Levende legende Clint Eastwood maakte de film American Sniper over dode legende en scherpschutter Chris Kyle. En nu zitten we met een discussie over oorlogsverheerlijking.

Eerlijk gezegd hebben we geen discussie over oorlogsverheerlijking, maar een spervuur van emotionele aanklachten. Usual suspects van links en rechts Amerika bespugen elkaar met termen die in extremen beschreven kunnen worden als de oppositie tussen ‘nazi’ en ‘landverrader’.

Ik heb American Sniper gezien. Ik vind het een goede film. Ik vind Chris Kyle een held. Dus in de ogen van Michael Moore ben ik een crypto-nazi die kinderlijke bewondering opbrengt voor een slag strijders dat ‘mensen in de rug schiet en niet dapper is’. Dat vind ik niet zo aardig van Moore. Maar soit, Michael Moore is een ongelooflijke has-been. Een gek die ooit succes had met het verfilmen van complottheorieën.

Na enig doorlezen bleek echter dat ook Noam Chomsky kritiek had op American Sniper. Nou ja, ‘kritiek’. Wat betreft kritiek kan Chomsky geen maat houden: dat is doorgaans met gestrekt been vol op het orgel raggen. Maar Chomsky is een slechte opponent om te hebben. Hij heeft namelijk de nare eigenschap dat hij volgens bijna alle definities geniaal is. Iedereen die iets weet van taalfilosofie, taalkunde, wiskunde of computerwetenschap, wordt geconfronteerd met de alomtegenwoordige Chomsky. Zeggen dat hij zijn sporen heeft verdiend, is als een vierdaagse-medaille aan Chris Kyle uitreiken. Het drukt onvoldoende erkenning uit.

Dat betekent natuurlijk niet dat Chomsky altijd gelijk heeft (Einstein was immers ook overtuigd socialist), maar het betekent wel dat we naar hem moeten luisteren. Chomsky’s kritiek op Chris Kyle is niet heel precies, maar wat hij hem in ieder geval verwijt is zijn haat voor de vijand. Kyle schrijft in zijn autobiografie: ‘I hated the damn savages I’d been fighting’ en ‘Savage, despicable, evil — that’s what we were fighting in Iraq. That’s why a lot of people, myself included, called the enemy savages. There was really no other way to describe what we encountered there.’ Chomsky verwerpt deze mentaliteit en verbindt haar met nazisme.

Wat moeten we hier nu van vinden? Mij lijkt het dat Chomsky maatschappelijke moraal verwart met militaire praktijk. Hij zou wellicht graag zien dat soldaten in het veld op dezelfde min of meer beschaafde wijze met elkaar omgaan als opponenten in debat, maar dat miskent de aard van oorlog. We zouden kunnen zeggen dat Chomsky wat dat betreft niets te verwijten valt. In de meeste Westerse landen is het militaire wezen zoveel mogelijk aan het oog onttrokken. Bovendien maken oorlogshandelingen – de rauwe strijd zelf – nauwelijks nog deel uit van het collectieve geheugen. Wie verbaasd is om de wreedheid van oorlog, kunnen we volgens deze denktrant niets kwalijk nemen; ze konden het niet weten.

Helaas is dit onzin. Hoe we ook geprobeerd hebben onze samenleving in institutionele zin te zuiveren van militaire strijd, zeker sinds Saving Private Ryan (1998) haasten hele volksstammen zich naar bioscopen om steeds realistischer oorlogsfilms te bekijken. Wij weten daarom steeds beter hoe oorlog eruitziet, wat er omgaat in de mannen en vrouwen die vechten. Onderdeel van die kennis is dat we weten dat de vijand gedehumaniseerd wordt en dat haat tegen de vijand onderdeel is van de band die een groep strijders die verliezen lijdt, bijeen houdt. Wie daarnaast nog een beetje verder leest, weet ook dat een peloton dat mensen verliest er doorgaans op uit gaat om de doden te vergelden. En dat doden zelf wordt in sommige gevallen buitengewoon aangenaam. Het wordt beschreven als beter dan seks.

Daar kunnen wij van alles van vinden, maar dat is de realiteit van oorlog. Wij moeten erop toezien dat de wet ook in oorlogsgebieden zoveel mogelijk wordt nageleefd. Hoe knullig het ook klinkt, meer kunnen wij niet doen. Chomsky moet daarom niet zo verbaasd zijn: hij heeft de films gezien, die boeken gelezen en hij gaf zelfs aan geluidsbanden te hebben gehoord met de gesprekken tussen drone-piloten. Hij kan daarom niet werkelijk verbaasd of verontwaardigd zijn; het is de aard van oorlog die in American Sniper wordt gerepresenteerd. Er is niet zoiets als een beschaafde oorlog en Chomsky weet dat. Dat maakt zijn kritiek hypocriet. Als een vleeseter die doet alsof hij niet van het bestaan van de bio-industrie afweet.

De mentaliteit van militairen in oorlogsgebied bekritiseren, is zoiets als je beklagen over de bladeren aan de boom – ook zo’n onveranderlijk fact of life. En tegen bomen schreeuwen is niets voor Chomsky, dat is meer het niveau van Michael Moore.