De kunst is een gebied waarop links zich al meer dan een eeuw flink heeft kunnen profileren. En alhoewel de maatschappelijke rol van de geëngageerde kunstenaar een beetje uitgespeeld lijkt, willen we toch even onze erkentelijkheid uiten voor al alle getoonde creativiteit. Hoe uitgesproken lelijk die soms ook is.

Tot de Romantiek, die zijn hoogtijdagen beleefde in de eerste helft van de 19e eeuw, was het in principe vrij eenvoudig om kunstenaar te zijn. Je maakte wat je opdrachtgevers bestelden – en dan hebben we het in het algemeen over de kerk, de adel en (later) de bourgeoisie. Kortom, de rijken en machtigen. Wat je zelf graag wilde maken, deed er niet toe. Toen Rembrandt bedelaars en misdadigers ging portretteren werd hij uitgelachen, want wie wilde dat nu aan zijn muur? Die troep raakte je aan de straatstenen niet kwijt. En dat is nou juist waar het om ging; als kunstenaar stond je min of meer in dienst van de maatschappij en diende je aan bepaalde verwachtingen te voldoen. Je creëerde voor je afzetmarkt. Artistieke vrijheid was vaak ver te zoeken, maar dat veranderde toen de Romantiek zijn intrede deed, plotseling werd kunst een synoniem van vrijheid. De identiteit en eigenheid van de kunstenaar kregen ruim baan en bepaalden voortaan wat er geschilderd, geboetseerd of gebeeldhouwd werd. Niet de samenleving maar de artiest zelf (en zijn ego voorop) stond voortaan centraal. In zijn domein, waar hij zich lekker weinig van de mening van anderen hoefde aan te trekken, golden eigen regels en wetten. Het was afgelopen met de dienstbaarheid.

Foto 1 - Ai-Weiwei-Colored-Vases1

Ai Weiwei – Gekleurde vazen (2007-2010)

Dat hebben we geweten. Was het culturele landschap tot de 19e eeuw nog enigszins overzichtelijk, vanaf die periode vliegen allerhande stromingen je om de oren, de ene met meer succes dan de andere. Aan diversiteit geen gebrek dus, maar op de lange termijn kun je stellen dat de kunst behoorlijk aan het verliezen is op twee andere gebieden: op dat van de schoonheid en, misschien nog wel belangrijker, op het gebied van de maatschappelijke impact. En dat allemaal onder het toeziend oog van links. Want dat kunst steeds linkser is geworden, lijdt geen twijfel. Aanvankelijk gebeurde dat nog een beetje per ongeluk, als een soort bijproduct van de nieuwe artistieke vrijheid, maar sinds de jaren 20 van de vorige eeuw kun je toch wel stellen dat geëngageerde kunst en ‘links’ twee handen op één buik zijn. Niet heel opmerkelijk overigens, want kunst is -net zoals bijvoorbeeld journalistiek- een reactie op het politieke klimaat. Met name de hedendaagse kunst kan worden beschouwd als één grote aanklacht tegen de heersende macht. En aangezien die macht toch voornamelijk bij rechts ligt, komt de kunst van links. Van Victor Hugo die in 1862 in zijn roman ‘Les Misérables’ (De Ellendigen) de sociale ongelijkheid aan de kaak stelde tot de Chinese kunstenaar Ai Weiwei (1957), die bekend staat om zijn kritiek op de regering in zijn land en wordt beschouwd als één van de belangrijkste kunstenaars van deze tijd, het zijn over het algemeen ‘linkse’ geluiden die het op moeten nemen tegen het ‘rechtse’ establishment.

Hans den Hartog Jager, kunsthistoricus en -criticus, publiceerde vorig jaar zijn boek ‘Het streven’, waarin hij de vraag stelt of moderne kunst de wereld kan verbeteren. Want dat is wat de meeste linkse kunstenaars willen: dat hun betrokkenheid invloed heeft. Dat ze bepaalde zaken niet alleen kunnen aankaarten maar ook kunnen veranderen. Maar de komst van de creatieve vrijheid in de 19e eeuw bleek een keerzijde te hebben: de haast strikte scheiding tussen kunst en maatschappij. Bijna vergelijkbaar met de scheiding tussen kerk en staat, alleen iets minder officieel. En natuurlijk zijn er raakvlakken en overlappingen, maar toch kun je zeggen dat die felbegeerde artistieke vrijheid met een prijs kwam: het inleveren van maatschappelijke invloed. Experimenteren met nieuwe ideetjes? Tuurlijk, hartstikke leuk, maar houd je dan vooral met de kunst bezig in je atelier en laat de ‘gewone’ mensen zich met het leven van alledag bemoeien. En ja, die stilzwijgende regeling boekte wél resultaat, want -zoals al eerder opgemerkt- de nieuwe kunststromingen die de wereld in werden geslingerd, waren niet meer te tellen. Van art nouveau tot het kubisme en van het impressionisme tot Cobra, het was allemaal het resultaat van de ongelimiteerde artistieke vrijheid -en de royale steun van de overheid-  waar kunstenaars van konden genieten. Ook al was hun aandeel in het maatschappelijke debat te verwaarlozen, van de kunst werd toch verwacht dat zij wist te prikkelen.

Damien Hirst Unveils Major New Work

Damien Hirst – For the Love of God (2007)

Dat, volgens Den Hartog Jager, is nu juist wat er heden ten dage aan schort. Sorry links, maar de geëngageerde kunst is voorspelbaar geworden. Sowieso zijn in ons eigen land veel sociale misstanden wel zo’n beetje opgelost, maar belangrijker nog: waarom, als je maatschappelijk ‘het verschil’ wilt maken, zou je je beperken tot de kunst? Ga de politiek in of ga actievoeren. Dat lijkt een stuk logischer –en de kans om resultaat te boeken is aanzienlijk groter. Maar als je dan toch voor de artistieke invalshoek kiest, is het belangrijk om te blijven vernieuwen, uit te dagen. Daar schort het tegenwoordig nogal aan. Men neemt klakkeloos aan dat het wel snor zit met de vooruitstrevendheid en linksheid van kunst, terwijl ze intussen keihard wordt ingehaald door ‘rechtse’ kunstenaars als Jeff Koons en Damien Hirst, die met hun opvallende werk (denk aan de kitscherige Balloon Dog of de platina schedels ingelegd met diamanten) in ieder geval hun best doen om tegen heilige huisjes aan te schoppen. Links is op zijn lauweren gaan rusten, is een cliché geworden en zal, om een rol van betekenis te blijven spelen, nieuwe wegen moeten inslaan. En anders is het misschien een idee om gewoon de macht te grijpen, laat rechtse kunstenaars het stokje maar eens overnemen. Eens zien wat voor inspirerende kunst dat op gaat leveren!

Maar goed, ik zei aan het begin van dit stuk al dat we links natuurlijk wel iets verschuldigd zijn. Denk eens in hoe droog en schraal het artistieke landschap geweest zou zijn zonder al die maatschappelijk betrokken uitingen van onvrede. En waren die creaties aanvankelijk nog esthetisch verantwoord (lees: mooi) en dus een genot om naar te kijken, kwam daar abrupt een eind aan in de jaren 60 van de vorige eeuw toen er een heuse culturele revolutie plaatsvond die korte metten maakt met het idee dat kunst diende te behagen. Al tijdens de Romantiek was er een fascinatie voor het sublieme ontstaan, schoonheid die de diepste emoties van de kunstenaar blootlegde en die naast bewondering ook andere gevoelens opriep, zoals angst, verbijstering en afschuw, maar… het was toen nog steeds allemaal heel mooi om te zien. Den Hartog Jager schreef in 2012 in zijn essay ‘Het sublieme: het einde van de schoonheid en een nieuw begin’ dat, toen Mark Rothko in 1970 zijn laatste doeken had geschilderd, dat het einde betekende van de schoonheid in de moderne kunst. Wie het late werk van Rothko wel eens heeft gezien die begrijpt meteen wat hij bedoelt.

Foto 3 - RothkoBlackGray

Mark Rothko – Black and Grey (1970)

Rijst natuurlijk de vraag of schoonheid wel een plaats heeft in de hedendaagse kunst. Het verlangen ernaar is nooit verdwenen, vooral het grote publiek heeft de weg naar die rare experimentele fratsen nooit kunnen vinden (niet dat de kunstenaars in kwestie dat erg vonden –hoe minder publiek hoe beter, leek het) en de laatste jaren is de schoonheid gelukkig op de weg terug. We moeten het begrip alleen wel iets anders gaan definiëren. Het esthetische ideaal is voorgoed verleden tijd, maar het sublieme – de kracht om mensen de wereld om hen heen te doen vergeten en die diepe emoties naar boven te halen – is weer volop aanwezig in de kunst. Dank daarvoor. Maar ook voor de soms uitgesproken lelijkheid, onbegrijpelijkheid en gekkigheid van stromingen uit de afgelopen decennia; we hebben ons kostelijk vermaakt. Nu nog even een nieuwe maatschappelijke rol vinden voor de moderne kunst en we kunnen weer een tijdje voort.