De Nationale Opera trapt haar vijftigste seizoen af met de productie waarmee het allemaal begon: Der Rosenkavalier van Richard Strauss. Marc Albrecht toont wederom waarom de opera’s van Strauss Chefsache zijn en laat zijn orkest en solisten stralen in een uitvoering om te jubelen. 

De Nationale Opera viert het komende seizoen het vijftigjarige jubileum, maar weigert op haar lauweren te rusten. Het hele seizoen kent slechts één reprise, die van de succesvolste (lees: meest verhuurde) productie: Dialogues des Carmélites van Poulenc. De rest van het seizoen is een mengeling van oud en nieuw, van wereldpremières en klassiekers in een nieuw jasje.

Met het hernemen van Der Rosenkavalier in een volledig nieuwe enscenering keert De Nationale Opera terug naar haar roots. Want toen de voorganger van De Nationale Opera in 1965 van start ging, was de eerste productie het bekendste en meest geliefde werk van Richard Strauss. Met een bijna volledig Nederlandse cast deed de toenmalige Nederlandse Operastichting voor het eerst van zich spreken. Vijftig jaar later zijn de technische mogelijkheden compleet veranderd en is De Nationale Opera een opera van wereldfaam met een internationale cast. Maar hoe mooi de enscenering of internationaal de cast ook, het gaat uiteindelijk om de kwaliteit van de muziek en die is onder Marc Albrecht uitmuntend. Zeker omdat Albrecht de laatste jaren – ook al voordat hij chef van De Nationale Opera werd – heeft bewezen dat de opera’s van Richard Strauss een tweede natuur voor hem zijn. Het is daarom des te passender dat onder leiding van Albrecht voor de start van dit jubileumseizoen niet alleen wordt teruggegrepen naar die eerste productie, maar meteen dus ook een componist die met Albrecht misschien wel zijn beste hedendaagse vertolker te pakken heeft.

Denkend aan Falstaff 

Na de perverse sensualiteit van Salome en het schokkende en gewelddadige Elektra componeerde Richard Strauss (1864-1949) zijn grootste en meest geliefde hit: Der Rosenkavalier. In deze komedie steekt Strauss de draak met de elite van het Habsburgse Rijk en hun preoccupatie met rangen en standen. En dan vooral het Wenen van de 18e eeuw waar Maria Theresia de scepter zwaaide. Een niet zo gekke inspiratie aangezien Der Rosenkavalier in 1911 in première ging. Toen Oostenrijk-Hongarije nog niet uit elkaar gevallen was door de Eerste Wereldoorlog en nog steeds werd geleid door Franz Joseph.

De Rosenkavalier is Octavian die de minnaar is van de vrouw van de Veldmaarschalk en daarmee de absolute top van de Weense elite als zijn minnares heeft. Bijna worden Octavian en zijn hoogedele minnares gesnapt door haar adellijke doch aan lager wal geraakte familielid Baron Ochs af Lerchenau. Door Octavian zich voor te laten doen als haar dienstmeisje weten de minnaars ontdekking te voorkomen, maar de immer flirtende (en vadsige en onbeleefde) Ochs ziet via het “dienstmeisje” zijn kans schoon om een nieuwe verovering aan zijn palmares toe te voegen. Dit terwijl hij op bezoek is bij de Vorstin Werdenberg voor haar suggestie voor de  selectie van de traditionele Ridder van de Roos.

Deze “Rosenkavalier” is de boodschapper van de wens van Ochs om te trouwen met Sophie, de dochter van Herr von Faninal. Wat deze Faninal in afkomst mist, maakt hij met zijn vermogen meer dan goed. Precies de combinatie die Ochs zoekt want deze adellijke charlatan bezit – op zijn naam na – niets van waarde meer. Om de onbeholpen boer die Ochs is in het ootje te nemen, stelt de vrouw van de Veldmaarschalk voor om Octavian dit klusje op te laten knappen. Aldus geschiedt en het kan natuurlijk niet uitblijven dat Octavian verliefd wordt op Sophie en een en ander vreselijk uit de hand loopt, maar ware liefde overwint. Dit alles ten koste van Ochs die ook kan doorgaan voor een ver familielid van Verdi’s Falstaff. Deze Falstaff is voor Strauss vast en zeker een deel van de inspiratie geweest voor deze heerlijke boef.

Een feest voor ogen en oren

Naast Strauss hebben Jan Philipp Gloger (regie) en Ben Baur (decor) zich misschien ook wel door Falstaff laten inspireren, maar dan de productie van De Nationale Opera uit het seizoen 2013/2014. De prachtige stijl van die Falstaff-productie komt terug in met name de tweede akte waar Octavian op een groot wit speelgoedpaard zijn entree maakt in een feesttent – een mooie vertaling van de nouveau riche die Herr von Faninal is net zoals de prachtige salon van de Vorstin Werdenberg symbool staat voor haar hoge afkomst. Dat de derde akte – in ogenschijnlijke tegenstelling tot de rest van de enscenering – plaatsvindt in een goedkoop en tikkeltje sleazy motel is zeer toepasselijk. Want juist daar wordt door het dunne laagje vernis dat de rangen en standen onderscheidt moeiteloos heen geprikt en wordt Ochs ontmaskerd en kan de ware liefde de hoofdrol opeisen. Een liefde die – gek genoeg – ondersteund wordt door de vorstin die gedwee Octavian laat aan Sophie en dit verloop zelf sterk regisseert. Tel daarbij op de uitstekende solisten – met name Camilla Nylund als soevereine Feldmarschallin en Peter Rose als de intens vrouwonvriendelijke Ochs – die De Nationale Opera voor deze seizoenstart heeft weten te strikken en natuurlijk het onder Albrecht immer excellerende Nederlands Philharmonisch Orkest en het is duidelijk: De Nationale Opera start haar jubileumseizoen met een jubelende start. Want de heerlijke fluwelen muziek van Richard Strauss wordt op en top gebracht door een heel fijne samensmelting van solisten, dirigent en orkest.

Ferdi de Lange (1980) recenseert onder andere boeken en concerten op zijn cultuurblog FerdiBlog. Met enige regelmaat recenseert Ferdi ook voor Jalta.