De huidige opzet van het onderwijs in Nederland en de Westerse wereld zorgt ervoor dat de samenleving uit elkaar valt en de vrijheid van burgers gevaar loopt. Het is tijd voor een verandering, we moeten leerlingen ook moreel vormen. De vrije samenleving staat namelijk op het spel.

Het Nederlandse onderwijs heeft decennialang geleden onder hervormers die dachten dat ze het beter wisten. Daardoor spreekt zelfs de gemiddelde gymnasiast geen fatsoenlijk Frans en begint een betastudie met een bijspijkercursus wiskunde. De afkalvende talenkennis zou slecht zijn voor onze exportpositie en de verminderde wiskundige vaardigheden leiden ertoe dat landen als Zuid-Korea ‘ons inhalen’. Op die argumenten is wel het een en ander aan te merken, maar hun gelijkenis is veelzeggend: het uitkleden van ons onderwijs heeft vooral negatieve economische gevolgen.

Het is een typisch voorbeeld van hoe we onderwijs zijn gaan zien: als de overdracht van instrumentele kennis. De afgelopen vijftig jaar hebben leerlingen vooral epistemische feiten en vaardigheden aangeleerd. Nu ook kennis van deze feiten en vaardigheden richting ongewenste dieptes dondert, moeten economische argumenten het tij keren. En dat terwijl economische consequenties echt niet het grootste gevaar zijn dat door het huidige onderwijs wordt gecreëerd.

De prijs van de vrije samenleving

Het is schitterend dat we door het aanleren van instrumentele kennis allemaal accountmanager kunnen worden, maar we worden er geen goede burgers van. Soit, we kunnen ons afvragen wat we aan ‘goede burgers’ hebben. Zijn dat mensen die keurig D66 stemmen, hun straat sneeuwvrij vegen en beleefd groeten? Wellicht, maar het gaat wel iets verder dan dat: u en ik zijn van goede burgers afhankelijk voor onze individuele vrijheid. We zijn alleen vrij in een samenleving die ons erkent vrij te zijn. Morele vorming, acceptatie van de rechtsstaat en daadwerkelijk fatsoenlijke omgang met elkaar is daarvoor een voorwaarde.

Dat vraagt om wat uitleg. Samenleving en vrijheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Mensen die graag onvrije slachtoffers van de samenleving zien, volgen vaak Rousseau en de zijnen. Ze construeren een vals dilemma tussen individuele vrijheid en de samenleving die haar beperkt. Rousseau verklaart de mens vrij, maar ziet hem overal geketend door wetten, instituten en andere mensen. Het idee is dat als je al die beperkingen wegneemt, je een mens overhoudt die geweldig goed gezelschap is en een aardig potje schaak speelt ook. Gelukkig is er voor al deze dwaallichten de altijd verlichtende Hegel.

Instituten, wetten, morele discipline en andere mensen zijn niet de vijanden van onze vrijheid, maar zijn er onderdeel van. In een samenleving waarin alle ketens van Rousseau zijn weggenomen, is het ieder voor zich. Het is een strijd op leven en dood om voedsel, vrouwen en wodka. Die strijd houdt pas op als de sterkste de rest heeft afgemaakt, of, en dat is waar Hegel ons brengt, er sprake is van wederzijdse erkenning. De prijs van vrijheid is wederkerigheid: we geven de ander rechten en vrijheden, opdat wij zelf rechten en vrijheden kunnen genieten. Voor individuele vrijheid in gemeenschap zijn dus wetten en grenzen nodig die ons en anderen die vrijheid verschaffen.

Deze sterk versimpelde weergave van Hegels complexe argumenten moet de brug tussen morele vorming en vrijheid duidelijk maken. Burgers die aldus gevormd zijn, accepteren elkaars individuele vrijheid. Het vraagt morele discipline, doorzettingsvermogen, inschikkelijkheid en daadwerkelijke erkenning van de ander om zelf vrij te zijn. Samenleven is hard werken namelijk.

We zouden dus mogen verwachten dat jonge mensen worden opgeleid om deel te nemen aan onze vrije samenleving en daarom getraind worden in deze karaktertrekken. Niets is helaas minder waar: ons postmodern gepolitiseerde onderwijs leert jonge mensen dat alle morele waarden arbitrair zijn, alle wetten slechts contingente afspraken en waarheid dood en irrelevant is.

Het monster van absolute vrijheid

Het is tijd om terug te keren naar de millennia oude traditie van karaktervorming in scholen – voor de twintigste eeuw was een opleiding zonder morele vorming ondenkbaar. Karakter-onderwijs is het idee dat leerlingen door hun docenten worden opgeleid in geestelijke veerkracht en doorzettingsvermogen, moreel besef en ethische denkkaders. Daarnaast, of daarmee geïntegreerd, geldt natuurlijk het gewoonlijke curriculum van meer epistemische kennis.

De negentiende-eeuwse dichter Matthew Arnold vatte de kerntaak van onderwijs uitstekend samen. De vorming van een kind of jong mens is idealiter het overbrengen van ‘the best that has been thought and said’. Daar lachen de meeste mensen tegenwoordig om. Dat is te wijten aan de kanker van het relativisme. De suggestieve vraag wie bepaalt wat het beste is, wordt standaard gepareerd met het extreem subjectificeren van waarheid. ‘Dat is hun waarheid’, ‘Dat is jouw waarheid’, ‘Dit is mijn waarheid’. Alleen bijna onmenselijke morele discipline weerhoudt ons ervan deze opzettelijk luie denkers voor hun kanis te knallen.

Het onfortuinlijke voordeel van de anti-postmodernen, is dat de werkelijkheid vaak aan hun kant staat. Het instrumentaliseren en relativeren van kennis en waarden heeft desastreuze gevolgen gehad voor de samenleving en onze vrijheden. Dat is het gemakkelijkst waarneembaar in Groot-Brittannië, een lichtend voorbeeld voor de policor-wereld. Wie ook maar een enkel essay van Theodore Dalrymple heeft gelezen, kent de staat waarin de onderklasse van Groot-Brittannië zich bevindt. Op hun eiland predikt de intellectuele elite al decennia dat er geen morele waarheden zijn, dat het bewijs daarvoor gelegen is in de contrasterende waardenstelsels van andere culturen, dat er daarenboven geen ideale staatsvorm is en dat vrijheid een door discipline en regels afgeknepen illusie is. De merkwaardige conclusie die uit deze sombere stellingen wordt afgeleid, is dat ‘dus’ een morele en ethische laissez-faire-maatschappij logisch en wenselijk is. Alsof je zegt dat reuzel en hertenbiefstuk niet kwalitatief van elkaar verschillen, omdat beide eetbaar zijn.

Dat klinkt allemaal als prachtige theorie, maar hoe ziet dat er in de praktijk uit? Welnu, ook dat zien we in Groot-Brittannië in zijn meest donkere verschijningsvorm. Neem het voorbeeld van de shariarechtbanken. Doordat de samenleving als onbelangrijk voor individuele vrijheid wordt gezien (en soms zelfs als nationalistisch en daarmee onvermijdelijk tot racistisch construct), zijn mensen niet langer geïnteresseerd in andere mensen. Daardoor ontstaan parallelle samenlevingen waarin iedereen, murw door moreel relativisme, het lekker voor zichzelf mag uitzoeken. Op zichzelf betrokken gemeenschappen, onttrekken zich op deze manier aan de morele en rechtsstatelijke orde die een voorwaarde voor individuele vrijheid is. Ze gaan in eigen kring recht spreken, waarmee ze de individuele vrijheid van hen over wie recht wordt gesproken, zwaar aantasten. Het concurrerende islamitische waardenstelsel krijgt een plek naast het Westerse waardenstelsel waarvan onze vrijheid afhankelijk is. In sommige wijken bestaat de traditionele Westerse individuele vrijheid dan ook niet meer, opgegeven in een moreel relativisme dat uitmondt in het recht van de sterkste. Of het recht van degenen die het hardst roepen slachtoffer te zijn.

Karakter in het curriculum

Om deze schade te repareren is morele vorming nodig. Individuele vrijheid wordt niet gebouwd op het drijfzand van relativisme. Daarom moeten leerlingen getraind worden in de karaktertrekken die nodig zijn om in vrijheid te kunnen leven. We moeten mogen zeggen wat goed en fout is, dat het moeite en veerkracht en doorzettingsvermogen vraagt om samen te leven.

Daarom woedt er in Groot-Brittannië een hevig debat over het hoe en waarom van karaktervorming in het curriculum. We hebben geleerd van het enkel overbrengen van instrumentele kennis. Het is schitterend dat een meerderheid daardoor een baan vindt, maar voor minder bevoorrechte groepen is het niet voldoende. Of voor het ethische besef van sommige bankiers, laat dat ook gezegd zijn. Een waarde(n)loze opleiding heeft gevaarlijke sociale consequenties, die uiteindelijk iedereen, ook de accountmanagers, in hun persoonlijke vrijheid raken.

Die boodschap moeten we in Nederland oppikken. Het is goed als op scholen antwoord wordt gegeven op de vraag: hoe moet ik leven? We kunnen het ons niet permitteren dergelijke vragen en hun antwoorden weg te wuiven als paternalistisch, seksistisch, racistisch en in het algemeen onderdrukkend; niet als we de vrije samenleving willen bewaken.

Er is wel een waarschuwing op zijn plaats. Morele vorming in het onderwijs zal een beweging van onderaf moeten zijn. Bescheiden initiatieven, zoals de Floreat-scholen in Groot-Brittannië, kunnen aantonen dat hun methode en hun curriculaire uitbreiding werkt. Dat zal jaren duren, maar het is wel de veiligste manier. Er moet over karakter in het curriculum worden nagedacht, maar we kunnen het niet nu per ministerieel decreet introduceren op scholen. Daarvoor is het nog te vroeg. Als we jonge mensen nu in contact brengen met ethiek, leren ze vooral relativistische diarree. Op de vraag hoe te leven, krijgen ze een keur aan ‘gelijkwaardige’ antwoorden, waarvan een meerderheid wordt ingeleid met ‘in andere culturen’ of gelardeerd met zinsneden als ‘dat is niet absoluut’. Van los zand bouw je geen huis, je moet stenen hebben. Als we te vroeg beginnen, delen we uiteindelijk alsnog diploma’s uit aan zogenaamd ‘fatsoenlijke’ mensen. Daar hebben we er al te veel van; daarvoor is het voortbestaan van onze vrijheid te onzeker.

Beeld: still uit The Breakfast Club, Youtube