Sjoerd van Hoorn bespreekt het boek De ontredderde Republiek van Mia Doornaert.

 

Doorwerking van de geschiedenis

Het verhaal gaat dat Zhou Enlai, Chinees minister van Buitenlandse Zaken onder Mao, het volgende antwoord gaf toen hem werd gevraagd naar de gevolgen van de Franse revolutie: ‘die gebeurtenissen zijn te recent om er iets over te zeggen’. Si non è vero, è ben trovato, als het niet waar is, is het mooi gevonden, zoals de Fransen (in het Italiaans) zouden zeggen, want er is weinig dat scherpzinniger de enorme invloed van de omwenteling en chaos benoemt die Frankrijk tussen 1789 en 1799 in zijn greep hield dan de bon mot van de Chinese politicus. De Franse revolutie en de nasleep ervan bepaalt in een aantal opzichten nog steeds enkele reflexen in de Franse politiek. Dat is de portée van De Ontredderde Republiek, het nieuwe boek van de Belgische journaliste en politiek commentator Mia Doornaert.

Niet dat dat alles is. In haar beknopte boek laat Doornaert zien hoe de Franse geschiedenis met haar acht eeuwen koningschap en revolutionaire traditie doorwerkt in het Frankrijk van vandaag. Ook vertelt ze hoe de politiek tot stand is gekomen die maakt dat Frankrijk er niet in alle opzichten even goed aan toe is. Doornaert becijfert dat het land een werkloosheid van 10% kent, dat de overheidsuitgaven 57 % van het bbp bedragen en dat de staatsschuld vrijwel het totale bbp bedraagt. Eén van de verfrissende kanten van dit boek is dat Doornaert niettemin gevoel heeft voor het belang van wat Jeroen Dijsselbloem recentelijk ‘geld uitgeven aan drank en vrouwen’ (Schnaps und Frauen) noemde. Doornaert is te wereldwijs en heeft teveel gevoel voor humor om de puriteinse zedenmeester uit te hangen. De Ontredderde Republiek bevat scherpe kritiek aan het adres van zekere Franse hebbelijkheden, maar het doel van het boek is vooral Frankrijk te begrijpen. Hoe is l’exception française tot stand gekomen – dit in beide betekenissen van tot stand komen: hoe is de bijzondere Franse samenleving ontstaan en waarom staat zij sinds enige tijd stil?

 

Taalkundige eenmaking

Doornaert behandelt vooral de politieke geschiedenis met enkele uitstapjes naar economie en cultuur en vooral: taal. Frankrijk is namelijk niet te begrijpen zonder kennis van de taalkundige eenmaking van wat tot in de twintigste eeuw een land was waar in grote gebieden geen Frans gesproken werd, maar Provençaals, andere varianten van het Occitaans, Bretons of Elzassisch of nog iets anders. In 1539 maakte Frans I (François premier) een begin met de taalkundige eenmaking door het Frans in plaats van het Latijn tot de officiële taal van Frankrijk te maken in de ordonnantie van Villers-Cotterêts. Echter pas met de invoering van het verplichte basisonderwijs in 1882 werd er vaart gemaakt met het project om ook de gewone man Frans te laten spreken. Een en ander relativeert natuurlijk de klacht dat steeds minder mensen Frans spreken, al kan ook Doornaert er niet om heen dat het Franse onderwijs scholieren minder grammatica bijbrengt dan het ooit deed.

Het opleggen van de Franse taal aan alle Fransen door de Derde Republiek (1871-1940) kan symbool staan voor de tendens tot eenmaking die de moderne Franse geschiedenis kenmerkt. De tendens naar eenmaking is een van de hoofdstromen in de Frans geschiedenis die Doornaert beschrijft. Waren de koningen al bezig de macht van de adel in te perken, de revolutionairen van 1789 versterkten deze tendens nog meer. Voortaan zou Frankrijk geen erfelijke privileges meer kennen, baantjes en macht zouden dus niet meer in het bezit van families zijn. Evenmin zouden machtige lokale baronnen nog eigenmachtig kunnen handelen tegen de regering in Parijs is.

Doornaert noemt deze twee punten (pp.92-93) als de harde kern van de republiek die de erfenis van de revolutie is: de afschaffing van alle erfelijke privileges enerzijds en de centralisering van de macht anderzijds.

 

Girondijnen en Jacobijnen 

Deze centralisering is een erfenis van de Franse revolutie die door Napoleon werd versterkt. Hij voerde de Code Civil in, het burgerlijk wetboek waar ook het Nederlands recht veel aan te danken heeft en de rechtsorde die nog steeds geldt in Frankrijk, hij voerde ook opnieuw het systeem van de Grandes Écoles in, zoals de École normale supérieure, de ultieme plek om letteren of filosofie te studeren in Frankrijk. Het land zou voortaan een centraal bestuurde meritocratie zijn, zo was het idee, waar iedereen voor de wet gelijk was (iedereen was voortaan monsieur of madame) en iedereen zichzelf door onderwijs kon verheffen als hij daar net talent voor had. Ofschoon de revolutie ook de basis vormde van de Franse neiging tot faisons-nous table rase, laten we het verleden uit de weg ruimen, de kwaal om steeds opnieuw revolutie te willen maken, werd deze hebbelijkheid door Napoleon ten goede aangewend voor het verwerkelijken van een ideaal waarin elke gewone soldaat een maarschalksstaf in zijn rugzak had.

Het is dit ideaal van Frankrijk, dat vooral het ideaal van de Derde Republiek was, dat  zogenaamde déclinisten als Alain Finkielkraut verloren zien gaan in het multiculturalisme dat alle culturele idealen toejuicht behalve dat van de Franse Leitkultur. De Derde Republiek ging ten onder in juni 1940 toen Frankrijk na de gewapende strijd verloren te hebben besloot  te collaboreren met de Duitsers – behalve Charles de Gaulle en zijn vrije Fransen.

In wat toch vooral een politieke geschiedenis van Frankrijk is besteedt Doornaert overigens opmerkelijk weinig aandacht aan de littekens die Vichy-Frankrijk heeft nagelaten. Ik noem een voorbeeld. Als vrijwel niemand in Frankrijk nu nog gelooft in de terugkeer van de monarchie, dan is dat onder meer omdat reactionair Frankrijk zich tussen 1940 en 1945 heeft geëncanailleerd met het nazisme, waardoor het een vrijwel onuitwisbare smet heeft opgelopen. Het enige legitieme rechts bestond vanaf toen uit republikeinen die niet met alles uit het verleden wilden afrekenen, zoals radicaal-links, maar wel democraten waren.

De Franse politiek, zo laat Doornaert zien, berust op een tegenstelling uit de tijd van de revolutie: die tussen de rechtse girondijnen en de linkse jacobijnen. Girondijnen waren De Gaulle, Chirac en François Fillon. Of François Mitterand volgens Doornaert een jacobijn is, is mij niet helemaal duidelijk. Het is wel zo klaar als een klontje dat hij de booswicht van het boek is. Waar Charles De Gaulle de held is van De Ontredderde Republiek omdat hij de instabiele Vierde Republiek (1945-1958) verving door de Vijfde Republiek (1958-), waarin de president rechtstreeks door het volk gekozen wordt en waarin hij het districtenstelsel invoerde; daar is François Mitterand de cynische machtspoliticus die alles deed om aan de macht te blijven zonder zich af te vragen of wat hij deed zo goed voor Frankrijk was. Mitterand voerde toen hij in 1981 tot president was gekozen aanvankelijk een zeer links economisch programma uit. Toen dat niet bleek te werken wendde hij zich even makkelijk tot een soort Thatcherisme-light. Wat Doornaert Mitterand minsten evenzeer kwalijk neemt is dat hij de traditionele achterban van de PS (Parti Socialiste), de arbeidersklasse, in de steek liet. Met een mooie impliciete verwijzing naar Bertolt Brecht stelt Doornaert dat de PS een nieuw volk koos, namelijk de immigranten.

De arbeiders, de lagere middenklasse, kortom het gewone volk zijn teleurgesteld over links? Dan verandert de PS maar van volk. De arbeidersklasse maakt plaats voor de immigranten. De in de jaren tachtig zo toegejuichte organisatie SOS Racisme is in feit ontstaan in het Élysée, en was een pure schepping van de PS. In de partij is ook het zo succesvolle speldje ontwikkeld van het open, afwerende gele handje. (p.175).

 

De dominantie van het discours dat beweert dat kritiek op moslims sowieso racistisch is, kunnen we wijten aan de PS van François Mitterand, laat Doornaert zien. Voeg daarbij het gegeven dat Mitterand bewust Jean-Marie Le Pen in de kaart speelde, met de gedachte dat het Front National rechts Frankrijk zou verdelen en dus verzwakken en de dimensies van Doornaerts bezwaren tegen Mitterand worden duidelijk.

De sympathie van de Belgische auteur liggen veel meer bij Jacques Chirac, een zeer gecultiveerd man die in het openbaar de gewone jongen uithing, en natuurlijk bij De Gaulle.

Doornaerts liefde voor het Gaullisme is echter niet blind. Ze toont haarscherp aan dat Nicolas Sarkozy er volstrekt niet in slaagde de hervormingen af te dwingen, die volgens haar nodig zijn om de logge Franse publieke sector in beweging te krijgen, en dat Chirac ondanks al zijn kwaliteiten rust en (schijnbare) stabiliteit verkoos boven hervorming en rumoer. De hele Franse politiek is in de greep van het idee dat big government moet.

 

Noodzakelijk leesvoer

De Ontredderde Republiek is gepubliceerd voor de presidentsverkiezingen en bevat daarom een lofzang op de ideeën van François Fillon die door de resultaten van de eerste ronde is ingehaald. Doornaert heeft in dit bestek ook niet meer haar licht kunnen laten schijnen op de ongehoorde electorale verschuiving, die de tegenstelling links-rechts heeft vervangen door de tegenstelling tussen de voorstanders van wat de rechtse politicoloog Alain de Benoist sardonisch ‘la mondialisation heureuse’ noemt en de voorstanders van de Franse soevereiniteit. Doornaert zei echter terecht dat de problemen van Frankrijk niet van 7 op 8 mei veranderd zouden zijn. Toen ze onlangs bij Buitenhof aarzelend de winst van Emmanuel Macron voorspelde had ze in haar boek al de problemen opgeschreven waar hij mee te maken zou krijgen.

Dit alles maakt De Ontredderde Republiek tot noodzakelijk leesvoer voor iedereen die in de huidige Franse politiek is geïnteresseerd. De uitgave van het boek verdient minder lof, zo ontbreken een index en een bibliografie, alsmede de originele Franse citaten die Doornaert steeds in vertaling geeft. Daarnaast staan er een aantal slordige fouten in die een auteur zelf niet kwalijk kunnen worden genomen (je eigen tekst akribisch lezen is geen sinecure), maar die een eindredacteur of corrector had moeten opmerken. Een meer inhoudelijk punt van kritiek bij dit uitstekende boek is dat politiek steeds een kwestie van keuzes maken is en dat er daarom niet maar één door de omstandigheden afgedwongen keuze voor economisch beleid is. Uiteraard is liberalisme één van die mogelijke keuzes.