Het gedoe rondom Zwarte Piet heeft ook dit jaar weer de hele natie aan het sidderen gebracht. Pauw, DWDD en alle andere vergaarbakken van linksigheid gingen zich te buiten aan een orgie van zelfkastijding en masochisme. Ons werd opnieuw zeer duidelijk gemaakt dat we zelfs in ons meest naïeve folklorisme schuldig zijn; dat we heel erg slecht zijn; dat onze hele geschiedenis verschrikkelijk is en dat we – horribile dictu – ‘discrimineren’.

Discriminatie! Er zijn maar weinig woorden die zo’n uitwerking hebben op de moderne, van zijn nederlaag doordrongen mens. Oh nee! Ik ‘discrimineer’! Sinds 1983 is het zelfs verankerd in Artikel 1 van onze grondwet:

‘Discriminatie (…) op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’

Als zulks het eerste artikel is van onze hoogste wet – dan moet het toch voor iedereen duidelijk zijn dat dit niet kan!

Maar wat is ‘discriminatie’ dan eigenlijk? Wat is dit meest schandelijke van alle menselijke activiteiten? Al gauw merken we dat het niet zo eenvoudig is om vast te stellen. Neem het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Dit definieert het begrip als ‘het maken van ongeoorloofd onderscheid’. Ongeoorloofd onderscheid. Het lijkt een uitgemaakte zaak. Wie zou daar tegenin willen gaan?

Welk onderscheid is geoorloofd, en welk onderscheid is ongeoorloofd?

Artikel 1 - Nederlandse Grondwet

Artikel 1 – Nederlandse Grondwet

Maar opnieuw de vraag: wat is dat nu eigenlijk? Welbeschouwd brengt de definitie ons niet verder – want de vraag verschuift naar het begrip ‘ongeoorloofd’. Welk onderscheid is geoorloofd, en welk onderscheid is ongeoorloofd? Wie, of welke instantie, mag bepalen of het verschil dat ik wil maken toegestaan – gerechtvaardigd – is of niet?

Als we er even over nadenken, is dit ‘basisprincipe van onze democratie’ – zoals velen artikel 1 van de Grondwet noemen – lang niet zo helder als het in eerste instantie leek. Sterker nog: het is volkomen tautologisch. ‘Ongeoorloofd onderscheid maken is ongeoorloofd’. Hallelujah. Slechte dingen eten is slecht. Doodlopende wegen lopen dood. Als we het begrip ‘ongeoorloofd’ niet eerst definiëren is het hele argument – het ‘basisprincipe van onze democratie’ – niets meer dan gebakken lucht.

Toevallig wijdde het deftige Times Literary Supplement deze week een aantal pagina’s aan het begrip ‘discriminatie’. Het besprak onder meer het recente boek van de filosoof Angus Kennedy, prikkelend getiteld: ‘Being Cultured – In defence of discrimination’. U begrijpt: ik heb het meteen in huis gehaald.

Het boek start net als deze column vanuit de observatie dat ‘discriminatie’ in onze tijd als het ultieme verbod geldt. ‘Discriminatie wordt gezien als een terugkeer naar minder verlichte tijden’; ‘het is een ultieme veroordeling om te zeggen dat iets discriminerend is’. Vervolgens brengt de auteur in herinnering dat onderscheid maken – discernere in het Latijn – lange tijd juist als grote kwaliteit te boek stond. ‘A man of discriminatory qualities’ was iemand die in aanzien stond; die in staat was het goede, het rechtvaardige, het schone, te onderschieden van het slechte, het onrechtvaardige, het lelijke.

In kleurrijke hoofdstukken behandelt Being Cultured de lotgevallen van het begrip. Van Susan Sontag die beweerde ‘dat je geen keuze hoeft te maken tussen Dostojevski en The Doors’ tot Pierre Bourdieu die in elk esthetisch oordeel slechts een uitdrukking zag van sociologische onderscheidingsdrift. Het eindresultaat is dat alles nu ‘subjectief’ en ‘persoonlijk’ is geworden.

Het zwarte schaap

Het zwarte schaap

Maar in plaats van ons te bevrijden (de oorspronkelijke bedoeling), sluit dit ontbreken van ieder oordeel ons juist op in onszelf, schrijft Kennedy. Want als we niet meer mogen praten over wat in objectieve zin belangrijk of onbelangrijk is, als elk oordeel even ‘waar’ is: dan vervalt ieder verheffingsideaal. Het is een punt dat Theodore Dalrymple eerder ook al maakte: door te doen alsof elke ‘lifestyle’ even goed is, wordt – in naam van respect en gelijkwaardigheid – minder gefortuneerden juist de kans om hun milieu te ontstijgen en de maatschappelijke ladder te beklimmen ontnomen.

Daarbij is onderhuids nog iets anders gaande: impliciete zelfondermijning. ‘Als het doel van je cultuur “multicultuur” is’, analyseert de Canadese schrijver Mark Steyn, ‘zeg je eigenlijk dat je nergens in gelooft’ – in elk geval niet in jezelf. De discussie over Zwarte Piet is in dat opzicht illustratief – niet eens zozeer voor de strijd tegen ‘discriminatie’ (want hoe zou een toneelstukje kunnen discrimineren?) – maar vooral voor de manier waarop het discriminatie-discours wordt aangewend om ons ongemak met onze eigen cultuur uit te venten. Zeggen dat iets bij je gebruiken en tradities hoort en dat je er trots op bent: onderscheid maken, ‘discrimineren’ kortom: het mag niet, het kan niet. Maar met Angus Kennedy in de hand zou je het juist ook kunnen zien als een deugd.

Als het doel van je cultuur “multicultuur” is’, analyseert de Canadese schrijver Mark Steyn, ‘zeg je eigenlijk dat je nergens in gelooft’ – in elk geval niet in jezelf.

Referenties:

Angus Kennedy, Being Cultured. In defence of discrimination (Societas, Imprint Academic: Londen 2014)
236 pagina’s.
ISBN 9781845405700

Being Cultured

 

Mark Steyn, ‘On Multiculturalism’