Wat hebben A Clockwork Orange en Apocalypse Now met elkaar gemeen? Ja, ze zijn beide in de jaren ’70 verschenen. En het zijn mooie films. Maar ook: de boosdoeners zijn dol op klassieke muziek.

Volgens de Britse filosoof Angus Kennedy is het een Hollywood-cliché dat een échte boef niet luistert naar rapmuziek of heavy metal, maar naar Mozart. Zijn recent verschenen boek Being Cultured: In defence of discrimination raakt vele onderhuidse kwesties van onze tijd. Eerder heb ik al beschreven hoe het boek me aan het denken zette over Zwarte Piet. Maar dit is een andere interessante gedachte van de auteur: ‘Als een zichzelf respecterende aartscrimineel in een Hollywood-film de hele mensheid aan zich wil onderwerpen, luistert hij naar klassieke muziek om in de stemming te komen.’

Hoe komt dit? Sterker nog: hoe kan dit? Volgens Kennedy valt het cliché uiteindelijk terug te voeren op de Tweede Wereldoorlog. Het doodse classicisme dat de nazi’s aanhingen; Hitlers tranen bij Wagner, de kampbewaarders die ’s avonds naar Schubert luisterden: de klassieke muziektraditie is ermee besmeurd geraakt en filmregisseurs kunnen daar nog steeds uit putten om ons aan wérkelijke slechtheid te herinneren.

‘De andere kant van de medaille’, en hier begint de eigenlijke tragedie, ‘is dat alles waar de Nazi’s een hekel aan hadden automatisch goed moest zijn.’ Dus financierde het Amerikaanse leger als onderdeel van het denazificatieprogramma bijvoorbeeld de belangrijke componistenopleiding in Darmstadt. Op deze school mochten Pierre Boulez en Karlheinz Stockhausen een nieuwe generatie musici ‘opleiden in stijlen die zo formalistisch waren dat ze nooit voor enig politiek doel gebruikt zouden kunnen worden.’ De muziek – voor zover je het zo kunt noemen – die deze mensen voortbrachten kent geen melodie, geen harmonie en geen ritmische structuur. Zij biedt geen enkel oriëntatiepunt meer voor de luisteraar en drukt niets anders uit dan vervreemding. Zo werd alles dat ooit als ‘entartet’ bestempeld was per decreet tot meesterwerk verheven: veel te veel eer voor de nazi’s als je er even over nadenkt.

Maar helaas ligt deze antikunst nog lang niet achter ons. Zo werd vorige maand een Nederlandse ‘componist des vaderlands’ benoemd, Willem Jeths. Zijn werk voldoet netjes aan de criteria voor onherkenbaarheid en vervreemding die ooit door het denazificatieprogramma werden opgesteld. Het kent geen melodie, geen harmonie en geen herkenbare ritmische structuur. Het is wat men vroeger ‘lelijk’ noemde (en tegenwoordig ‘interessant’). Toen ik hem jaren geleden eens interviewde en hem de weerzinwekkendheid van moderne composities voorlegde haalde hij zijn schouders op en citeerde instemmend Lucebert: ‘de schoonheid heeft haar gezicht verbrand.’

En de tragedie gaat nog verder. Want het enthousiasme voor anti-kunst is helaas niet beperkt gebleven tot de muziek: we vinden haar ook terug in de beeldende kunst. Kennedy brengt in herinnering dat de CIA decennialang abstracte, expressionistische kliederwerken – van bijvoorbeeld Pollock, Rothko en De Kooning – financierde. Niet alleen omdat het werk van deze ‘kunstenaars’ haaks stond op alles wat de nazi’s hadden voorgestaan, maar ook omdat het volgens de geheime dienst zo mooi ‘contrasteerde’ met de Sovjetunie. Wederom werd dus uitsluitend uit negatieve overwegingen gekozen voor een bepaalde kunststroming – en werden via stichtingen als het Congress for Cultural Freedom grote overzichtstentoonstellingen georganiseerd en gepromoot die anders waarschijnlijk door niemand zouden zijn betaald en bezocht.

In ‘De mens in opstand’ schrijft de Franse filosoof Albert Camus dat vijandschap tegenover kunst kenmerkend is voor alle revolutionaire bewegingen – van Plato tot de Reformatie. Ook de Franse Revolutie bracht volgens hem ‘geen enkele kunstenaar voort’. Het interessante aan de revolutionairen van onze tijd – de modernisten, de oikofoben – is dat ze hun vijandschap verpakken als vriendschap. Hoe briljant, om mooie (dus melodieuze, harmonische) muziek systematisch te associëren met slechtheid. Hoe briljant, om een ‘componist des vaderlands’ te benoemen die slechts klanken voortbrengt die glazen doen barsten (en die inderdaad brekend glas dikwijls als ‘geluidsbron’ opvoert in zijn werk). Hoe briljant, om het tegenovergestelde van schilderkunst als ‘schilderkunst’ te presenteren! Meestal ben ik hoopvol en strijdbaar. Maar bij dit soort benoemingen denk ik: we zijn verloren.