Trillings levensfilosofie is fijnzinnig en waardevol, maar ze leert ons niet hoe we moeten leven.

Daniël Boomsma schreef op Jalta een schitterend tweeluik over het leven en denken van Lionel Trilling. Met buitengewone kennis van zaken poetst Boomsma de belangrijkste facetten van Trillings denken op. Er tekent zich een beeld af van een negentiende-eeuwse Socrates. Iemand die twijfel zaait over ingenomen stellingen en sleetse denkpatronen. Maar ook iemand die zelf nauwelijks en alleen omfloerst positie kiest, en daardoor een onbehaaglijk gevoel oproept.

Trilling was in zekere zin een praktische filosoof. Hij schreef over de inherente verbondenheid van goed en kwaad (‘goed-en-kwaad’), over het leven tussen extremen; over de blindheid het eerste niet te zien en de verleiding om de middenpositie van het laatste te verlaten. Het is een complexe denkwereld vol subtiliteiten, waarin geen plaats is voor ingekookte en stroperige principes, omdat die geen recht doen aan het morele positiespel van het dagelijks leven.

Afstandelijkheid

Het is daarom natuurlijk dat Trilling principes altijd met afstandelijkheid benadert. Het leven laat immers zien dat principes op de werkelijkheid kunnen stoten – en de werkelijkheid moet prevaleren. Trilling komt tot die conclusie omdat hij de starre axiomatisering van de geschiedenis heeft doordacht in haar radicale consequenties. Wie de geschiedenis verbindt met principes en noodzakelijkheid, eindigt met het marxisme. Hij heeft gelijk.

Buiten dat, laat het de lezer ook in verwarring achter. Natuurlijk is niet alles in het leven zwart of wit en natuurlijk passen principes niet altijd. Dat onderkennen is echter niet per se een recept voor beschaving. Het is eerder een beschrijving van de werkelijkheid, geen duidelijke richtlijn voor het goede leven.

Misschien is het als lessen trekken uit het verleden. Individuele historische episoden kunnen ons iets vertellen over onszelf en anderen, over hoe te handelen. Ze kunnen een leidraad zijn als het heden en verleden voldoende op elkaar lijken. Maar uit die individuele lessen is geen principe te abstraheren, zo blijkt bij nadere inspectie van het lemma ‘historische principes’.

Ook in de praktische filosofie is er niet altijd plaats voor principes en rigide consistentie. Zoals Boomsma schrijft: ‘[Dat] is ”the honest place in between”, de gedachte dat conflicterende ideeën en principes in één wereldbeeld kunnen bestaan in een wankel evenwicht, en dat denken dus een onafgebroken worsteling is.’ Het product van erkenning van dit wankele evenwicht is intellectuele nieuwsgierigheid.

Relativisme

Mijn voornaamste probleem hiermee is dat het al een intellectueel substraat veronderstelt. Het veronderstelt een liberaal-humanistische vorming waarin de kaders van het denken al zijn afgegrendeld. Is dat kader er niet, dan verwordt de erkenning van de vele grijstinten in het morele en politieke domein tot een gemakzuchtig relativisme. Er moet, in andere woorden, een aantal principes van het denken liggen, voordat een mens zich een plek tussen de uitersten kan veroorloven.

Trilling legt zich neer bij de contradicties die ons wereldbeeld (ont)sieren. Maar op basis van een contradictie volgt alles, is alles toegestaan. Het idee ‘goed-en-kwaad’ is wat een logicus zou kunnen omschrijven als een zuivere contradictie, als ‘p en niet-p’. In logische zin is de erkenning van contradicties een gekmakend bewijs voor alles.

Trilling laat mij niet zien hoe we daar uitkomen. Er kan geen sprake zijn van een serieuze intellectuele worsteling, als we voortdurend en per definitie opteren voor het midden. Dat is denken in inconsistenties. Dat is zeker niet wat Trilling bedoeld heeft, maar dat is mijn punt: hij veronderstelt een bepaalde meta-positie die voorafgaat aan het positiespel van het morele leven. Wellicht dat die positie te destilleren is uit zijn werk, maar dan is dat een kwestie van casuïstiek die ons nooit tot leefregels zal leiden. In die zin is de kritiek dat Trilling geen kant wilde kiezen, niet waar. De vraag is veeleer op basis waarvan hij zijn plaats kiest.