Het Gemeentemuseum in Den Haag presenteert een overzicht van het werk van Hollandsche modeontwerpers, van de late 19e eeuw tot heden. Eén ding is zeker: als bezoeker kom je ogen tekort om de overdaad aan kleuren, vormen en lijnen in je op te nemen.

mode1Alsof er een kauwgomballenautomaat is ontploft. Dat is de indruk die je krijgt in één van de vele zalen waar je doorheen komt op deze ontdekkingstocht door ruim 130 jaar vaderlandse modegeschiedenis. Maar dan wel gezien door de ogen van de grote ontwerpers hè. De expositie Ode aan de Nederlandse mode, nog te zien t/m 7 februari 2016, focust zich op de bekende namen op modegebied en high fashion, dus verwacht geen overzicht van wat de doorsnee burger zoal gedragen heeft door de jaren heen. De grens tussen mode en kunst is altijd al een heel dunne geweest, maar hier vervaagt hij nagenoeg helemaal; veel van de uitzinnige creaties die je hier tegenkomt horen inderdaad thuis in een museum en niet aan iemands lijf. Tenzij je Lady Gaga heet natuurlijk, maar zelfs die kleedt zich de laatste tijd een stuk ‘normaler’. Zo beleeft de bezoeker in de zaal waar al dan niet die kauwgomballenautomaat is ontploft een haast psychedelische ervaring; onder het motto ‘bont, bonter, bontst’ onderga je een hysterisch bombardement van outfits in alle kleuren van de regenboog. Met als ‘hoogtepunt’ een soort piñata-gezin (officiële titel: My emoticon family) van de hand van Bas Kosters. Op een begeleidend info-bordje wordt verteld dat mode en muziek sinds de jaren 70 sterk met elkaar zijn verbonden; daarmee wordt rock-‘n-roll bedoeld, maar de enige muziek die in deze bonte zaal tot zijn recht zou komen is het thema van het Carnaval Festival in de Efteling.

A la Paris

Nu is dit meteen de meest in het oog springende tentoonstellingsruimte, maar wel redelijk representatief voor de rest van de Ode aan de Nederlandse mode; verwacht weinig subtiliteit. De getoonde ontwerpen zijn over het algemeen behoorlijk uitgesproken. Eigenzinnig, zo u wilt. Misschien komt dat wel omdat ons land een vrij jonge ontwerptraditie kent als het op mode aankomt; pas in de jaren 60 van de vorige eeuw kreeg de Nederlandse mode zoiets als een eigen gezicht. Vóór die tijd keek men voornamelijk naar wat er in het buitenland gebeurde en werd bijvoorbeeld de Franse mode gretig gekopieerd. Een uitzondering was couturier Joan Praetorius (1899-1984), die als ‘de eerste Nederlandsche Mode-ontwerper’ onder zijn eigen naam een modehuis begon en in de jaren 20 en 30 furore maakte met zijn creaties. Hij stond vooral bekend om zijn gevoel voor schoonheid, kleur en eenvoud van ontwerp, passend bij de ‘Hollandschen smaak’. Maar verder kwam de mode toch echt allemaal uit Parijs. Tot de jaren 60 dus, wanneer in Nederland het modelandschap verandert en er meer ruimte komt voor ontwerpers van eigen bodem die zich als het ware bevrijden van de dictatuur van de Franse (mode)hoofdstad. Is het dan heel vreemd dat de ene na de andere creatieve geest helemaal losgaat in een poging om ‘uniek’ te zijn, om op te vallen? Een verlangen dat ook nog eens perfect aansluit bij de swingende sixties, een tijdperk dat gekenmerkt wordt door een overvloed aan mogelijkheden. Op de voet gevolgd door de hippe seventies natuurlijk.

Niets is te gek

Niet dat het dan alleen maar gekkigheid is dat de klok slaat. Denk maar aan de jonge Frans Molenaar, die in 1967 in Amsterdam zijn couturehuis opent; zijn kleding kenmerkt zich door strakke lijnen en conceptuele ontwerpen met geometrische vlakverdeling. Jong en vernieuwend, maar niet zo uitbundig en kleurrijk als de ontwerpen van bijvoorbeeld Koos van den Akker, Fong-Leng, Frank Govers of -iets recenter- Bas Kosters. Het oer-Hollandse motto ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’ geldt blijkbaar niet als het op mode aankomt; dan is het eerder een kwestie van ‘moet kunnen’. Als deze tentoonstelling één ding duidelijk maakt dan is het dat Nederlanders niet bang zijn om alternatief gekleed te gaan. Dat zou je misschien niet verwachten van één van de landen met het hoogste aantal spijkerbroeken per inwoner, maar in ons tolerante klimaat gedijen originaliteit en extravagantie heel goed, ondanks het feit dat je dat in het gemiddelde straatbeeld van een doorsnee Hollandse provinciestad niet direct terug zult zien. Bijkomend voordeel van al deze uitgesproken persoonlijke expressie van onze vooraanstaande modeontwerpers is dat we inmiddels ook opgemerkt zijn buiten onze landsgrenzen; op de grote catwalks in het buitenland hebben Viktor & Rolf, Iris van Herpen, Pauline van Dongen en Jan Taminiau -om er maar een paar te noemen- allang naam gemaakt.

Volwassen mode

mode2Ode aan de Nederlandse mode wil de bezoeker niet alleen een indruk geven van wat onze landgenoten zoal hebben gepresteerd op modegebied en waarin zij zich onderscheiden van de rest van de wereld, maar wil ook duidelijk maken dat de Nederlandse mode volwassen is geworden. Dan gaat het niet alleen om de ontwerpers en hun ontwerpen; denk ook aan de vele mode-opleidingen, modecollecties in musea, kennissites op internet, modetijdschriften; kortom, zo’n beetje de hele fashion-industrie. Er is een bepaald niveau bereikt dat aantoont dat mode tegenwoordig een serieuze zaak is. Niet ál te serieus natuurlijk; altijd is er weer die humor, dat lichte, speelse element dat ook het Nederlandse design zo populair maakt. Bezoekers van de tentoonstelling ontkomen inderdaad niet aan die ‘grappige’ inslag van onze nationale couturiers, die overal aanwezig is. Ode aan de Nederlandse mode is namelijk niet chronologisch opgezet, dus direct al bij het begin val je met je neus in de boter. De ontwerpen worden gepresenteerd aan de hand van tien opvallende thema’s: Zwart en wit, Exotisch wordt eigen, Heldere vorm en klare lijn, Constructivistisch, Conceptueel, Futuristisch, Non-conformistisch, Bont, bonter, bontst: kleur!, Humor en Vrijheid. Volgens de samenstellers van de expositie zijn dit dé kenmerken van het Nederlandse modeontwerp.

LOL

Niet dat al deze eigenschappen direct heel herkenbaar zijn bij het betreden van weer een nieuwe zaal vol opvallende kledingstukken. Alleen over Futuristisch en Bont, bonter, bontst: kleur!, waar ik het aan het begin van dit stuk al over had, kan geen enkele twijfel bestaan. Wat verder vooral opvalt is toch de overweldigende aanwezigheid van de ‘gekke’ ontwerpen; die typisch Hollandse humor en uitbundigheid dus, die ervoor zorgen dat tegenover elke heldere zwart-wit outfit met klare lijn wel weer een schreeuwerige (en eigenlijk oerlelijke) creatie te vinden is. Wanstaltigheid gaat hier hand in hand met schoonheid. Leuk en interessant om naar te kijken is het allemaal zeker, al ontaardt de verwondering om zoveel, eh, persoonlijke creativiteit voor veel bezoekers soms onontkoombaar in ronduit uitlachen. Sorry, couturiers, maar soms begrijpen we jullie gewoon niet. Dan vergapen we ons liever aan de prachtige blauwe jurk die Jan Taminiau ontwierp voor Maximá en die ze droeg op de kroningsdag van haar man. Ja, ook dit juweeltje valt (gelukkig) te bewonderen op de expositie. Bij het aanschouwen van zóveel vakmanschap mag je inderdaad concluderen dat de Nederlandse mode volwassen is geworden; bij sommige van de andere ontwerpen zou je haast gaan denken dat we nog ergens zijn blijven hangen in de puberteit.