In Nederland is een ruime meerderheid van de bevolking voor de afschaffing van het bijzonder onderwijs (Artikel 23). De Onderwijsraad heeft echter geadviseerd de vrijheid om je eigen school te stichten uit te breiden, zodat er nog meer segregatie in het onderwijs en dus de samenleving komt.

 

Een duidelijk signaal

De gekoesterde ‘vrijheid van onderwijs’ heeft voor een vastgeroest onderwijsbekostigingssysteem gezorgd. Dat niet meer is dan een lege huls om de verzuilde schoolbesturen in ere te houden. Het onderwijslandschap is op geen enkele wijze meer een afspiegeling van de huidige geseculariseerde samenleving. Meer dan 60% van de bevolking spreekt zich uit niks meer met geloof of religie te hebben. Terwijl er wel meer dan 60% bijzondere op geloof ingerichte scholen van katholieke, christelijke, joodse, islamitische, hindoeïstische en antroposofische snit zijn die uit de staatskas worden bekostigd.

In de afgelopen maand september is deze discussie op verschillende fronten gevoerd. Zo is er door De Telegraaf, De Wereld draait Door, RTL Late Night, de Volkskrantcolumniste van Aleid Truijens, de onderwijsopiniemakers van Trouw en het VPRO-programma OVT hierover geschreven en gediscussieerd. De Telegraaf, de Trouw en OVT hebben ieder online opiniepeilingen uitgezet over het onderwerp.

Deze peilingen geven een duidelijk resultaat weer. 63% van degenen die aan de online poll van De Telegraaf hebben meegedaan geeft aan het niet van belang vindt dat kinderen via de school religieuze kennis meekrijgen. 79% is zelfs voor de afschaffing van het bijzonder onderwijs. Op 7 september is door Trouw een online stelling voorgelegd: ‘Er moet alleen nog neutraal staatsonderwijs worden gegeven.’ Met deze stelling was 68% het van respondenten lezers het eens. Ten slotte was 65% van de online respondenten van het programma OVT het eens met de stelling ‘Het bijzonder onderwijs is niet meer van deze tijd’.

De drie online enquêtes, ingevuld door meer dan 13.000 mensen vanuit verschillende media-achterbannen, geven een duidelijk signaal af: het bijzonder geloofsonderwijs zal moeten worden ontmanteld.

 

Parlementaire verhoudingen

Door de politiek zijn er in de afgelopen weken enkele proefballonnetjes opgelaten. Zo betoogden SP-parlementariërs Jasper van Dijk en Sadet Karabulut in een opinieartikel in de Volkskrant van 12: ‘Maak scholen toegankelijk voor iedereen, ongeacht religie of afkomst.’ De nieuwbakken lijsttrekker Jan Roos van Voor Nederland (VNL) deed in De Telegraaf van 29 september bovendien de volgende uitspraak: ‘Er mag geen cent belastinggeld meer naar religieuze scholen. Joodse, christelijke of islamitische scholen mogen best blijven bestaan, maar dan moeten ze zichzelf bedruipen.’

Is er in de Tweede Kamer een twee-derde meerderheid te vinden artikel 23 van de Nederlandse grondwet, die de zogenoemde vrijheid van onderwijs regelt, te wijzigen dan wel te schrappen?

Op het eerste gezicht lijkt dit inderdaad het geval te zijn. We hebben in de huidige Tweede Kamer immers maar 21 Kamerleden die een uitgesproken geloofspartij vertegenwoordigen: 13 parlementariërs voor het CDA, 5 voor de ChristenUnie en 3 voor de SGP. Zij vormen nu een kleine, marginale minderheid in onze Kamer, hoewel dat ooit eens anders was (lees hiervoor het uitstekende boek van Ewout Klei, Van God los. Het einde van de christelijke politiek?)

Misschien kunnen we de islamitische vertegenwoordigers van DENK ook rekenen tot de voorstanders van het bijzonder onderwijs. Da komen we uit op 23. De overgebleven 127 Kamerleden vormen meer dan een twee-derde meerderheid.

Toch ligt het niet zo simpel. We vergeten namelijk de politieke partijen die op grond van hun achterbannen zich niet zo uitdrukkelijk zullen uitspreken voor alleen openbaar onderwijs. PvdA en GroenLinks moeten rekening houden met hun islamitische kiezers, veel VVD’ers zijn ook niet voor de afschaffing van het bijzonder onderwijs omdat ze graag het CDA te vriend houden. Ten slotte wil de PVV alleen het islamitische bijzonder onderwijs afschaffen, maar het christelijke en joodse bijzonder onderwijs behouden.

Dit betekent dus dat de 23 Kamerleden van de geloofspartijen zich gesteund voelen door een ruime Kamermeerderheid. Als er geen hoofdelijke stemming komt zijn er nog 104 parlementariërs extra (de zetels van VVD, PvdA, PVV en GroenLinks bij elkaar opgeteld) die het bijzonder onderwijs steunen.

 

Het onzalige plan van de Onderwijsraad

De Tweede Kamer heeft in maart 2011 de Onderwijsraad gevraagd om advies over de interpretatie van Artikel 23. In april 2012 kwam de raad met een advies dat door staatsecretaris Sander Dekker van Onderwijs grotendeels is overgenomen en in voorbereiding genomen om aan te bieden aan de Tweede Kamer. De Onderwijsraad stelt voor Artikel 23 te verruimen, door bij de stichting van scholen het richtingsprincipe op te heffen. Dit betekent dat elke goed georganiseerde groep (elite) particulieren een ‘richtingsvrije’ school kan oprichten.

De bestaande verzuiling in het onderwijs zal hierdoor niet verdwijnen. Het enige wat verandert is dat diverse ongedefinieerde exotische groepen, zoals bijvoorbeeld New Age-aanhangers, leden van de Scientology Kerk enzovoort in principe hun eigen school kunnen stichten.

Er zijn drie voorwaarden om voor bekostiging in aanmerking te komen. Ten eerste moet marktonderzoek aantonen dat er behoefte is aan de school. Ten tweede moet de financiële boekhouding op orde zijn. Ten slotte moet de school deugdelijk onderwijs kunnen bieden.

Het onzalige plan van de Onderwijs pakt Artikel 23 niet aan, maar wil de onderwijs‘vrijheid’ juist versterken. De verruiming van het recht op bijzonder onderwijs zal alleen maar leiden tot een nog groter versnippering, vervaging, vervlakking  en mogelijk zelfs een verharding van het onderwijslandschap. De voorstellen van de Onderwijsraad zetten de deur wagenwijd open voor nog meer scholen die dogmatisch en onwetenschappelijk onderwijs bieden. De eigenlijke enige voorwaarde is immers dat men maar voldoende ouders kan optrommelen.

Door de uitbreiding van Artikel 23 ontstaat er een nog diepere kloof in het onderwijs tussen kinderen en jongvolwassenen. Voor de samenleving betekent dit een nog grotere opdeling van groepen, uitzonderingen op grond waarvan men zich kan afsluiten van de maatschappij en zich kan richten op de eigen cocon. In hoeverre is het voor kinderen uit armere gezinnen nog mogelijk om deel te nemen aan kwalitatief onderwijs, kinderen die aangewezen zijn op het openbaar onderwijs? Het gevaar bestaat dat het openbaar onderwijs steeds meer gezien zal gaan worden als het sociaal afvalputje, net als in de Verenigde Staten van Amerika.

 

De boel omdraaien

Laten we de boel nu eens omdraaien. Laten we alleen maar uitgaan van het openbaar onderwijs. De overheid heeft volgens Artikel 23 de zorg om kwalitatief onderwijs te bieden aan ieder burger die daarom vraagt.

Openbare scholen kunnen opgezet worden daar waar de vragen in potentie liggen of gearticuleerd worden. De vraag naar funderend en/of kwalificerend onderwijs wordt met steun van de overheid opgezet in samenspraak met onderwijsvragers en het toekomstige docententeam. Met elkaar – ouders/leerlingen/studenten (vragers) en het onderwijsteam (aanbieders) – wordt de pedagogische en didactische inrichting van de school of opleiding vastgesteld.

We zouden moeten streven naar een ‘openbare vrije inrichtingsplanning’ van het onderwijs, waaraan alle scholen deelnemen. In deze constructie zouden we tevens een aantal bestuurlijke, juridische en financiële afslankingen door kunnen voeren.

Er moet natuurlijk wel worden gestreefd naar een parlementaire twee-derde meerderheid voor dit nieuwe voorstel. Anders blijft het pappen en nathouden en zullen we een gesegregeerde en parallelle samenleving in stand houden via het onderwijs.

 

Hans de Vries is onderwijssocioloog en voorzitter van de Partij van de Rede.