Wat hebben componist Edvard Grieg, toppianist Leif Ove Andsnes en het Bergen Philharmonisch Orkest gemeen? Ze komen allen voort uit Bergen, de tweede stad van Noorwegen. En tijdens de Robeco SummerNights laat Andrew Litton horen dat de Noren over bergen muzikaliteit beschikken. In een programma van Svendsen, Mendelssohn en Stravinsky komen oerkracht en romantiek fijn samen. Maar de toegiften maken het feest pas echt compleet. 

Het aardige aan de Robeco SummerNights is dat je – veel meer dan tijdens het reguliere concertseizoen – in aanraking komt met juweeltjes van buitenlandse orkesten. Het Bergen Philharmonisch Orkest uit Noorwegen is er één van. Opgericht in 1765 is dit één van de oudste orkesten ter wereld. Het kan onder andere bogen op stadsgenoot Edvard Grieg als artistiek directeur. Sinds 2003 is de Amerikaan Andrew Litton chef-dirigent, maar dit en andere zomeroptredens zijn wel zijn laatste concerten in die functie. Met ingang van het komende seizoen wordt hij opgevolgd door de Britse Edward Gardner.

Onder Litton’s leiding heeft het orkest internationaal faam gemaakt. Het kan bogen op een serie van goede opnames. Iets wat in het staartje van het concert nog zou terugkomen. Met een programma zonder rode draad, maar wel met klassiekers als het Vioolconcert van Mendelssohn en Le Sacre du Printemps van Stravinsky weet Litton hoe hij een show moet maken. Een show die vooral big and brassy is en al met al bepaald geen straf.

Intense concentratie

Ondersteund door de warmte van de uitstekende sectie violen vond het concert een aftrap in het eendelige orkestwerk Carnaval in Parijs van de Noorse componist Johan Svendsen (1840-1911). Een ongecompliceerde kickstarter die weinig klinkt als Noorwegen, maar meer op zijn plaats is in de carnavaleske feestjes van de grote Europese hoofdsteden (waaronder natuurlijk Parijs). In dit stuk is meteen de aanpak van Litton zichtbaar: een goede chemie met zijn orkest, uitstekende techniek en vooral de focus op show. Dat laat onverlet dat Litton de kunst van begeleiding zonder meer verstaat, want in het overbekende Vioolconcert van Mendelssohn houdt hij weliswaar van een stevig (doch niet vervelend) tempo, maar geeft hij tegelijkertijd alle ruimte aan soliste Alina Ibragimova om te schitteren. Een soliste die overigens ook letterlijk ruimte nodig had, aangezien na haar opkomst de eerste violen toch echt nog een stuk naar achter moesten om haar ruimte te geven tot hoorbare hilariteit van Litton die (gelukkig) weinig met decorum opheeft. Die ruimte had de virtuoos spelende Ibragimova ook muzikaal nodig aangezien zij volledig opgaat in haar spel. Pas in het derde en laatste deel leek ze wat los te komen van haar in zichzelf gekeerde concentratie en zoch ze de communicatie met het orkest. Het leek ook wel of ze zelf het meeste van dit deel genoot, hoewel de kwaliteit van haar spel ook in de andere twee delen boven elke twijfel verheven waren.

Even schrikken

Na de pauze moesten Litton en zijn orkest het doen zonder een solist, maar ook zonder dansers. Want Le Sacre du Printemps – dat in 1913 bij de premiere voor een groot schandaal zorgde – is natuurlijk muziek ter begeleiding van “schandalig” ballet, maar wordt al heel lang en succesvol als zuiver orkestwerk gespeeld. Luisterend naar het werk dat oerkracht verbeeldt en wel heel ver verwijderd is van de verfijnde Romantiek van bijvoorbeeld Mendelssohn vraag je je toch af wat het schandalige nou precies was. Desalniettemin wist Litton door een aanpak die alleen maar valt te omschrijven als big and brassy het revolutionaire karakter van dit werk goed te onderstrepen. Litton en zijn orkest pakten massief uit en deden het Concertgebouw op haar grondvesten schudden en een enkele (wat oudere) bezoeker de oren bedekken. Opvallende daarbij was overigens dat de kwaliteit van de houtblazers, met name bij het belangrijke begin, het een beetje liet afweten. Een smetje op een verder spectaculaire uitvoering. En overigens was de uitvoering niet geheel gespeend van dans, want wie de wat lomp doch zeer effectief dirigerende Litton bezig zag, kon daar zonder meer de oerdansen van de Ballets Russes in ontwaren.

Aangemoedigd door het enthousiasme van het publiek en zijn laatste dagen als chef-dirigent kwam het niet tot één maar twee toegiften. Toegiften die niet geheel toevallig ook wezen op de opnames die Litton met het orkest heeft gemaakt, iets waar hij ook nog even op wees. Zakelijk inzicht kan hem niet ontzegd worden… En wat een toegiften! Want een fijne uitvoering van Ases Dood uit Grieg’s Peer Gynt benadrukte niet alleen de goede vioolsectie, maar ook de Noorse heritage van het orkest wiens opnames van met name Grieg zeer goed gewaardeerd worden. Daar waar deze toegift alleen het thema dood gemeen heeft met de Sacre, daar was de tweede toegift het antwoord van Prokofjev hierop. Want het tweede deel De kwaadaardige God en de heidense monsters uit de Scythische Suite kanaliseert op muzikale wijze dezelfde oerkracht die ten grondslag ligt aan Stravinsky’s revolutionaire werk. Met dit spetterende slotakkoord rondde Litton het programma in stijl af en bracht hij het geheel naar een hoger niveau. Edward Gardner stapt in een gespreid bedje, maar zal ook moeten bewijzen of hij de chemie tussen orkest en Litton kan evenaren.

In het kader van de Robeco SummerNights trad het Bergen Philharmonisch Orkest onder leiding van Andrew Litton en met Alina Ibragimov op in het Concertgebouw op 26 augustus. Een dag later treedt het orkest in grotendeels hetzelfde programma op tijdens de BBC Proms.

Ferdi de Lange (1980) recenseert onder andere boeken en concerten op zijn cultuurblog FerdiBlog. Met enige regelmaat recenseert Ferdi ook voor Jalta.