Is het van belang wat een vooraanstaande Romein zo’n slordige 2000 jaar geleden schreef over de Overrijnse stammen die toen werden geschaard onder de gemeenschappelijke noemer ‘de Germanen’? Dat wordt het wel wanneer een gevaarlijke ideologie meent er waardevolle argumenten aan te ontlenen.

9200000030059948Onlangs verscheen het boek ‘In moerassen & donkere wouden: De Romeinen in Germanië’, waarin teksten zijn verzameld van Publius Cornelius Tacitus (ca. 55-177) die een interessant beeld creëren van het woeste noordelijke deel van Europa in de Romeinse tijd. We hebben het dan over het gebied waar de Germanen woonden; eigenlijk een beetje een nogal algemene term voor een verzameling inheemse stammen die ‘aan de andere kant’ van de Rijn woonden en waar de Romeinen nooit echt grip op hebben gekregen. Julius Caesar maakte al het onderscheid tussen de Gallische stammen ten westen van de Rijn en de Germaanse ten oosten daarvan. Waar Gallië -op dat ene bekende dorpje na natuurlijk, dat dapper weerstand bleef bieden- al snel door de illustere veroveraar werd ingelijfd bij het Romeinse grondgebied, daar was Germanië een lastiger geval; de bewoners van deze onherbergzame gebieden aan de rand van het rijk wisten hun onafhankelijkheid te bewaren en vormden geduchte tegenstanders voor de Romeinse soldaten. Na meerdere pogingen om hun grondgebied te annexeren (een dieptepunt was de zgn. Slag in het Teutoburgerwoud in 9 n. Chr., waarbij drie Romeinse legioenen in een hinderlaag liepen en werden afgeslacht) besloot Rome om alle claims op Germanië te laten varen. De rivier de Rijn zou in de loop van de eerste eeuw definitief de rijksgrens in het noorden (de limes) worden.

266px-Gaius_Cornelius_Tacitus_mirrorTacitus, een bekende Romeinse schrijver, redenaar en consul (je zou hem een historicus kunnen noemen, al moet je zijn werkwijze dan niet gaan vergelijken met die van zijn hedendaagse collega’s) is per definitie één van de belangrijkste antieke bronnen waar we uit kunnen putten, maar al helemaal als het gaat om de Germanen. ‘In moerassen & donkere wouden’, een titel die duidelijk slaat op het beeld dat de gemiddelde Romein moet hebben gehad van het leefgebied van dit –in hun ogen- barbaarse volk, zijn teksten bijeengebracht die afkomstig zijn uit Tacitus’ bekendste werken: de Annalen, de Historiën, de Agricola en, uiteraard, de Germania, oftewel zijn Dossier Germanië. Dit laatste werk, de enige contemporaine beschrijving van de Germaanse stammen (zelf schreven ze niet zoveel), kun je een heuse etnografie noemen; het eerste deel is redelijk algemeen en behandelt het land en de bevolking, het tweede deel beschrijft de individuele stammen en hun gebruiken en gewoonten. Althans, zoals die zijn overgeleverd aan Tacitus. Het is niet zo dat de man jarenlang rondgetrokken heeft door Germanië en daar het landschap en de leefwijze van de mensen uitvoerig heeft bestudeerd. Wat hij weet -of in ieder geval meent te weten- heeft hij grotendeels vernomen uit bronnen. Voornamelijk eerstehands bronnen, dat dan weer wel; zo kon hij bijvoorbeeld beschikken over de uitvoerige ‘Geschiedenis van de Germaanse Oorlogen’ van Plinius de Oudere, een geschiedwerk dat helaas verloren is gegaan, waarin Plinius vertelt over zijn ervaringen in Germanië.

Helemaal verwonderlijk is het dus niet dat het boek bol staat van de clichés, vooroordelen en feitelijke onwaarheden; Tacitus heeft zo ongeveer alles ‘van horen zeggen’ en als zijn bronnen het af laten weten, dan verzint hij zelf wel wat of vervalt hij in algemene vaagheden die op elk inheems landschap of volk van toepassing kunnen zijn. Sowieso gold dat de Grieks-Romeinse wereld beschaafd was en de bewoners van de randgebieden niet; dat waren altijd onbetrouwbare en opvliegende barbaren, die weinig gemeen hadden met de ontwikkelde en georganiseerde Romeinen. Je kon als schrijver in die tijd dus rustig je fantasie loslaten op hoe het er aan toeging in die woeste streken. Niet dat het allemaal onzin is natuurlijk; veel van wat Tacitus beweert bevat heus wel enige kern van waarheid, maar je moet het allemaal met een flinke korrel zout nemen. En, heel belangrijk, begrijpen waaróm hij schreef wat hij schreef. En voor welk publiek.

De van oorsprong Latijnse teksten zijn voor ‘In moerassen & donkere wouden’ vertaald door Vincent Hunink, die als vertaler Latijn en Grieks regelmatig publiceert (naast werk van Tacitus o.a. Cicero, Seneca en Apuleius) en worden ingeleid door de historicus en auteur Jona Lendering, die in zijn uitgebreide inleiding haarfijn uitlegt waarom we dit boek ter hand zouden moeten nemen. Of, zoals hij het zelf formuleert: wat is de waarde van een collectie antieke etnografische clichés? En daar heeft hij een punt. Misschien dat u zich inmiddels ook al afvroeg waarom Tacitus’ omschrijvingen van zijn Germaanse tijdgenoten voor ons interessant zijn. Wel, op de eerste plaats: het is allemaal bijzonder vermakelijk. Tacitus is een begenadigd verteller en, mits goed vertaald -wat hier zeker is gebeurd- is het boek een genot om te lezen voor iedereen met belangstelling voor het noorden van Europa ten tijde van de Romeinen. Geen enkele andere bron zal je hier meer over vertellen, of het nou allemaal waar is of niet. Maar naast vermaak biedt deze bloemlezing uit Tacitus’ werken ook een fascinerend inzicht in de gedachtegang van de auteur en kringen waarin hij verkeerde. Want hij schreef het Dossier Germanië niet voor de lol, of omdat hij dacht dat zijn Romeinse publiek al die weetjes over die barbaren en hun leefomgeving wel leuk zouden vinden. Neen, Tacitus had wel degelijk een agenda. Eentje die de lezer niet uit het oog dient te verliezen –en wat helaas wel is gebeurd. Met rampzalige gevolgen.

m1nw06aix4wz

Tacitus’ Germanenteksten zijn tussen pakweg 100 en 120 n. Chr. geschreven en hebben allemaal een functie: zo tonen de fragmenten uit de Historiën en de Annalen hoe een senator zich, in zijn optiek, dient te gedragen. Door de bewoners van het vrije Germanië neer te zetten als dappere doch barbaarse anti-Romeinen creëert hij een decor en een tegenstander waartegen een Romeins bestuurder kan laten zien uit welk hout hij is gesneden; het Rijnfront als senatoriële karaktertest, zoals Lendering het zo mooi omschrijft. En na de Agricola (een biografie over zijn schoonvader Gnaeus Julius Agricola, die -terwijl hij bezig was om Brittannië te veroveren- door keizer Domitianus werd teruggeroepen en zo geen kans kreeg om het karwei af te maken) was ook de Germania een poging van Tacitus om zich van Domitianus (81-96) te distantiëren. Die claimde namelijk dat hij het onrustige gebied eindelijk had onderworpen, terwijl Tacitus door zijn beschrijvingen van de onbelemmerde vrijheid van de Germanen de lezer er fijntjes op wijst dat Domitianus een leugenaar was. Uiteraard schreef hij dit pas nadat de gehate Domitianus was vermoord; hij probeerde op deze manier wellicht een wit voetje te halen bij Trajanus (98-117), die toen aan de macht was.

Daarnaast grijpt Tacitus ook de gelegenheid aan om commentaar te leveren op wat hij als misstanden in de Romeinse samenleving beschouwt. Want het mogen dan wel wilden zijn, die Germanen, maar dat betekent niet dat de Romeinen niks van ze kunnen leren. Als hij het bijvoorbeeld heeft over de huwelijksmoraal bij de Germanen, die (volgens hem) monogaam zijn en niet flirten, dan houdt hij zijn tijdgenoten een confronterende spiegel voor. De kuisheid van de Germaanse vrouw, die niet bedorven is door de verlokkingen van het theater of uitgebreide diners, is een sneer naar de Romeinse dames die wél van deze vormen van vermaak genieten. En als Tacitus de eenvoud van de Germaanse uitvaarten prijst, dan laat hij daarmee merken dat hij gruwt van de overdadige luxe die de Romeinse elite ten toon spreidt als er iemand overleden is. En zo, of het nou gaat om het functioneren van een bestuurder of generaal, om het ondermijnen van de geloofwaardigheid van een keizer of om het bekritiseren van de heersende normen en waarden in de samenleving, weet de moralist Tacitus al zijn boodschappen aan zijn senatoriële standsgenoten handig te verpakken in zijn grote geschiedwerken. In deze context dient zijn werk dan ook te worden gelezen.

Helaas wordt deze maar al te vaak vergeten. Vergelijk het een beetje met de Bijbel (of de Koran, zo u wilt, of een ander heilig boek) waarin sommige passages door gelovigen al te letterlijk worden opgevat. Arme Tacitus; nooit had hij kunnen bevroeden dat zijn gedetailleerde beschrijving van de Germanen en het gebied waar ze woonden nog eens het stempel ‘omstreden literatuur’ zou krijgen. Wist hij veel dat vele eeuwen later een stelletje nationaalsocialisten zijn teksten over de zogenaamde ‘raszuiverheid’ van de Germanen wel érg serieus zouden nemen en er (voor een belangrijk deel althans) hun hele claim van de Duitsers als Herrenvolk op zouden baseren. Dat was nooit zijn bedoeling geweest, toen hij schreef dat de Germanen een autochtoon volk waren en ‘niet door vriendschappelijke contacten waren vermengd met andere stammen’. Ze vormden zodoende een ‘geheel eigen volk, zuiver van ras’… Aha! Koren op de molen van de nationaalsocialisten, die de teksten van Tacitus ijverig bestudeerden en er zelf maar bij bedachten dat ‘zuiver’ gelijk staat aan ‘superieur’. Nu is het een beetje lullig om Tacitus de schuld te geven van de opkomst van de nazi’s en de massamoord op miljoenen ‘inferieure’ mensen, maar zijn theorie heeft wél de basis gelegd voor een gevaarlijke ideologie die in de negentiende eeuw langzaam aan steeds populairder werd.

Jammer dat er toen niemand was die wat kritischer naar de teksten keek en zo kon vaststellen dat er veel niet klopte; Germanië was niet arm, bestond niet louter uit onherbergzame wouden en lelijke moerassen, de Germanen droegen geen dierenhuiden en nee, ze sliepen vast ook niet allemaal uit tot laat in de middag. Heel onwaarschijnlijk in een boerensamenleving. Dus waarom zou de bewering over die zogenaamde raszuiverheid dan wél enige waarheid bevatten? Zoals Lendering terecht opmerkt hadden oplettende oudheidkundigen of archeologen de opkomst van het nationaalsocialisme waarschijnlijk toch niet kunnen stoppen, maar ze hadden misschien kunnen beletten dat Tacitus’ woorden, geschreven voor een specifieke doelgroep, werden misbruikt als fundering voor een racistische beweging. We kunnen de tijd helaas niet terugdraaien, maar dit toont wel weer aan wat er kan gebeuren als (antieke) teksten ruw uit hun context worden gerukt. Denk daaraan, mocht u besluiten om ‘In moerassen & donkere wouden’ te gaan lezen. De oudheid is voorgoed voorbij, maar de bestudering van dit tijdvak -en de invloed hiervan op onze denkwijze- is nog altijd actueel.