Twee jaar geleden verscheen de bundel Vrij gemaakt, waarin dertigers zich uitspraken over hun streng-christelijke jeugd in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Ewout Klei was één van deze auteurs. Als kerstverhaal, speciaal voor Jalta, hier de ongecensureerde eerste versie, die met het reviaanse einde. Inmiddels denkt Ewout Klei wel wat milder over zijn vrijgemaakte jeugd. Maar hij moest dit van zich afschrijven.
Vraag: Wat is de predestinatieleer?
Antwoord: Heel simpel. De predestinatieleer, ook wel uitverkiezingsleer genoemd, houdt in dat God van te voren heeft besloten wie Hij heeft uitverkoren en wie niet, ‘gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Esau heb Ik gehaat.’ (Romeinen 9:13 NBG) Dit betekent dus dat Johannes, Klaas en Mees zijn uitverkoren, maar Hans, Joop, Mohammed en een heleboel anderen niet. Helaas pindakaas.
Vraag: Maar hoe valt deze predestinatieleer eigenlijk te rijmen met Gods goedheid?
Antwoord: Heel simpel. God is almachtig, dus Hij bepaalt ook wat goed en fout is. De uitverkiezing is dus goed. Wij nietige mensen mogen niet over God oordelen. God oordeelt alleen. Wij mogen aan God en Zijn Woord niet twijfelen.
Vraag: En hoe weet je dan dat dit Woord, de Bijbel, waar is?
Antwoord: Heel simpel. Dat staat ook in Bijbel. (2 Tim. 3:16; 2 Petrus 1:26 NBG)
Vraag: En stel, wat als ik de Bijbel grote onzin vind en de God van de predestinatieleer tiranniek, en mij niet door drogredeneringen en autoriteitsargumenten laat overtuigen?
Antwoord: Heel simpel. Dan roept u door uw volharding Gods eeuwige haat (die hij overigens al voor u had in het begin der tijden) over u af. U zult dan voor eeuwig branden in de hel: ‘en hij zal hem folteren en hem in het lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars.’ (Mattheüs 24:51 NBG)
Conformisme en opportunisme
OK, ik geef toe, bovenstaande uiteenzetting over de predestinatieleer is wellicht een beetje karikaturaal en simplistisch. Maar in de essentie is dit wel wat ik tussen mijn twaalfde en achttiende heb opgepikt tijdens mijn catechisatie-uurtjes.
Catechisatie. Wat had ik er een pest aan. Elke dinsdagavond, van half acht tot half negen, moest ik catechisatielessen volgen om zo te worden onderwezen in de ware leer van de kerk. Zelf nadenken was twijfelen en twijfelen mocht niet. De haat die ik jarenlang koesterde tegen het instituut kerk en tegen de liefdeloze God van de predestinatieleer en zijn profeten Paulus en Calvijn is hier ontstaan. En ook mijn hartgrondige afkeer van christelijke drogredeneringen en autoriteitsargumenten. Die verschrikkelijke kromme manier van redeneren die geen rekening houdt met de logica en de menselijke waardigheid. Dat homoseksualiteit niet mag omdat dat in de Bijbel staat. Dat homo’s daarom hun leven lang single moeten blijven en aan onthouding moeten doen. Dat je op het Gereformeerd Politiek Verbond (en na 2000 ChristenUnie) moet stemmen, omdat deze partij tegen homohuwelijk, de abortus en de euthanasie is. Dat de politiek op die manier gereduceerd wordt tot een set van orthodox-christelijke normen en waarden die aan de rest van Nederland moest worden opgelegd. Dat democratie (volkssoevereiniteit!) eigenlijk verkeerd is omdat Groen van Prinsterer dit heeft gezegd, en hij heeft net als Calvijn en God altijd gelijk. Wat haatte ik dit alles. En dat doe ik soms nog steeds.
Hoe hield ik het dan toch tot mijn dertigste vol in die vrijgemaakte kerk? Heel simpel. Ik deed het eerst uit conformisme en later uit opportunisme.
Op mijn middelbare school, het Greijdanus College te Zwolle, durfde ik niet hardop te twijfelen. Ik was bang dat ik apart zou genomen worden door de leraar die dan op mij in zou praten, dat mijn ouders van de school een bezorgde brief thuisgestuurd kregen, dat de dominee en de ouderlingen op de stoep kwamen; kortom dat alle gereformeerde ‘gezagsdragers’ uit mijn nabije omgeving mij wilden ‘vermanen’, om op die manier het kritische denken uit mij te slaan. Omdat ik als de dood ben om vernederd te worden (daar is de kerk heel goed in, je bent namelijk als mens geneigd tot alle kwaad) hield ik wijselijk mijn mond. Mijn opstandige ik snakte echter naar vrijheid.
George Orwell
In 1999 ging ik naar Groningen om daar aan de universiteit geschiedenis te studeren. Geschiedenis is de mooiste wetenschap in ons universum. Het was voor mij een soort thuiskomen. Van de 200 eerstejaars waren er zo’n 150 (zo bleek uit handopsteken) net als ik verslaafd aan het computerspelletje Civilization (waar je een wereldrijk moet opbouwen die de tand des tijds moet kunnen doorstaan, erg goed voor je algemene ontwikkeling ook, zo ken ik Nicollò Machiavelli dankzij dit spel). Zoiets schept een band.
In de ruim vier jaar dat ik in Groningen studeerde (mijn scriptie liep een beetje uit, ik blijf een calvinist die zich geroepen voelt om zich hiervoor te verantwoorden) verbreedde ik mijn horizon enorm. Ik las alles wat los en vast zat. Veel geschiedenisboeken, maar ook veel filosofie en moderne literatuur. Mijn grote held werd George Orwell, vanwege zijn boeken Homage to Catalonia, Animal Farm en natuurlijk 1984. Orwell keerde zich tegen het totalitarisme van het nationaalsocialisme en vooral het communisme. Volgens Orwell wilde de totalitaire staat niet alleen de vrijheid van meningsuiting aan banden leggen, maar de vrijheid van het denken zelf. Dit gebeurt onder andere door middel van ‘dubbeldenken’, een mentaal mechanisme dat mensen in staat stelt oprecht en tegelijkertijd twee volkomen tegengestelde ideeën te geloven zonder die tegenstelling als problematisch te ervaren (war = peace, freedom = slavery, ignorance = strenght). Winston, hoofdpersoon uit 1984, komt in verzet tegen het systeem in naam van de menselijke vrijheid en waardigheid, maar delft uiteindelijk toch het onderspit. ‘He loved Big Brother.’ is de deprimerende laatste zin uit het boek. Het systeem vernietigt Winston niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk. Het was voor mij extra motivatie om als vrijgemaakte Winston de God van de predestinatieleer met nog meer passie haten.
Haat en liefde zijn emoties die dicht bij elkaar liggen. ‘Les extrêmes se touchent’ luidt het Franse gezegde niet voor niets. In 2001, twee jaar nadat ik met mijn studie was aangevangen, besloot ik alsnog om lid te worden van de Gereformeerde Studentenvereniging. Misschien raakte ik, in gesprek met andere intellectuele gelijkgestemden, toch overtuigd van de waarheid van het christelijke geloof. Ik wilde God liefhebben en deed een dappere poging.
Hormonenclub
De GSV was één grote hormonenclub. Iedereen was totaal geobsedeerd door seks. Dat ik menselijk al te menselijk was dat wist ik natuurlijk van mijzelf, maar dat vrome ‘medechristenen’ dat ook waren was voor mij een cultuurshock. Juist die mensen die zo gepassioneerd preekten tegen seks voor het huwelijk waren geobsedeerd. Wat werden er toch veel Bijbelstudies over dit onderwerp gehouden. De enige platonische date die ik met een dame van de studentenvereniging heb gehad eindigde ook met een lange zedenpreek van haar tegen seks voor het huwelijk. Terwijl ik het nog helemaal niet met haar over seks had gehad en er ook geen impliciete grapjes over had gemaakt. Natuurlijk dacht ik er wel de hele tijd aan om haar keihard te nemen op haar keukentafel, maar die gedachte hield ik fatsoenshalve maar voor me. Volgens haar deed iedereen het tegenwoordig met elkaar en de mensen die het deden werden bovendien steeds jonger. Sodom en Gomorra. Ik had helemaal geen zin in dit gesprek en probeerde voorzichtig van onderwerp te switchen, maar dat mocht niet. Ik moest gehoorzaam wachten totdat haar donderpreek was afgelopen. Toen ik die avond naar huis ging sloeg de twijfel toe. Meende ze wel wat ze tegen mij zei? Of wilde ze gewoon stiekem keihard op de keukentafel genomen worden omdat ze dacht dat haar preek mij ontzettend opwond? Ik wist dat ik het haar niet kon vragen. Ik hield mijzelf maar voor dat ze het stiekem wel wilde maar dat haar onnatuurlijke gereformeerde moraal haar tegenhield, zodat ik mij niet al te erg afgewezen voelde. Er kwam namelijk geen tweede date. Ik was te weinig christelijk volgens haar. Ik had eerder die avond misschien beter niet over Also sprach Zarathustra moeten beginnen.
Nauw met het onderwerp ‘seks’ hing het onderwerp ‘evangelisch’ samen. Althans zo was het in mijn beleving dan. Evangelische meisjes vond ik woest aantrekkelijk. Ze waren zo onschuldig en zo puur, op blote voeten in hun witte doopjurkjes tijdens de overdoop, of kreunend en zwaaiend met één hand in de lucht tijdens het zingen van opwekkingsliedjes als ‘Heer, ik kom tot U’. Ze waren als de engelen. Wie wil er geen engelenverschijning in zijn slaapkamer?
Natuurlijk ben ik niet evangelisch geworden. De evangelische leer vond ik mogelijk nog erger dan de vrijgemaakte. Wellicht kwam dit omdat alle evangelischen die ik kende ex-vrijgemaakten waren. Later ben ik ook ‘normale’ evangelischen tegenkomen. Die zijn minder gefrustreerd en daarom veel liever. Ex-vrijgemaakte evangelischen zijn verschrikkelijk onverdraagzaam. Ze hebben de vrijgemaakte dogma’s ingeruild voor evangelische dogma’s, die ze op een even fundamentalistische manier verdedigen. Zo was ik geen goed christen omdat ik mij niet had bekeerd. Met malligheden als bevrijdingspastoraat, gebedsgenezing en tongentaal had ik ook helemaal niets. Vrijgemaakten die vrijgemaakt zijn gebleven hebben, ondanks hun rigide vasthouden aan een mijns inziens totalitair dogmatisch systeem, nog een beetje gezond verstand en rationalisme bewaard. Evangelische vrijgemaakten zijn dogmatisch en irrationalistisch. Ik vind dat een gevaarlijke combinatie.
Alles of niets
Dan mijn opportunisme. Na mijn studie geschiedenis kreeg ik een baan als aio, assistent in opleiding, aan de Theologische Universiteit Kampen (Broederweg). Ik ben daar vier jaar bezig geweest met de geschiedenis van het GPV. Het was een bijzonder boeiend onderzoek om te doen, met name omdat ik daardoor nog beter mijn religieuze achtergrond leerde te begrijpen. Voor mijn baan moest ik echter vrijgemaakt zijn. Het is een idiote regel, achterhaald en achterbaks ook omdat er met de gewetensvrijheid van werknemers geen rekening wordt gehouden, maar ik heb mij hieraan geconformeerd. Hoewel ik gedurende mijn betrekking niet zo meer in God geloofde heb ik, omdat ik net als op de middelbare school geen zin in vernederd gedoe had, de schijn maar opgehouden.
Het voordeel van mijn promotieonderzoek was dat ik, omdat ik mij met een geschiedenisonderwerp bezig hield, nauwelijks last had van de gereformeerde leer. Ik deed geen uitspraken over de waarheid van de Bijbel, de catechismus of andere leerstellingen. Het ging mij er alleen maar om hoe vrijgemaakten geloofden en dit geloof toepasten in de politiek. Hun persoonlijke geloof was daarvoor niet relevant, alleen misschien bij de emotionele GPV-leider Pieter Jongeling, maar wel de dogma’s en de regeltjes. Voor sommige mensen uit mijn proefschrift, Klaas Schilder, Jochem Douma, Pieter Jongeling, Bart Verbrugh, Gert Schutte en ook Jaap Kamphuis (en niet alleen omdat hij de grootvader van mijn goede vriend Lammert Kamphuis is) heb ik bovendien een zekere sympathie ontwikkeld. Natuurlijk, ze zaten allemaal vast in een star geloofssysteem, maar ze hebben er allemaal wel hun eigen kleur aan gegeven. Ik had natuurlijk veel liever gehad dat ze dit systeem an sich ter discussie hadden gesteld zodat we er helemaal vanaf waren, maar zoiets is verdomd moeilijk als je hierin bent opgegroeid, al je familieleden en vrienden en de mensen die je kent in dit systeem zitten, dat je je eigenlijk niet aan dit systeem kunt onttrekken. Niet alleen Big Brother maar de hele vrijgemaakte minisamenleving keek naar je.
Tegenwoordig is dit allemaal anders geworden. Het GPV bestaat niet meer, de kerk kampt met evangelische invloeden en ik heb vaag begrepen dat er misschien vrouwen op de kansel kunnen komen straks, wat natuurlijk in strijd is met de orthodoxe interpretatie van de Bijbel. Ik vermoed, het is echt heel cynisch maar daarom denk ik niet onwaar, dat de kerk alleen toekomst heeft als ze weer aartsconservatief wordt net als vroeger. Dus zich verdedigt met autoriteitsargumenten en waarschuwt voor de hel. Angst houdt de kudde immers bijeen, angst voor de buitenwereld en angst voor een God die opstandige geesten straft. De basis werd onder het GPV weggeslagen toen de kerk veranderde. Als de vrijgemaakten gewoon echt vrijgemaakt waren gebleven – dus ‘één kerk, één zuil en één waarheid’ – dan bestond het GPV nog en waren de kerkbanken een stuk voller. Natuurlijk is dit een speculatie van mij, maar ik denk dat softheid tot leegloop leidt. De vrijgemaakte kerk is begonnen als een keiharde kerk, een kerk die niet voor mietjes is. Het is gewoon ‘alles of niets’.
Mijn promotie verliep niet geheel vlekkeloos. Er was wat gedoe over mijn D66-lidmaatschap en tijdens de promotie las ik per ongeluk (echt waar) nog een keer het gebed voor dat de rector net had uitgesproken. Maar ik overleefde het en mocht mij doctor in de theologie noemen. Als ware Jacob schreef ik mij pas uit als lid van de vrijgemaakte kerk van Kampen-Zuid toen alles achter de rug was, de dag na mijn promotie. Door toeval (of was het stiekem toch leiding?) belandde mijn mail in de spambox en was ik pas een half jaar later officieel uitgeschreven. Een ouderling belde mij op en vroeg mij of ik nog behoefte had aan een heus ouderlingenbezoek. Dat heb ik natuurlijk afgewimpeld. Ik verbaasde er mij achteraf nog over hoe netjes ik was. In mijn brief aan de kerkenraad ben ik zo summier mogelijk geweest omdat ik geen zin in een discussie had. Ik had intellectueel gezien al jaren geleden afstand van het gereformeerde geloof genomen. Ik zei nog tegen de ouderling die ik aan de telefoon had men zich vooral niet schuldig moest voelen. Het lag niet aan de plaatselijke kerk dat ik vertrok. Ik zei zelfs dat ze zich over mijn zielenheil geen zorgen hoefden te maken, omdat ik ‘belangstellende’ was geworden van de Remonstranten in Zwolle. Dat dit de meest vrijblijvende manier is om aan een kerk verbonden te zijn vertelde ik er niet bij, ik had absoluut geen zin in een discussie, en was opgelucht toen het gesprek was afgelopen.
Een Engel in een witte jurk
De vrijgemaakte kerk en de vrijgemaakte wereld hebben mijn leven erg bepaald. In reactie op het drukkende intellectuele klimaat ben ik een vrijdenker geworden met een diepe afkeer voor autoriteit en dogma’s. Helemaal eerlijk ben ik niet geweest. Ik had misschien veel eerder met de kerk moeten stoppen. Als ik eerder was gestopt was ik wellicht een stuk minder hatelijk geworden. Maar wellicht heelt de tijd de wonden. Ik vind christenen nu een stuk liever dan vroeger. Ook vrijgemaakten.
En hoe zit het nu met God? Tja. De angst dat het allemaal toch klopt, dat ‘ze’ toch gelijk hebben, die heb ik niet meer. De God waarin ik geloofde, de God van uitverkiezing in hel, bestaat niet. En als deze God wel bestaat heb ik pech, want ik kan in geen eeuwigheid van hem houden. Of er überhaupt een God bestaat? Dat weet ik niet. Het zou kunnen. Het lijkt mij niet waarschijnlijk, maar ik sta er open voor. Ik bid dat God een Zij is, een prachtige Engel in een witte jurk. Na een gepassioneerd gesprek over de zin van het bestaan, de vraag naar het lijden en of er zoiets bestaat als verlossing, til ik Haar op en zet haar neer op de keukentafel…
En hij had God lief.

Maar goed voor Ewout dat wij inmiddels van de brandstapel zijn verlost….
Fantastisch verhaal en heel herkenbaar! Dank voor het delen ervan!
Interessant omdat ik ben opgegroeid als Katholiek geen idee had hoe verstikkend het Gereformeerde geloof is.
Al hoewel ik op 15 jarige leeftijd er uit gestapt ben zonder problemen.
Ik ontdekte de Evolutie wat veel verklaarde.
Relition is the root of all evil als je geschiedenis kent.
Religion bedoel ik. De tekst is zo onduidelijk als je aan het tikken ben dat het bijna onzichtbaar is.