Met ‘Die Man van Philips’ blikt voormalig Philips president-directeur Jan Timmer terug op zijn leven. Een leven in dienst van een toonaangevend concern dat van alomvattend en wereldwijd opererend conglomeraat nu verworden is tot vooral een HealthTech-bedrijf. Een autobiografie die op voorhand interessant is, maar helaas door gebrek aan focus blijft steken in oppervlakkigheid en onnodig gedateerd is.

 

De rijzige Jan Timmer (1933) is altijd een markante verschijning geweest. Niet in de laatste plaats door zijn befaamde bretels met smileys die door oud-minister Tineke Netelenbos ten onrechte aangezien werden voor doodshoofdjes. Een Captain of Industry die zijn gehele werkzame leven in dienst heeft gesteld van Philips en van 1990 tot 1996 als president-directeur de scepter over het omvangrijke concern zwaaide.  Een concern dat in grote problemen verkeerde en via de befaamde (en beruchte) Operatie Centurion op orde gebracht moest worden. Het is tekenend dat een Nederlandse topman zoveel bekendheid genoot én geniet. Maar nog meer dat een bezuinigingsoperatie zoals Centurion nog altijd zoveel herkenning oplevert. Jan Timmer was president-directeur van Philips tijdens mijn tienerjaren en zowel hij als Centurion zijn in mijn geheugen gegrift. Het is daarom niet meer dan treffend dat Timmer zijn autobiografie de titel ‘Die Man van Philips’ mee heeft gegeven. Een mooie samenvatting van de vereenzelviging van man en bedrijf. Tegelijkertijd ook een mooi moment – Timmer is inmiddels net 85 geworden – om zijn herinneringen aan het papier toe te vertrouwen én – voor het eerst – zich uit te laten over Philips na zijn afscheid in 1996.

 

Een boekje open

Timmer is daarbij kritisch over wat er met Philips sinds 1996 is gebeurd. Een concern dat vanwege de zogenaamde conglomeraatskorting zich rücksichtslos heeft gericht op aandeelhouderswaarde en daarmee een bedrijf in HealthTech heeft gecreëerd dat in niets meer lijkt op het aloude Philips dat in hoogtijdagen nog meer dan 400.000 werknemers wereldwijd had en de trots van het Nederlandse bedrijfsleven was. Wie echter denkt dat Timmer de mogelijkheid benut om zijn opvolgers – al dan niet terecht – de mantel uit te vegen, komt bedrogen uit. Timmer is opvallend geserreerd in zijn kritiek en plaatst zijn visie in een meer algemeen kader: tegen de enkelvoudige focus op aandeelhouderswaarde. Het is duidelijk – ook in de interviews naar aanleiding van de publicatie van Die Man van Philips – dat Timmer weinig op heeft met activistische aandeelhouders en dat het teruggeven van onder meer opbrengsten van de verkoop van bedrijfsonderdelen aan de aandeelhouders hem korte termijn-denken lijkt. Waarom het geld niet investeren in succes voor de lange termijn en meer rekening houden met alle stakeholders in plaats van alleen de aandeelhouder is zijn stelling.  Daarbij ook oog houdend voor symboliek en sentiment. Het zal daarom niet verbazen dat Timmer weinig opheeft met de toenmalige verhuizing van het hoofdkantoor van Philips van Eindhoven naar Amsterdam. Een verhuizing die hij zowel op objectieve als emotionele gronden bestrijdt. Een niet onverdienstelijk pleidooi van een man die hoog opgeeft van de familietrekken die de Philips-organisatie en de verbondenheid met de regio-Eindhoven.

 

Geen focus

Het moge duidelijk zijn dat het geen overdreven streling van het ego van Jan Timmer is geweest om te besluiten zijn herinneringen aan het papier toe te vertrouwen. Juist door zijn impact als toonaangevende stem in het bedrijfsleven en levenslange verbondenheid van Philips keek ik zeer uit naar deze autobiografie. Een biografie die gezien de ervaring van de hoofdpersoon met 256 pagina’s op voorhand aan de korte kant is. De jeugdjaren van Timmer in de Betuwe komen in een kort eerste hoofdstuk voorbij en tekenen meteen de grote veranderingen die Nederland en de wereld tijdens zijn leven ondergaan hebben. De beschrijvingen van zijn dorpse jeugd zijn voor kinderen die nu opgroeien onvoorstelbaar. Tegelijkertijd neemt hij ruim de tijd om zijn buitenlandse avonturen voor Philips, onder andere in Zuid-Afrika en Ethiopië, te larderen met zijn visie op de geschiedenis  én actualiteit van de betreffende landen. In beginsel zeer interessant, maar het valt op dat zijn analyses in de regel oppervlakkig zijn en het niveau van de gemiddelde krantenlezen niet bepaald overstijgen. Jammer daarbij is dat hij uitgebreid stil staat bij Jacob Zuma en het effect van zijn presidentschap op Zuid-Afrika. In het boek van Timmer is Zuma nog president, maar inmiddels is dat door de actualiteit achterhaald. Voor een dergelijke autobiografie is het jammer dat het meteen al zo gedateerd aan doet. Het onderstreept tegelijkertijd het gebrek aan focus en algemene onevenwichtigheid in het boek. Autobiografische schetsen worden afgewisseld met een analyse van het wel en wee van Philips na zijn vertrek, wat algemene noties over toezichthouden (vanuit zijn ervaring als commissaris bij onder andere PSV en de Nederlandse Spoorwegen), zijn (zeer interessante!) tijd bij Polygram, Operatie Centurion en nut en noodzaak van focus op aandeelhouderswaarde. De keuze van zijn opvolgers voor focus op HealthTech is al dan niet de juiste keuze, maar bij deze autobiografie had focus zeker geholpen. Timmer heeft ontzettend veel te vertellen, maar dat komt in Die Man van Philips onvoldoende uit de verf. En dat is jammer, want hoewel gemankeerd is het zeker op punten het lezen waard. Er had zoveel meer ingezeten terwijl nu slechts een conglomeraat aan oppervlakkige herinneringen en analyses resteert.

 

Foto: Wikimedia Commons

 

‘Die Man van Philips’ van Jan Timmer is vorige maand verschenen en wordt door Prometheus uitgegeven.