een begrotingsoverschot van boven de 1 procent – eind 2018 hadden we 12 miljard euro over op de begroting. De overheidsfinancien blaken van gezondheid. Er is dus letterlijk geen reden te bedenken waarom deze projecten niet gewoon op de gebruikelijke manier gefinancierd zouden worden.

Toch gaat op advies van management consultants McKinsey’s nu gekeken worden of de financiering niet kan worden geregeld via publiek-private samenwerking. Voor wie het niet kent: deze vorm van samenwerking is een tussenvorm tussen overheidseigendom en privatisering. De lasten vallen voor rekening van de overheid, de winsten vloeien weg naar het bedrijfsleven. Voor zover die er zijn. Want in het geval van infrastructuurprojecten gaat die winst nooit tastbaar worden. Dat betekent dus dat het feitelijk om leningen van private partijen aan de overheid zal gaan.

De consultants van McKinsey’s claimen dat een dergelijke constructie “10 tot 15 procent” op de projectkosten zou kunnen helpen besparen. Hoe dan? De kosten van lenen zijn zoals gezegd de facto negatief. Gaan marktpartijen hun geld met nog hogere bonusrente aan de staat aanbieden? Natuurlijk niet. Niet voor niets waarschuwt het IMF tegen onnadenkend gebruik van het PPS-instrument: “While in the short term, PPPs may appear cheaper than traditional public investment, over time they can turn out to be more expensive and undermine fiscal sustainability, particularly when governments ignore or are unaware of their deferred costs and associated fiscal risks.”

Die ‘uitgestelde kosten’ en ‘daarmee verwante fiscale risico’s’ kunnen aanzienlijk zijn. Een relevant voorbeeld: net als Amsterdam wilde ook Londen eind jaren negentig investeren in de aanleg van een nieuwe metrolijn. De gekozen publiek-private samenwerking leek een slimme manier om de relatief hoge rentes op de kapitaalmarkt te omzeilen. Maar het werd uiteindelijk een kostbare mislukking. Een decennium later moest de Britse overheid bijspringen om de extra kosten te betalen. Het leverde de Britse belastingbetalers een strop op van vele miljarden ponden.

De liberale bewindslieden van Rutte III moeten voorbij durven denken aan hun vrijemarkt beginselen. Niet alles is beter geregeld via de markt. Dit soort grote infrastructuurprojecten hoor je gewoon te financieren via staatsleningen.