Althans, volgens taaljournalist Gaston Dorren. Na het boek ‘Taaltoerisme’, waarin hij de vele talen die in Europa gesproken worden aan een grondig onderzoek onderwierp, is er nu ‘Vakantie in eigen taal’. Hierin neemt hij -u raadt het al- het Nederlands onder de loep.

0eigentaalDe titel van het werk lijkt direct afgeleid van zijn voorganger. Waar Taaltoerisme leuk bedacht was voor een boek dat de lezer over de grens meenam naar verre oorden en de bijbehorende talen en dialecten, daar is Vakantie in eigen taal ook een geinige vondst als je weet dat dit boek een opvolger is van dat uiterst succesvolle eerdere werk dat in het Engels verscheen als Lingo. Inderdaad, net zoals dat inmiddels ter ziele gegane tv-spel met die ballenbak waarin kandidaten naar hartenlust konden graaien. Wie echter nog nooit van Taaltoerisme heeft gehoord en toevallig Vakantie in eigen taal in de boekhandel ziet liggen, die vraagt zich misschien toch even af waar de titel op slaat. Immers, de omslag -in opvallende primaire kleuren en met een waterijsje op de voorkant- geeft wellicht de indruk dat het hier om een vrolijke zomerse pocket gaat die ‘iets’ met vakantie te maken heeft. Leuk om op het strand of terras te lezen. Nu is dat laatste zeker niet uitgesloten hoor, maar met vakantie heeft het boek verder weinig van doen; laat u daardoor dus zeker niet misleiden. Het boek is bedoeld voor mensen die ‘iets’ met taal hebben -en dan met name onze eigen taal, in dit specifieke geval. Taalliefhebbers, zo u wilt. Gaston Dorren, de auteur, verwoordt het in de inleiding als volgt:

Dit boek is geschreven voor iedereen die

-zich druk maakt over spelling en grammatica (in mijn geval: check!)

-zich soms afvraagt waar woorden vandaan komen (nogmaals: check!)

-de vele dialecten van het Nederlands wel intrigerend vindt (mwah, tot op zekere hoogte)

-meer van columns en verhalen over taal houdt dan van een taalkundig betoog ter lengte van een heel boek (tja, wie niet? Ik ben toch zeker geen taalgeleerde. Dus nogmaals: check!)

Drie keer een ja haalde mij in ieder geval over de streep. Al heel lang kan ik mij bijzonder druk maken over de soms alom aanwezige taalverloedering (denk aan mensen die niet weten of het ‘hij wordt’ of ‘hij word’ is, menukaarten die kinderijsjes met ‘verassing’ aanbieden en kreten als ‘meisje die’) dus ik was zeer benieuwd wat taaljournalist Gaston Dorren te vertellen had. Op de achterflap belooft hij dat hij in zal gaan op de meest uiteenlopende taalkundige zaken, variërend van het ontstaan van ‘gniffelwoorden’ (zoals ‘wippen’ en ‘doos’) en de zin en onzin van de puntkomma tot de vraag of we in de toekomst allemaal ‘de boek’ zullen zeggen (god verhoede!) en wat er eigenlijk mis is met het dialect van Amersfoort. Kortom, een veelzijdig werkje, dit Vakantie in eigen taal. Zijn eigen verklaring voor deze titel volgt ook nog in het voorwoord, want hij vertelt dat hij in Taaltoerisme de ideale lezer vergeleek met een vakantievierder; iemand die belangstelling heeft voor de wereld, maar niet in een ijverige of ambitieuze stemming verkeert. (Mijns inziens schat hij de gemiddelde toerist dan nog behoorlijk hoog in, maar goed…) Hetzelfde geldt volgens Dorren voor zijn nieuwe boek, dat een bundel is van korte en iets langere stukken (columns) waarvan een groot deel al eerder online is verschenen op zijn blogs of te lezen was in tijdschriften, waaronder het maandblad Onze Taal. Het zijn stuk voor stuk artikelen die in principe ‘even snel tussendoor’ gelezen kunnen worden en die niet al te veel concentratie vereisen; kortom, ideaal voor toeristen die op reis willen door de eigen taal. Tja, zo kun je het ook bekijken natuurlijk.

Waarschuwing

Laat één ding duidelijk zijn: een grote en brede interesse in de Nederlandse taal is -ondanks dat verhaal over die gemakzuchtige toeristen die geen zin hebben om zich bovenmatig in te spannen- absoluut een vereiste voor degene die besluit om dit boek in zijn (al dan niet virtuele) winkelmandje te gooien. Tenzij het een cadeautje is uiteraard, maar weet dan goed wie u gaat verblijden met deze titel. De auteur mag dan zijn best doen om -met veel humor en plezier- voor een zo breed mogelijk publiek te schrijven, hij ontkomt niet aan een soms nogal uitvoerige en zeer gedetailleerde uitleg omtrent bepaalde zaken -dus een lezer die het allemaal wel gelooft met dat Nederlands, die komt niet ver in dit werk vol uitgebreide taalkundige lesjes. Gelukkig mag het Nederlands zich tegenwoordig verheugen op de nodige aandacht en er zijn de laatste paar jaar dan ook wel meer boeken verschenen die zich op de een of andere manier met dit fenomeen bezighouden. Wat dacht u van de populaire boeken van Paulien Cornelisse, die met Taal is zeg maar echt mijn ding en de opvolger En dan nog iets regelrecht in de bestsellerlijsten terecht kwam? Haar analyses van ons taalgebruik wisten honderdduizenden lezers te bekoren; ongetwijfeld bijna allemaal hardcore DWDD-kijkers, waar ze regelmatig aan mocht aanschuiven om haar werk te promoten. Niet dat ik haar prestaties daarmee tekort wil doen hoor, maar al die publiciteit heeft haar vast geen windeieren gelegd.

Meisje die

Vakantie in eigen taal is uitstekend leesvoer voor de iets meer doorgewinterde taalpurist die zich druk kan maken om eigenaardige schrijftaboes die volgens Gaston Dorren allang achterhaald (hadden moeten) zijn, om -al dan niet terecht- uitstervende naamvallen, om het gebruik van het opmerkelijke woordje ‘af’, om het onzijdige lidwoord ‘het’ dat aan het verdwijnen is ten faveure van ‘de’, om de Nederlandse tremaregels (die niet deugen!) en de soms nogal uitgesproken namen -zoals Lidwien (betekent: ‘volksvriendin’) en Rutger (oftewel: ‘roemvolle speer’)- die onze voorouders aan hun kinderen gaven. Het boek, dat is onderverdeeld in de vijf hoofstukken Schrijven en lezen, Woorden, Spraakkunst, Klanken en Meer dan Nederlands, probeert een balans te vinden tussen vermaak en wetenschap en slaagt daar over het algemeen aardig in. Meerdere malen echter neemt de auteur een nogal boude stelling in die voornamelijk op gevoel of gewoonte is gebaseerd is en lijkt hij zich daarmee haast aan de kant te scharen van diegenen die het niet zo nauw nemen met de taal. Niet dat ik alle wijsheid in pacht heb (jazeker, ook ik maak fouten hoor) maar het is soms ronduit schokkend om te lezen hoe onze Gaston denkt over bepaalde vormen van taalverloedering.

Bijvoorbeeld in het heikele geval van ‘meisje die’. Of ‘jongetje die’, nichtje die’, ‘zusje die’ -enfin, u begrijpt het wel. De klassieke grammatica schrijft natuurlijk ‘meisje dat’ voor (en zo hoort het ook!), maar -zo redeneert Dorren- als de begrippen duidelijk een geslacht hebben, dan hoort daar voor ons hedendaagse taalgevoel het betrekkelijk voornaamwoord ‘die’ bij. Eh, pardon? Nee, nee en nogmaals nee! Hier haakte ik toch bijna af hoor. Het is gewoon ‘meisje dat’, punt uit, wat dat ‘hedendaagse taalgevoel’ ook moge beweren. Ja, ik weet het; ik voer een achterhoedegevecht dat waarschijnlijk al zo goed als verloren is (volgens Gaston althans) maar toch blijf ik stug volhouden. Een ander voorbeeld is ‘hun hebben’. Dorren geeft aan dat daar qua verdraagzaamheid zijn grens wel zo ongeveer ligt, maar dat hij zich desondanks voorgenomen heeft om -tijdens zijn werk als eindredacteur- zich voortaan zo min mogelijk te irriteren aan mensen die ‘hun hebben’ gebruiken. Omdat dat in sommige gevallen helderder zou zijn. Alsjeblieft zeg. Oh, en voor degenen die nu vallen over ‘irriteren aan’: ook dát mag van de auteur. Immers, als ‘zich ergeren’ een keurig wederkerend werkwoord is, waarom zou ‘zich irriteren’ dat dan niet zijn?

Het p-boek

Nee, Gaston Dorren en ik zijn het lang niet altijd eens. Toch vond ik Vakantie in eigen taal bijzonder vermakelijk om te lezen, want het zit vol intrigerende kwesties die met de nodige vaart, humor en kennis van zaken onder de aandacht worden gebracht; of het nou om de spelling, herkomst, betekenis of toekomst van de Nederlandse taal gaat. Mijn favoriet is het stukje Het p-boek komt eraan!, waarin hij -in een toekomstige wereld waarin de zielloze e-reader de norm is geworden- een nieuwe trend aankondigt, namelijk het p-boek; juist, een boek van papier. Heel leuk om te lezen. Net zoals de oplossing die hij heeft gevonden voor de onzichtbaarheid van e-boeken, die hij vergelijkt met verdampte p-boeken. Voor op vakantie mogen ze dan misschien handig zijn, boeken die je leest op je tablet (hoef je niet zo te sjouwen), maar geloof me; Vakantie in eigen taal is een heerlijk lichte pocket die zó mee kan in de koffer. Weegt bijna niks. Ideaal dus voor de toerist, waar je ook heen gaat dit jaar. Het Groot Dictee der Nederlandse Taal zal je er niet gelijk mee gaan winnen (dat is eigenlijk één grote opsomming van zoveel mogelijk onzinnige woorden in de meest idiote zinnen) maar bij thuiskomst ben je in ieder geval weer helemaal op de hoogte van alles wat er mooi, gek en fout is aan ons Nederlands.