Sylvia Witteman schreef over het boek Pussy Album van Stella Bergsma (geen familie): wie goed schrijft, mag alles. In dat compliment ligt ook een oordeel besloten. Ik zou willen zeggen, wie alles mag, schrijft ook goed. Deze recensie gaat daar over.

Het verhaal over lerares Eva van Liere (37), die haar baan verliest als ze met een leerling betrapt wordt, leest als een lange, in alcohol gedrenkte kroegavond, die -niets en niemand ontziend- er om draait het hele project dat leven heet van repliek te dienen. Want alles is waardeloos en dat moet gevierd worden! Eva drinkt, de hele tijd. Pikt mannen op, in haar stamcafé ‘het Knelpunt’, of op internet via de webcam, jonge jongens, getrouwde mannen. Ze ziet de mensen met hun sores en maakt ze haar eigen. Haar schrille emotionele wereld vloeit over in die van anderen waardoor ze nergens begint en nergens ophoudt, precies zoals ze het wil. ‘Dronkenlappen zijn de grootste losers, maar ze huilen om de wereld, zoals boeddhisten mediteren voor vrede. Ook om jou huilen ze’.

Zoals met alle goede literatuur gaat een boek dat je leest altijd over jezelf, zelfs als de hoofdpersoon een astronaut is met smetvrees. Nu kwam het dit keer iets dichterbij. De kroeg ken ik ook nog wel, evenals het kansloze gevoel wanneer je bier na bier, wijntje na wijntje, harder hoopt dat er nog ‘iets zal gebeuren’. Maar er gebeurt niets. Als de deur om 02:00 uur dicht gaat en er geen verloren ex of nieuwe aanwas meer kan binnenkomen vind je dat je een arm om je heen gewoon verdiend hebt. Maar verdorie, zelfs die is er niet. In plaats daarvan werp je in de wc kusjes naar jezelf in de spiegel en vind je de volgende dag aanstekers van anderen in je tas, bierviltjes met namen, misschien wat kleine gedichtjes, poppetjes erop. ’Kansloos’ noemden mijn vriendinnen en ik dat vroeger, toen we ons nog niet konden verzoenen met het gapende gat tussen de saaie werkelijkheid vol met “visstick” (ruggengraatloze) mannen en het vuur in onze jonge harten.

Eva vertolkt het vuur, want na alles mág alles, terwijl wij allemaal achter het aanrecht zijn gekropen en een ‘onwijs leuke’ parttime baan combineren met twee kinderen die gehaald en gebracht moeten worden naar dingen. We kijken ’s avonds ‘Heel Holland bakt’ en lezen boeken en columns die vooral herkenbaar moeten zijn. Onze fantasie zuigt langzaam vacuüm, we zijn allemaal hetzelfde geworden. De energie die ontkenning kost vullen we op met Fifty Shades of Grey en tv-series waarin vrouwen mannen uitschelden. Dat lucht op. Míjn stamkroeg is tegenwoordig een humus restaurantje aan de overkant van mijn straat, vanwege de wifi. Gekker dan een pul bier wordt het niet meer. Als ik al aangeschoten raak op een verjaardag raak ik vooral geïrriteerd omdat al die volwassenen maar in hun doordeweekse rol blijven zitten en liever gesprekjes aanknopen met kinderen onder de tien dan met mij. ‘Joehoe!’ denk ik op de wc, maar in de spiegel kijk ik al niet meer.

Dat van dat vuur moet je in literair perspectief plaatsen. Dat Eva kansloos is (en om die reden irritaties oproept bij sommige lezers van het boek) doet niets af aan het offer dat ze -via de schrijfster- brengt aan de literatuur: de vrouw haar recht om te vallen teruggeven, haar wil om buiten al die voorspelbare saaiheid te leven zonder bijzondere motivatie daarvoor, zonder slachtofferschap, zonder oeverloos rekening te houden met anderen: met ‘pockethitlers’ (kinderen), werkgevers, de maatschappij, of gewoon ‘dingen’. En zie hier wat het oplevert, een prikkelend, levenslustig boek, vol liefde voor taal en de vrouw als vrij wezen. Het is iets geworden wat de herkenning makkelijk voorbijstreeft. Rakelings langs de waarheid over onze menselijke aard en tekortkomingen, recht op de afgrond af. Dronkenschap was nog nooit zo helder. ’Kansloos’ steekt in het boek zijn middelvinger op naar middelmatigheid, en dat is altijd goed!

Behalve dat het dus kansloos en zinloos is wat er in het narratief gebeurt, is het boek zelf een carrousel van zin. De zin wordt er gewoon bijgesleurd, bijgeschreeuwd. Mensen-met-hun-dit-en-dat proza. Er zal zin zijn, verdomme! Zin in borden gooien, scherven op het balkon, zin in van een berg af fietsen, zin in vieze oksels, zin in het gebrek aan zin demonstreren. De echte, scheppende zin is voor de hoofdpersoon verborgen en vormt zicht in de woorden die deze leegte beschrijven. ‘Gezichtsgreppels. Je oor met je haar ervoor. Bergen-Belsen in je boodschappenkar’. De stervende zonnebloem in haar kamer: ‘Zonnie B’.

Zelfdestructie doet niet veel voor je in het echt, wel in de literatuur. Maar het moet eerlijk zijn om te kunnen werken. Geloofwaardig. Het is knap als het lukt. Sommigen zeggen dat Stella Bergsma een makkelijk, plat en vrouwonvriendelijk verhaal heeft geschreven. Maar makkelijk is het in ieder geval niet. Het is veel moeilijker om een evocatief boek te schrijven zonder sympathieke hoofdpersoon dan een boek waarvan er elke week wel tien verschijnen: over iets ‘op waarheid gebaseerds’, over wat het nu goed doet (loverboys, biografieën van schuldgedreven mensen over hun vervelende babyboomouders, steriele voeding, samenzweringen), de zelfmoord van een BN’er of een ander emotioneel gevaarte dat meteen begrip eist en je aan het eind van het verhaal, in de schemer van je bedlampje, keihard in de steek laat. In Pussy Album krijg je ook veel te verstouwen, ja. Seks, piemels, geilheid, zonder een sprankje erotiek. Beschimmelde seks. Maar ik zou het vooral gedoe noemen. Gedoe waarvan je graag afscheid neemt als het uit is, maar zonder verontwaardiging. Juist omdat het je ongemakkelijk heeft gemaakt.

Waarom maakt het ons ongemakkelijk en waarom is dat goed? Waar het Eva in dit boek aan ontbreekt is de belofte aan het zelf om het ‘vanaf nu’ beter te doen, om het gat te dichten, om de devilish wil van het destructieve te breken. Eva komt niet dichter bij een redding (waar het in de meeste boeken voor vrouwen op uitdraait) dan het knipperende lichtje op haar antwoordapparaat. Is het haar moeder die haar wil redden, of iemand anders? Het lichtje komt steeds weer terug. Waarom neemt ze niet op, denk je op den duur. Neem nou op! Je wordt nieuwsgierig wie er nog om haar geeft. Het gebrek aan redding maakt je ongemakkelijk. Een beetje zoals in het echt dus.

Verder maakt de hoeveelheden die ze drinkt je ongemakkelijk. Je wilt de units graag bijhouden uit ontzag maar halverwege het boek beeld je het je al automatisch in. Je proeft bijna die zure rode wijn die ze ’s ochtends achterover slaat. Ugh. Of de vele biertjes, die ze gewoontegetrouw eerst even in de vriezer legt, terwijl ze alvast een andere drinkt, waarna ze naar de slijter gaat, over straat rinkelt, later de kroeg induikt, om daarna nog ergens een flesje wijn te drinken bij een iemand. Het is cynisme on steroïds. ‘Ik ben uit de dag geknipt en er scheef weer ingeplakt’. Maar het is goed. En grappig ook.

Je ziet een vrouw zelden woorden zo goed achter elkaar plakken. Elke zin werkt, elke observatie is glashelder. Neem ‘zelfde vierkant, andere dag’ als ze wakker wordt, of: ‘ik schop tegen de stoep. Ik heb zin om me te laten vallen en te blijven liggen tot ik ook een tegel ben’. Ook de verborgen resten van ‘de emotionele vrouw’ heeft Stella Bergsma er knap in verwerkt. Bijvoorbeeld het feit dat kapotte mensen een last zijn voor anderen. Eva valt tijdens het post bezorgen, een baantje waarvan je weet dat ze het kwijt gaat raken. Ze laat de onbezorgde poststukken (‘geen zin meer’) thuis slingeren. Een geslaagde metafoor voor hoe destructief we met anderen omgaan als we het zelf niet meer weten. Maar ook de keuze voor de naam ‘Raven’, de leerling waar ze verliefd op wordt en de schrijver Reve (waar ze aan denkt) zegt iets over haar binnenwereld. In The Raven van Edgar Allan Poe is de raaf de brenger van slecht nieuws, maar ook de oorzaak van de paranoia en de ontkenning van de verteller erin. Eva leeft in haar eigen ontkenning en vergetelheid en bij gebrek aan iets beters dwingt het je als lezer te kijken, naar háár. Voor dit doel ontdoet Stella Bergsma zichzelf van het stichtelijke comfort van de vrouw, zonder van Eva een man te maken. Hoe zou het ook kunnen met zo’n naam.