Doodsportretten, oftewel foto’s van overledenen, zijn geen pretje om naar te kijken. Zeker niet als het om kinderen gaat. Toch kunnen ze een essentieel deel van de rouwverwerking zijn. Gelukkig dus maar dat de post-mortemfotografie, een in onbruik geraakte traditie, bezig is met een comeback.

Affiche-PM_320pxIn Uitvaartmuseum Tot Zover in Amsterdam, gelegen naast de hoofdingang van begraafplaats De Nieuwe Ooster in de Watergraafsmeer, is nog t/m 10 april de tentoonstelling Post Mortem – Foto’s vol liefde en verdriet te zien. Een ervaring die de gemiddelde bezoeker niet onberoerd zal laten. Allereerst moet je er natuurlijk maar zin in hebben: in je vrije tijd een begraafplaats bezoeken om daar in een sombere setting naar foto’s van overledenen te gaan kijken. Er zijn leukere uitjes te bedenken. Maar aangezien de dood nou eenmaal een onderdeel is van ons bestaan, iets waar wij ons in deze westerse maatschappij -waar de dood lange tijd in een soort verdomhoekje zat- langzaam mee lijken te verzoenen, is het toch zeker de moeite waard om je eens te verdiepen in een fenomeen dat vroeger de normaalste zaak van de wereld was: het fotograferen van overleden dierbaren. Al direct na de uitvinding van de fotografie in 1839 verschenen er zgn. post-mortem (letterlijk: na het overlijden) foto’s. Het nieuwe medium werd al snel betaalbaar voor een steeds grotere groep en omstreeks 1930 kon ook de middenklasse zich portretfoto’s veroorloven. Vaak was de post-mortem foto de enige afbeelding die men bezat van de overledene –zeker als het om (kleine) kinderen ging. Het was een dierbaar aandenken dat voor eeuwig gekoesterd kon worden.

Bijzondere collectie

Logisch dus dat er meestal behoorlijk wat aandacht werd besteed aan de foto’s, die vaak gemaakt werden door professionele fotografen die er hun werk van hadden gemaakt om de overledenen te portretteren. De tentoonstelling in het Uitvaartmuseum bestaat voor het grootste deel uit historische foto’s uit de negentiende en vroege twintigste eeuw die afkomstig zijn uit de collectie van de Britse verzamelaar Paul Frecker. Hij begon in 2001 met het aanleggen van een verzameling foto’s die inmiddels uniek te noemen is; zijn collectie doodsportretten is de grootste van Europa en één van de grootste wereldwijd. De meeste foto’s stammen uit de periode 1860-1920, een tijd waarin de kindersterfte hoog was –geen wonder dus dat twee derde van de verzameling bestaat uit portretten van jonge kinderen. Vaak zijn het zelfs nog baby’s. In een donker zaaltje, waar je -heel stemmig- via een doorschijnend zwart gordijn zicht heb op wat grafzerken buiten, hangen ze zij aan zij aan de wand: de onfortuinlijke zieltjes die nooit de kans hebben gekregen om op te groeien. Uiteraard zien we ook volwassen overledenen, maar het zijn de kinderen die in het oog springen –niet alleen door hun aantal, dat aanzienlijk is, maar ook omdat dode baby’s en kleuters onvermijdelijk iets in ons losmaken. Een dode bejaarde is toch minder erg om naar te kijken; dat leven is voltooid, die persoon heeft zijn of haar tijd hier op aarde gehad. En hoe triest ook, de dood is op een gegeven moment nou eenmaal onvermijdelijk. Maar een dood kind, dat klopt gewoon niet. Het is onnatuurlijk. Je voelt het verlies van een leven dat in de kiem is gesmoord –en het verdriet van de ouders.

(On)zichtbaar verdriet

PM023-C-Allen-Wales-ca1875-coll-Paul-Frecker-435x700Niet dat dat verdriet direct zichtbaar is. In de vroege jaren van de fotografie was het immers niet gebruikelijk om emoties te tonen voor de camera. Voor een ‘gewoon’ portret hield men het gezicht al in de plooi -lachen was absoluut uit den boze- dus laat staan dat men op post-mortemfoto’s iets van verdriet of pijn liet zien. Op de meeste foto’s staan de kinderen bovendien alleen afgebeeld, zonder ouder of andere nabestaande erbij, dus dan is het een kwestie van zoeken naar andere, iets subtielere uitingen van liefde. Hoewel veel portetten vrij afstandelijk en formeel overkomen, met het overleden kindje bijvoorbeeld op een sofa of in een wiegje geplaatst, met mooie kleertjes aan, of zelfs gefotografeerd terwijl het al in de kist ligt, zijn het de kleine details die het ‘m soms doen. De aanwezigheid van een favoriete pop of knuffel bijvoorbeeld, die de dode waarschijnlijk zal vergezellen in het hiernamaals, of de moeite die op bepaalde foto’s gedaan is om de indruk te wekken dat het kind gewoon zoet ligt te slapen in bed. Met de dekentjes expres een beetje rommelig, alsof het kind zich net nog heeft omgedraaid. Het té nette kapsel verraadt echter dat het hier gaat om een kindje dat nooit meer zal liggen woelen gedurende een onrustige nacht. Ook de zeeën van bloemen die we op veel foto’s zien zijn stille getuigen van het verdriet om het verlies.

Taboe

Na de Tweede Wereldoorlog werd de post-mortemfotografie taboe. Mensen stopten hun verdriet letterlijk en figuurlijk weg. Men name in de westerse cultuur wisten we eigenlijk niet meer hoe om te gaan met de dood en rouwverwerking; er werd nauwelijks openlijk over gesproken, laat staan dat we post-mortemfoto’s in huis wilden van onze overleden dierbaren. We herinnerden ze liever zoals ze waren toen ze nog leefden. Niet heel verwonderlijk natuurlijk, maar ik heb me altijd al afgevraagd waarom er bij geboortes en trouwerijen wél een camera tevoorschijn komt om de gebeurtenis vast te leggen, terwijl het op begrafenissen en crematies meestal tevergeefs zoeken is naar een fotograaf. Ik snap heus wel dat mensen eerder geneigd zijn om de mooie en blijde gebeurtenissen vast te leggen, maar maakt dat de treurige minder belangrijk? Horen die niet ook gewoon bij het leven? Het negeren, het wegstoppen van de dood maakt het alleen maar moeilijker om ons te verzoenen met dat onontkoombare einde. Waar in andere culturen de dood soms letterlijk gevierd wordt -zoals in veel landen in Latijns-Amerika- daar hebben wij lang geprobeerd om te doen alsof hij niet bestaat. Toen de film Four Weddings and a Funeral (1994) uitkwam, de komedie waarmee Hugh Grant definitief doorbrak als acteur, was er veel te doen om de titel; daar kwam immers het woord ‘begrafenis’ in voor en sceptici waren ervan overtuigd dat dat slecht zou zijn voor het imago van de film. Het zou bioscoopgangers afschrikken. Gelukkig ging het om slechts één begrafenis ten opzichte van maar liefst vier bruiloften -en het frisse koppie van Grant scoorde ook bonuspunten- dus het is allemaal nog goed gekomen met deze film, maar het moge duidelijk zijn dat in principe elke associatie met de dood bij voorkeur vermeden diende te worden omdat mensen zich daar ongemakkelijk bij zouden kunnen voelen. Zeker in een film die bedoeld was als komedie.

De comeback

Post-Mortem-1_LRDe laatste jaren is er echter sprake van een heuse opleving als het aankomt op het portretteren van overleden dierbaren, zoals te zien is in het tweede deel van de tentoonstelling waarin de moderne post-mortemfotografie centraal staat. Dat heeft verschillende oorzaken. Ten eerste is daar ons huidige wereldbeeld, waarbij de dood en de daarmee gepaard gaande rouwverwerking op meer acceptatie en begrip kunnen rekenen, maar wat misschien een nog wel grotere rol speelt is de immer voortschrijdende techniek die het een ieder mogelijk maakt om overal en altijd foto’s te maken –en deze via sociale media te versturen naar anderen. Het gemak waarmee we vandaag de dag ons leven delen heeft ook de post-mortemfotografie een nieuwe impuls gegeven. Niet dat iedereen nu even een selfie maakt met zijn overleden tante of opa, maar die handige camera op onze smartphone wordt er tegenwoordig nou eenmaal wat gemakkelijker bij gepakt met als doel om alles vast te leggen. Dus ook de dood. Zodoende wordt een dierbare herinnering onderdeel van ons collectieve geheugen. Een herinnering die ook op de tentoonstelling aandacht krijgt: bezoekers kunnen hun eigen zelfgemaakte post-mortemfoto meenemen en deze krijgt dan een plekje op een speciaal daarvoor bestemde muur.

Maar ook de professionele uitvaartfotografie leeft weer op, zoals blijkt uit een reeks intieme portretten die behoorlijk hard binnen komen; vooral die van hedendaagse gezinnen die voor het laatst als compleet gezin op de foto gaan, met het overleden kindje liefdevol in de armen. Het portret van de moeder die voor het laatst haar dode zoontje tegen zich aandrukt voordat het jongetje in zijn kist wordt gelegd is hartverscheurend, maar toch hebben al deze mensen ervoor gekozen om deze intens trieste momenten vast te leggen. Voor zichzelf, maar ook om bijvoorbeeld het beeld levend te houden voor de andere kinderen in het gezin die nog te jong zijn om zich later hun vroeg gestorven broertje of zusje te herinneren. Het contrast tussen deze foto’s, waarop het verdriet zó duidelijk zichtbaar is, met de soms toch behoorlijk afstandelijke historische foto’s uit de collectie van Frecker kan haast niet groter zijn. De tijden zijn duidelijk veranderd. Toch hebben ze één ding gemeen: ze zijn allemaal uit liefde gemaakt –en dát is de hartverwarmende, troostrijke gedachte die deze toch behoorlijk macabere tentoonstelling dragelijk maakt.