Vandaag vieren moslims overal in de wereld het offerfeest. Daarom onderstaande verhaal over onverdoofd ritueel slachten.  Dit essay staat in de in 2014 bij Nieuw Amsterdam verschenen bundel Van God los. Het einde van de christelijke politiek?

Afbeeldingsresultaat voor van god los ewout

Door: Ewout Klei

 

“Hij werd mishandeld, maar hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open.”

Jesaja 53:7, NBG-vertaling 1951

 

In 2011 discussieerde Nederland over de joodse en islamitische rituele slacht. Aanleiding van deze discussie vormde het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren, ingediend in februari dat jaar, om het onverdoofd ritueel slachten te verbieden. Volgens Marianne Thieme zorgde deze wijze van slachten voor onnodig extra dierenleed.

Aanvankelijk bleef de discussie beperkt tot de Tweede Kamer. Toen bleek dat een overgrote meerderheid in de Tweede Kamer voornemens was om voor het wetsvoorstel van Thieme te stemmen – alleen CDA, ChristenUnie en SGP waren tegen – kwam er een groot maatschappelijk debat op gang. Wetenschappers, religieuze leiders, columnisten, briefschrijvers en reageerders op opiniesites, ze hadden allemaal een mening over dit onderwerp.

De Tweede Kamer stemde op 28 juni voor het voorstel van Thieme. De bezwaren bleven. Volgens tegenstanders kwam de godsdienstvrijheid in gevaar. Mede als gevolg van deze bezwaren besloot de Eerste Kamer, als chambre de réflexion, het door de Tweede Kamer aangenomen wetsvoorstel te torpederen. Met name de VVD-fractie had zo haar twijfels. ‘De wet is onuitvoerbaar’, zei VVD-senator Sybe Schaap. Hij doelde hiermee op het amendement van VVD, PvdA, D66 en GroenLinks, waarin werd gesteld dat rituele slacht alleen is toegestaan als dit aantoonbaar niet voor meer dierenleed zorgt. Wettechnisch gezien was dit amendement volgens de VVD-Senaatsfractie een gedrocht.

De maatschappelijke discussie over het onverdoofd ritueel slachten was een debat geweest waarin over en weer harde woorden en beschuldigingen vielen. Wat was de historische achtergrond van dit debat? Waarom werd de discussie over de rituele slacht zo fel en emotioneel gevoerd?  En welke rol speelden de christelijke partijen hierbij?

 

Paradigmawisseling

Sinds de zeventiende eeuw, toen veel joodse vluchtelingen in de Republiek hun heil zochten, kent ons land de praktijk van de rituele slacht. Joden die volgens de religieuze voorschriften van hun geloof willen leven mogen alleen vlees eten van zoogdieren en vogels die koosjer zijn geslacht: door middel van een halssnede en verbloeding. Dieren die op een andere manier worden geslacht zijn niet koosjer, niet geschikt volgens de voorschriften. De joodse rituele slacht houdt rekening met dieren en wil het dierenleed beperken. Als het dier via een snelle halssnede geslacht wordt verliest het in een mum van tijd veel bloed en ongeveer binnen twee seconden het bewustzijn. Het mes moet daarom altijd vlijmscherp en kaarsrecht zijn. Is dit niet het geval dan duurt het langer voordat een dier het bewustzijn verliest en sterft, met meer dierenleed als gevolg.

Lange tijd beschouwden buitenstaanders de joodse slacht dan ook als bijzonder diervriendelijk. Toen eind negentiende eeuw de techniek van het verdoven van dieren werd geïntroduceerd werd de joodse rituele slacht echter steeds vaker als barbaars beschouwd. Degenen die deze slacht aan banden wilden leggen waren afkomstig uit de hoek van de dierenbescherming, maar ook uit die van de antireligieuze vrijdenkerij of die van het moderne antisemitisme. De dierenbescherming vond religieuze slacht slecht vanwege het veronderstelde dierenleed, de vrijdenkers hekelden de huns inziens hopeloos achterhaalde religieuze riten en de antisemieten waren er tegen omdat ze de Joden vijandig gezind waren. Volgens historicus Bart Wallet, gespecialiseerd in de geschiedenis van het Nederlandse Jodendom, vormden degenen die de rituele slacht wilden verbieden in de negentiende en twintigste eeuw een marginale minderheid. Alleen tussen 1940 en 1945 was het verboden, toen Nederland bezet werd door nazi-Duitsland.

Een paar decennia na de Tweede Wereldoorlog, toen moslimgastarbeiders en hun gezinnen in groten getale naar West-Europa kwamen, kreeg Nederland te maken met de islamitische rituele slacht. De islamitische rituele slacht wil net als de joodse onnodig dierenleed voorkomen. Dieren worden geslacht via een halssnede, ze mogen niet geslacht worden als er andere dieren in de buurt zijn en om stress te voorkomen mag het mes niet zichtbaar zijn voor het dier of in zijn nabijheid worden geslepen. Dankzij de komst van moslims was Nederland veranderd in een multiculturele samenleving. Het ideaal van een multiculturele samenleving werd volgens Wallet het nieuwe raamwerk waardoor Nederland de praktijk van het ritueel slachten bezag. De visie op de multiculturele samenleving bepaalde de visie van partijen op de rituele slacht. Partijen die zich in de jaren zeventig en tachtig tegen de multiculturele samenleving en de komst van moslims verzetten – de populistische Boerenpartij, de kleine nationalistisch-protestantse partijen GPV en SGP en de extreem-rechtse Centrumpartij – waren ook voor een verbod op de rituele slacht. Met dierenliefde had hun protest weinig te maken. Hendrik Koekoek van de Boerenpartij zou later nog veroordeeld worden voor dierenmishandeling.

Het multiculturele frame werd volgens Wallet begin eenentwintigste eeuw ingeruild voor een seculier frame. Het ritueel slachten werd niet langer beschouwd als een verworvenheid van de multiculturele samenleving, maar als een religieuze rite die haaks staat op de verlichte moraal van de jaren zestig. Volgens dit frame praktiseerden de religieuzen een middeleeuwse moraal, terwijl de seculieren daarentegen pal stonden voor mensenrechten (vrouwenrechten, kinderrechten, homorechten) en dierenrechten. Er was sprake van een paradigmawisseling  van de antithese tussen multicultureel en monocultureel naar de antithese tussen seculier en religieus. Dit leidde tot een renversement des alliances. De Tweede Kamerfracties van PvdA, D66 en GroenLinks steunden in 2011 een verbod op de rituele slacht, terwijl de kleine christelijke partijen ChristenUnie en SGP dit verbod fel bestreden.

 

Godsdienstvrijheid

Het debat over het ritueel slachtverbod had een grote symbolische waarde. Het ging over dierenrechten enerzijds, en de godsdienstvrijheid van religieuze minderheden anderzijds. Op de achtergrond speelde bovendien nog steeds de visie op de multiculturele samenleving mee. Een principiële pleitbezorger van het verbod op onverdoofd ritueel slachten was journalist Joost Niemöller, columnist bij de conservatieve opiniewebsite De Dagelijkse Standaard. Hij was vooral voor een verbod omdat hij tegen de multiculturele samenleving was. Het debat in de Tweede Kamer over dit onderwerp was volgens hem interessant omdat de uitwassen van de multiculturele samenleving in botsing kwamen met de seculiere samenleving. Voor bepaalde religieuze praktijken zou er in Nederland geen ruimte (meer) mogen zijn. Niemöller dacht hierbij aan het onverdoofd slachten, het stenigen van vrouwen, het besnijden van jongetjes en de islamitische oproep tot gebed.  Godsdienstvrijheid was volgens Niemöller niet absoluut. Hij vond dat moslims zich maar moesten aanpassen aan de Nederlandse normen en waarden, die hij definieerde als seculier.

Een verklaard voorstander van het verbod op onverdoofd ritueel slachten was ook Rein Zunderdorp, in 2011 nog voorzitter van het Humanistisch Verbond. Zunderdorp benadrukte het gelijkheidsbeginsel. Iedereen moest gelijk zijn voor de wet. Hij hekelde daarom de bevoorrechte uitzonderingspositie die religieuzen in de Nederlandse samenleving zouden innemen. Joden en moslims mochten dieren onverdoofd ritueel slachten, maar andere burgers niet. Ook zouden religieuzen zichzelf eens goed achter de oren moeten krabben en hun exclusieve claim op de waarheid, die de vrijheid van anderen in gevaar zou brengen, moeten laten varen. Ook voor Zunderdorp was godsdienstvrijheid dus niet absoluut.

Waar Niemöller vooral moeite had met de rituele slacht omdat hij tegen de multiculturele samenleving was, gold voor Zunderdorp dat hij niks moest hebben van traditionele religie en meende dat religie door de samenleving werd bevoorrecht. Beide overwegingen speelden bij Marianne Thieme een grote rol. Zij stelde dat respect voor andere culturen niet betekende dat alles maar moest worden toegestaan. Dierenrechten moesten van haar prevaleren boven multiculturele uitingen.  Tevens zouden dierenrechten belangrijker zijn dan de vrijheid van godsdienst, die volgens Thieme niet absoluut was.

Van groot belang voor de discussie was ten slotte het interview van journalist Kustaw Bessems met VVD-Kamerlid Jeanine Hennis-Plasschaert, dat op 15 maart 2011 in De Pers verscheen.  Hennis stelde dat de vrijheid van godsdienst (artikel 6 van de Nederlandse Grondwet) wat haar betreft wel afgeschaft kon worden, omdat deze vrijheid voldoende werd ondervangen door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering (artikel 7, 8 en 9 Nederlandse Grondwet).  Hennis vond dit vooral nodig om het dragen van hoofddoeken achter de balie van het stadhuis te verbieden, maar haar voorstel  zou natuurlijk ook kunnen worden gebruikt om het onverdoofd ritueel slachten voorgoed aan banden te leggen. Het hoeft geen betoog dat gelovigen – joden, christenen en moslims – niet bepaald te spreken waren over dit proefballonnetje.   Velen zagen er een seculier complot in, dat als doel had de rechten van religieuzen af te schaffen.

 

Een verdoofd rabbijn

Een belangrijke tegenstander van het verbod op onverdoofd ritueel slachten in het publieke debat was rabbijn Lody van de Kamp, raadslid voor het CDA in het Amsterdamse stadsdeel Zuideramstel. Hij was jarenlang sjocheet geweest, een Joods ritueel slachter. Hij voelde zich dan ook geslachtofferd door het voorstel van Thieme. De rabbijn, zijn collega’s en de voornaamste joodse organisaties probeerden met verschillende politieke partijen te onderhandelen en de religieuze bezwaren tegen het verbod goed kenbaar te maken. Van de Kamp had echter het gevoel dat seculier Nederland religieus Nederland niet meer serieus nam.  Alleen de christelijke partijen stemden op 28 juni immers tegen het verbod.

Van de Kamp was Begin 2011 had hij besloten een dagboek over de discussie bij te houden, om zijn gevoelens en gedachten goed op papier te zetten. Omdat de titel Dagboek van een onderhandelaar al was vergeven – dit boek van Ed van Thijn over de mislukte besprekingen over de formatie van een tweede kabinet-Den Uyl verscheen in 1978 – en Van de Kamp niet het gevoel had dat er echt werd onderhandeld, noemde hij zijn overpeinzingen Dagboek van een verdoofd rabbijn. Persoonlijke notities bij een politieke aardverschuiving.

Dat de Tweede Kamer in overgrote meerderheid voor het initiatiefwetsvoorstel van de Partij voor de Dieren stemde, betekende niet dat de strijd hiermee gestreden was. Het voorstel moest ook de Eerste Kamer passeren. Om druk op de senaat uit te oefenen richtte Lody van de Kamp samen met Ibrahim Wijbenga, voorzitter van het Islamitisch Begrafeniswezen en Eindhovens CDA-raadslid, een platform op. Hun actie ontsnapte niet aan de aandacht van de pers. Een jood en een moslim, beide actief voor een christelijke partij, die samen ten strijde trokken voor de Abrahamitische zaak, zoiets kwam niet vaak voor in Nederland. Het doel van dit platform, voorkomen dat er een verbod kwam op onverdoofd ritueel slachten, kreeg daarentegen veel minder aandacht.  Dit platform heeft niet echt een rol van betekenis gespeeld in de onderhandelingen met de politieke partijen. Wél de ‘officiële’ Joodse lobby, waarin PvdA’er Robbert Baruch een aardig inkijkje heeft gegeven in zijn lezing ‘Voor een broodje half-om. Over de lobby voor het behoud van de rituele slacht’. De samenwerking van moslims met deze joodse lobby verliep ook zeer hartelijk.

In het najaar van 2011 keerden de kansen. Op 20 oktober organiseerde de D66 Thema-afdeling Levensbeschouwing en Religie het ‘Grote Religiedebat’ in politiek café P96 in Amsterdam, waar onder andere over het verbod op onverdoofd ritueel slachten werd gesproken. Lody van de Kamp voelde zich wederom geslachtofferd.  Niet alleen omdat hij niet was uitgenodigd als panellid, maar ook omdat het debat plaatsvond tijdens Simcha Tora (Vreugde der Wet) en hij er dus sowieso niet bij kon zijn. Van de Kamp meende aanvankelijk dat er kwade opzet in het spel was. D66 zou bewust de joden willen uitsluiten van het debat, om op deze manier het slachtverbod ook door de Eerste Kamer te kunnen drukken. Deze samenzweringstheorie bleek op aannames en niet op feiten te berusten. Ten eerste was het onderwerp van de D66-debatavond, het zogenoemde D-Café, religie in het algemeen, en ging niet het alleen om het onverdoofd ritueel slachten. Ten tweede was het gewoon stom toeval dat het debat plaatsvond tijdens Simcha Tora. Ten slotte hadden de drie sprekers, GroenLinks-senator Ruard Ganzevoort, D66-Europarlementariër Sophie in ’t Veld en columnist Max Pam, zo hun twijfels over het slachtverbod, en was de meerderheid van de zaal bovendien tegen. Toen Van de Kamp het verslag van de discussieavond in de krant las, begon hij langzaam uit zijn verdoving te raken.

In december kwam de victorie, toen een meerderheid in de Eerste Kamer aangaf het voorstel van Thieme ondeugdelijk te vinden. Het klopte, zoals eerder opgemerkt, wettechnisch gezien niet, dat gelovigen moesten aantonen dat hun manier van slachten geen extra dierenleed veroorzaakte. Dit was een omkering van de bewijslast. Niet alleen de christelijke fracties, maar ook de fracties van VVD (bij monde van Schaap), PvdA, D66 en een deel van GroenLinks waren kritisch over het voorstel. Uiteindelijk verwierp de Eerste Kamer een half jaar later, op 19 juni 2012, het voorstel-Thieme. VVD, PvdA, D66 en de christelijke fracties stemden tegen, GroenLinks stemde verdeeld, de Partij voor de Dieren, de SP, de PVV en 50Plus waren voor.

Met deze uitslag was het voorgestelde verbod in ieder geval voorlopig van de baan. Een teleurgestelde Thieme kondigde wel aan met een nieuw voorstel te komen, waarin de bezwaren van de Eerste Kamer zouden worden meegenomen. Een nieuw voorstel is tot op heden echter nog niet ingediend. Staatssecretaris Henk Bleker van Landbouw probeerde met vertegenwoordigers van de joodse en islamitische gemeenschap tot een compromis te komen waardoor de kool en de geit zouden worden gespaard: het convenant. Lody van de Kamp wilde met zijn net opgerichte organisatie ook meedoen aan het overleg. Dit orgaan werd echter niet door de overheid erkend en ook niet door de officiële Nederlands-Joodse organisaties (NIK). Van de Kamp voelde zich weer buitengesloten.

Van de Kamps Dagboek van een verdoofd rabbijn geeft een goed beeld van hoe er in orthodox-joodse kringen gereageerd is op het verstrekkende voorstel van de Partij voor de Dieren. Van de Kamp verwijt de voorstanders van het verbod op onverdoofd ritueel slachten dat ze geen rekening wilden houden met minderheden en het debat uit de weg zijn gegaan. Van het laatste is Van de Kamp uiteindelijk teruggekomen, omdat D66 en GroenLinks tot dit debat uiteindelijk wel bereid bleken.

Het zwaarste verwijt is echter het verwijt van antisemitisme. Van de Kamp komt in zijn boek vaak met deze beschuldiging. Natuurlijk, de voorstanders van het verbod zijn volgens hem geen antisemieten en al helemaal niet te vergelijken met de nazi’s, maar hun mening ten aanzien van de rituele slacht is dat wel. Van de Kamp trekt telkens in zijn boek de vergelijking met de Jodenvervolging van vroegere eeuwen en met de Holocaust. Elke keer zegt hij dat de huidige tijd gans anders is en dat de Joden nu niet onderdrukt en vervolgd worden, maar door telkens de Jodenvervolging in herinnering te roepen maakt hij die vergelijking natuurlijk wel. Het verwijt van antisemitisme, dat door meer mensen is gemaakt, zorgt voor onnodige extra polarisatie. Voorstanders van het verbod op onverdoofd ritueel slachten, die dit puur en alleen willen omdat ze voor dierenrechten zijn, voelen zich hierdoor moreel gechanteerd.

Omdat het dagboek maar één kant van het verhaal vertelt is het natuurlijk niet objectief. De vraag is echter of er wel een objectief oordeel over het onverdoofd ritueel slachten gegeven kan worden. De discussie over een eventueel verbod op deze slacht is zo gepolariseerd en het wederzijds onbegrip zo groot, dat alles eigenlijk politiek geworden is, ook de ‘onafhankelijke’ onderzoeksrapporten. De Partij voor de Dieren beroept zich enthousiast op het ene rapport waarin staat dat onverdoofd ritueel slachten voor extra dierenleed zorgt, terwijl hun tegenstanders zich beroepen op een rapport waarin precies het tegenovergestelde staat. En hoewel Van de Kamp in vijf minuten kan uitleggen waarom het ritueel slachten door een sjocheet zeer zorgvuldig gebeurt en veel onnodig dierenleed wordt voorkomen, kan hij niet hard maken dat deze manier diervriendelijker is dan het verdoofd slachten in een abattoir. Je moet hem op zijn woord geloven. Zolang  er geen onomstreden onafhankelijke onderzoeksrapporten verschenen zijn en er geen schaap met spraakvermogen twee keer is opgestaan uit de dood – eerst na onverdoofd ritueel geslacht te zijn en vervolgens door verdoofd ritueel geslacht te zijn – en ons kan vertellen welke dood het meest pijnloos is, moeten we ons oordeel opschorten.

 

Christenen, joden en moslims

De christelijke partijen hebben in de discussie over het onverdoofd ritueel slachten een bijzondere rol gespeeld. Zij waren tijdens de stemming in de Tweede Kamer de enige partijen die opkwamen voor de godsdienstvrijheid van joden en moslims.

Het CDA kwam principieel op voor de vrijheid van niet-christenen om hun geloof te praktiseren, maar stelde zich tegelijkertijd compromisvol op.  CDA-Kamerlid Henk-Jan Ormel zei dat de godsdienstvrijheid van minderheidsgroepen voor zijn partij zwaar telde. Niettemin vond hij het niet erg als de regels extra zouden worden aangescherpt. Dieren mochten niet extra lijden vanwege de geloofsovertuiging van mensen.

De SGP nam het woord godsdienstvrijheid in de mond, maar kwam niet op voor de godsdienstvrijheid van moslims. SGP-Kamerlid Elbert Dijkgraaf vond dat alleen de islamitische slacht verboden moest worden. Dit standpunt nam hij niet alleen in omdat Dijkgraaf meende dat de Joodse slacht diervriendelijk was, maar ook en vooral omdat Nederland dankzij de Joods-christelijke traditie groot zou zijn geworden. Joden hoorden helemaal bij Nederland, moslims niet. De huidige wetgeving, die zoals al eerder geschetst een onderscheid maakt tussen aan de ene kant Joden en moslims die ritueel mogen slachten en aan de andere kant andere Nederlanders die dat niet mogen,

Het standpunt van de ChristenUnie stond tussen dat van het CDA en de SGP in. De ChristenUnie verdedigde in principe ook de godsdienstvrijheid van moslims, maar was in de praktijk vooral begaan met de godsdienstvrijheid van de joden en bejegende de islam kritischer. Net als Dijkgraaf maakte ChristenUnie-parlementariër Esmé Wiegman-Van Meppelen Scheppink een scherp onderscheid tussen de joodse en islamitische slacht:

 

“Marianne Thieme gooit met haar wetsvoorstel de Israëlitische en islamitische wijze van ritueel slachten op één hoop en gaat voorbij aan de wezenlijke verschillen tussen beide. Zo moeten Israëlitische slachters een opleiding gehad hebben, terwijl dat bij de islamitische slacht niet vereist is. Er zijn dus nog vele andere mogelijkheden om het dierenwelzijn en de slachtpraktijken te verbeteren zonder dat in de wet dicht te timmeren. Het raakt daarmee ook aan de godsdienstvrijheid die gelovigen hebben.”

 

Ook spraken ChristenUnie-vertegenwoordigers in de media hardop hun vrees uit dat de christenen hierna zouden worden aangepakt. Met name het pleidooi van Jeanine Hennis-Plasschaert om de vrijheid van godsdienst af te schaffen werd beschouwd als hét bewijs dat er een seculier offensief ophanden was. In een opinieartikel in de Volkskrant van 10 juni 2011, met als titel ‘Liberalen verdedig de vrijheid van godsdienst ook hier’, noemden Arie Slob en Gert-Jan Segers  alleen de joodse rituele slacht. De moslims kwamen alleen in het stuk voor als bedreigers van de godsdienstvrijheid, niet als mensen waarvoor je moest opkomen. Slob en Segers waren bovendien van mening dat het islamisme en secularisme verdacht veel op elkaar leken. Zoals de godsdienstvrijheid van christenen en joden in het Midden-Oosten werd bedreigd door de islam, zo werd hun godsdienstvrijheid in Nederland bedreigd door het secularisme. Slob en Segers riepen de VVD op om voor de ‘ware liberale’ koers van Frits Bolkestein te kiezen, die zich inzette voor de vrijheid van joden en christenen, en niet voor de seculiere koers van D66.

Het CDA was dus de enige partij die zich onvooringenomen inzette voor de godsdienstvrijheid van anderen. SGP en ChristenUnie namen het woord godsdienstvrijheid weliswaar in de mond, maar bedoelden hiermee eigenlijk alleen godsdienstvrijheid van joden en christenen. Volgens Bart Wallet hadden de kleine christelijke partijen hun monoculturele visie na 2001 ingewisseld voor een pro-religieuze visie. Dit klopt slechts voor de helft. Alleen ten aanzien van het Jodendom zijn ze echt van mening veranderd.

 

Het mes snijdt aan twee kanten

Het debat over de onverdoofde rituele slacht was zeer gepolariseerd. Het ging eigenlijk niet over de rituele slacht op zich, maar over hoe wij in Nederland met religieuze diversiteit en afwijkende normen en waarden zouden moeten omgaan. Waar seculieren nogal vaak de neiging hadden om de rituele slacht af te doen als een achterhaalde, achterlijke praktijk, kropen religieuzen soms te gemakkelijk in de slachtofferrol. Het CDA is eigenlijk de enige partij geweest die consequent ruimte vroeg voor andere religies om hun godsdienst uit te oefenen, en tegelijk rekening wilde blijven houden met de dierenrechten.

Het mooie van het debat over onverdoofd ritueel slachten is dat de seculiere partijen D66, GroenLinks, PvdA en VVD zich (deels) hebben laten overtuigen door de religieuze bezwaren, niet omdat ze deze bezwaren delen, maar omdat ze vinden dat hier ruimte voor moet zijn. Andersom zijn bezwaarden als Van de Kamp vanwege deze dialoog teruggekomen van hun vooroordelen jegens de seculieren. Voor een goede standpuntbepaling is een gesprek met de ander vaak heilzamer dan een vlammend opiniestuk. Het mes snijdt aan twee kanten.

 

Uitgelichte afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons