Het is op rechts goede gewoonte om de gedachtenkronkels van schrijver-columnist Arnon Grunberg af te doen als geraaskal van een onthechte geest. Daarmee doen we de man en zijn denken echter tekort. Achter de gevels van ironie en absurdisme gaat een originele denker schuil.

‘In Duitsland is de schrijver een moreel baken, een hogepriester. In Nederland is dat anders.’ Aldus Arnon Grunberg in een van zijn Voetnootjes. Wat Grunberg zelf dagelijks op de voorpagina van de Volkskrant schrijft, is daarom in ten minste nog een opzicht ironisch. Niet dat Grunberg per se een hogepriester is. Hij is veeleer een orakel, dat zich van aforismen en absurdismen bedient om het onbegrip van zijn publiek volledig uit te buiten. Zijn ideeën lijken doorgaans bijgesneden gelegenheidsargumenten en zijn conclusies staan soms scheef op wankele premissen. Geen wonder dat geen lezer na al die honderden Voetnootjes kan uitleggen wat nu precies het gedachtegoed en de positie van Arnon Grunberg zijn.

Het is ogenschijnlijk gemakkelijk te wachten tot hij weer eens iets absurds schrijft en daar vervolgens de kachel mee aan te maken. Maar de crux zit hem in ‘ogenschijnlijk’. Grunbergs denken oogt wellicht als een eclectische verzameling van irritant absurde gedachtenspinsels, maar achter het absurdisme gaat wel degelijk een orde van originele en radicale inzichten schuil. Het zou dan ook te makkelijk zijn hem vast te pinnen op honderd idiote uitspraken en hem daarna terzijde te schuiven als gewoon weer een slechtverklede progressief die maar geen afstand kan nemen van de zondvloed van na 1968. Sterker nog: dat zou intellectueel oneerlijk zijn. 

Grunberg presenteert zich als een in bijna alle opzichten ontwortelde observator. Zijn analyses werpen iedere schijn van vooringenomenheid van zich af. Zijn retorische vragen en ondermijnende conclusies lijken haast dwingend te volgen uit zijn belangeloze argumenten. Achter de vernis van ironie en contradictie schuilt echter wel degelijk een auteur die consequent positie kiest. Zijn vorm doet zijn inhoud tekort, de mistige ironie verbergt glasheldere ideeën. Grunberg heeft een ijzeren programma dat hij elke dag uitvent.

Een jaar Voetnootjes

Om dat programma in kaart te brengen, heb ik een jaar lang zijn Voetnootjes gevolgd. Over de veelbeschreven moeder van de Norman Bates der Nederlandse letteren gaan we het niet hebben. Wij zijn geïnteresseerd in het ideeënresidu dat achterblijft na filtering van zijn stukjes. We kunnen drie kernelementen in Grunbergs positiespel onderscheiden: economisch reductionisme, individualisme en mededogen met vluchtelingen. Zoals we zullen zien zijn deze elementen niet zonder problemen, maar ze vormen een drieëenheid met een doel: het zijn de stellingen van waaruit Grunberg zijn demonen beschiet. Hij heeft een diepe afkeer van staatsmacht, moraliteit en ieder wij-besef, in het bijzonder de natie. Als terugkerende thema’s vinden we verder haat tegen de persoon en het beleid van Fred Teeven, de gebruikelijke Westerse zelfkastijding, gecombineerd met een half welwillende positie ten opzichte van de Verenigde Staten, alsmede een fascinatie met seksualiteit. Maar dat is bijvangst die het bord niet heeft gehaald.

Reductie ter ridiculisering

‘Je hoeft geen marxist te zijn om te beseffen dat alles vooral economie is. Van liefde via seks en onderwijs tot religie: economie.’ Het lijkt me evident dat je wel degelijk marxist moet zijn om deze uitspraak te doen, maar vooruit. Volgens Grunberg raakt de economische wetenschap aan de menselijke essentie. Onze essentie is kennelijk die van een economisch denkend en handelend mens. Zijn vertrekpunt is echter niet het naïeve optimisme van de homo economicus, maar een mens die tot de ‘wilde beesten en de gevallen engelen’ behoort. Eigenbelang is wat het economische roofdier najaagt. Wat voor Ayn Rand nog een ideaal is, is voor Grunberg een feitelijke constatering. Een pessimistische constatering, want zo’n mooi wezen is de mens niet. Als je tenminste bereid bent hem te denken in zuiver economische termen. Dan stel je, zoals Grunberg, namens de mensheid de existentiële vraag of het ‘uitsterven van de mensen erger dan dat van bijvoorbeeld de dinosaurussen is’. Toch dient zijn mensbeeld met een zekere berusting geaccepteerd te worden: de dingen zijn zoals ze zijn.

Grunbergs mensbeeld hangt nauw samen met een wereldbeeld dat eveneens doortrokken is van economie. Probleem daarmee is dat dit begrip bij hem zo alomvattend is dat de betekenis ervan vervaagt. ‘Economie’ dient zowel ter uitdrukking van onze zelfzuchtigheid, ter karakterisering van de dynamiek van menselijke samenlevingen en als ontmaskering van moraal en cultuur. Het is allemaal een beetje veel. Een term die alles betekent, is niet bijzonder veelzeggend. Natuurlijk, het retorische effect is sterk als de lezer krijgt opgedrongen dat hij niet meer is dan een dier met economische instincten, maar we weten niet precies wat die degradatie betekent. Bovendien wordt niet duidelijk of de reductie van de mens tot economische alleseter de oermens blootlegt, of dat de oermens juist tot consument is gedisciplineerd.

Sterk door Foucault beïnvloed schrijft Grunberg namelijk ook gerust: ‘Controle en manipulatie, denk aan sociale media, zijn al ingenieus en zullen nog ingenieuzer worden. Sinds 1914 zijn de ingenieurs van de ziel er behoorlijk op vooruitgegaan. De mens is bestuurbaar’. Grunberg beweert dat we hetzelfde zien wat betreft de medicalisering van mens en maatschappij. ‘Verdere medicalisering van maatschappelijke problemen lijkt mij onafwendbaar. En als je moet kiezen tussen gekalmeerd worden door de oproerpolitie of door een vriendelijke arts en een behulpzame apotheker, dan kies je toch voor arts en apotheker?’ One flew over the Cuckoo’s nest wordt gerechtvaardigd door het eeuwige economische argument: ‘dat is voor iedereen gunstig; dit zal namelijk bijdragen aan economische groei’.

Hier zien we niet het gemankeerde beest maar de gedisciplineerde en gemedicaliseerde consument. Het maakt voor Grunbergs punt niet uit: economie beheerst zowel beesten als consumenten. In ieder geval moet de mens zich niets in zijn hoofd halen. Wij zijn niet beschaafd, wij lijden hooguit aan kinderlijke overmoed het tegendeel te denken. De extreme reductio ad economicum is niet incompatibel met de ‘overtuigde kapitalist’ die Grunberg aangeeft te zijn, maar ‘economie’ als ultiem verklaringsmodel is even vaag als onhoudbaar. Het gaat hem dan ook niet om een daadwerkelijke verklaring van menselijk gedrag, lijkt het, maar om een frame dat de mens ridiculiseert tot een wilde met een boodschappenkarretje.

Economie verdrukt namelijk een van de essentialia van de mens: moraal. Wat de mens boven de meeste dieren doet uitstijgen, is het bedenken en navolgen van moraal. Voor Grunberg is moraal echter gevaarlijk. Ontkenning van dit gevaar zou getuigen van een al even gevaarlijk wensdenken. Moraal moet overwoekerd door zijn economisme. Voor Marx kwam de moraal nog na het eten, volgens Grunberg moeten we ons onder geen beding tegoed doen aan dit volksopium. Moraal is op zijn best infantiel en op zijn slechts een voorwendsel voor een progrom. Grunbergs ideale mens blijft dus een beest – pre-moreel of liever gezegd: amoreel. Daarom zijn zijn Voetnootjes gelardeerd met voorbeelden die moeten aantonen dat moraal een  verzinsel is om ordinaire economische belangen na te streven. Om dat punt kracht bij te zetten, worden we gedwongen een moeilijk te begrijpen aforisme te slikken: ‘Moraal is dikwijls de hypocriete voortzetting van absurdisme’. Of u maar even wilt begrijpen dat leven volgens een intersubjectieve waardenorde even fout is als Fake Krist. Voor u het weet, zuivert u uw woonplaats van Joden. De term ‘intersubjectief’ is indicatief voor een verband van meer dan één individu dat elkaar verstaat. Een mens die niet op zichzelf is teruggeworpen, vindt Grunberg een bedreiging.

De verdrijving van moraal is een tamelijk gevaarlijke bezigheid. Maar het is wel consequent: ouderen die menen in Grunbergs kamp te zitten, hebben veertig jaar gewerkt om moraal met hamer en sikkel te ‘deconstrueren’, om tegenwoordig te jeremiëren over het komische duo ‘fatsoen en respect’. Dat is meer dan hypocriet; dat is anderen de schade van je eigen vernietigingsdrang kwalijk nemen. Grunberg mag er wat betreft moraal bijzonder onfrisse ideeën op nahouden, maar zijn rechtlijnige benadering lijkt vooralsnog intellectueel een stuk eerlijker dan dat van zijn zelfverklaarde medestanders.

De natie als nazi

Zoals we eerder vaststelden, is alles in economische termen herdenken een tamelijk marxistische werkwijze. We hoeven niet te twijfelen aan Grunbergs voorliefde voor het kapitalisme, maar we moeten er wel even bij stilstaan dat Marx’ doel een ideale samenleving was. Een noodzakelijke stap in die richting is het ondermijnen van de bestaande maatschappelijke orde. En dat is waar ook Grunberg soms toe neigt: hij heeft een hartgrondige hekel aan de natie, een gemeenschap van mensen die zichzelf en anderen aanduiden als ‘wij’. De saamhorige massa is voor de onverholen elitaire Grunberg een voortdurend gevaar voor zijn zelfverklaarde individualisme. Hetzelfde geldt overigens voor God, ideologie en betekenis: ‘Bevestiging van betekenis moet altijd van buiten komen, van een God of een ideologie. Wij zijn alleen met onze geïndividualiseerde betekenis.’

Ook in zijn individualisme is Grunberg een stuk consequenter dan andere denkers met een afkeer van het menselijk meervoud. Progressieven die bij iedere uiting van nationale eenheid een boekverbranding verwachten, nemen doorgaans zonder aarzeling hun toevlucht tot de gebureaucratiseerde massa die we de overheid noemen. Grunberg is van dergelijke etatistische smetten vrij. Hij waarschuwt voortdurend voor de pretenties van de overheid, voor het gevaar van een overheid die zich gedraagt als een intrusieve geluksmachine. ‘Een vangnet ja, maar een overheid die zekerheid voor allen gaat garanderen speelt voor God, of beter gezegd, zo’n overheid is een valse Messias.’ En:  ‘Het zachte totalitarisme van de nudge is te prefereren boven het harde totalitarisme van de politiestaat. Bij ons kan de burger er nog altijd bewust voor kiezen, althans in theorie, een paria te worden.’ Hoe de hyperbool van het totalitarisme hier is ingeslopen, moet de lezer zijn ontgaan, maar de boodschap is helder. Als individualisme een groot goed is, is een verband waarin het individu oplost dat niet, daarom moeten we de staat wantrouwen. Hij wordt ook niet moe te verkondigen dat de overheid met twee maten meet als het bijvoorbeeld gaat om spionage: wat is het verschil tussen de veelbekritiseerde Big brothers die Google en Facebook zijn, en de ziekelijke informatiedrang van onze eigen overheid?

Problematischer is Grunbergs afkeuring van het niet-individualistische (uitzonderingen voor een kneuterige vereniging daargelaten) voor de samenleving als geheel. Hij maakt zijn persoonlijke ‘is’ tot een maatschappelijk ‘ought to’. Als hyperindividualist heeft hij geen behoefte aan een natie en dus is de natie slecht. ‘Pas wie zichzelf als individu ziet, kan de ander als individu beschouwen en niet als vertegenwoordiger van een ras, een geloofsgemeenschap of een natiestaat.’ Wij leven echter niet allemaal als ontheemde nomaden, al was het maar omdat iedere politieke orde een zeker verband tussen mensen veronderstelt. Dat brengt ons bij een citaat van Aristoteles: ‘Wie niet in staat is deel te nemen in een gemeenschap, of daaraan geen behoefte heeft omdat hij zichzelf genoeg is, maakt geen deel uit van een polis, en is dus ofwel een beest of een god.’  Dikke kans dat Grunberg deze samenvatting van Aristoteles’ politieke filosofie kent, want hij vertelt ons dat de mens ‘niet bij de goden hoort’. De implicatie dat we dus bij de wilde beesten horen, herhaalt hij vaak.

Uit Grunbergs individualisme volgt een verwerping van iedere machtige en grote politieke orde. Althans, in zoverre zij niet slechts een economisch doel dienen. Paradoxaal op het contradictoire af, is dan ook zijn omarming van de EU. Mensen die zich uit antibureaucratische overwegingen tegen de euro en een federaal Europa keren, ‘zoeken de verkeerde vijanden’. Sterker nog: wie tegen de EU is, staat feitelijk een terugkeer naar een fascistisch Europa voor. Het staat er echt: ‘Zoals in de jaren dertig sommige mensen dachten dat de vernietiging van de onvolmaakte Weimarrepubliek tot iets beters zou leiden, zo denken sommigen nu dat de vernietiging van de onvolmaakte EU de wereld een stukje mooier zal maken. Als Europa valt, hebben we een grote Weimarrepubliek, van de Noordzee tot de Middellandse Zee. Een stem tegen het Europese project is een stem op de fascisten.’ Ah, kijk, grove middelen om criticasters van Europa gelijk te schakelen met degenen die Europa om zeep willen helpen, om vervolgens beide groepen vast te pinnen op de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Impliciet worden daarnaast degenen die de natie een warm hart toedragen in de kwade reuk van Blut und Boden gezet. Het is een kunstgreep die een zwakte in zijn denken blootlegt: waarom is er de minzame uitzondering voor de Europese Unie? Die volgt namelijk niet uit zijn individualisme.

Het noodlot van de vluchteling

Omdat Grunberg zich ontdaan heeft van moraal, of haar op zijn minst onherkenbaar heeft geëconomiseerd, en omdat uit de wetten van de economie een tamelijk zelfzuchtig individu naar voren komt, is zijn betrokkenheid met vluchtelingen en illegalen opvallend. Alles is namelijk ‘economie’, behalve als het om kritiek op vluchtelingen of allochtonen gaat. Dan is er namelijk sprake van vluchtelingenhaat en racisme. ‘Misschien moeten we langzamerhand erkennen dat de aan hysterie grenzende weerzin tegen migratie gewoon vreemdelingenhaat is. Verbazingwekkend is dat niet. Er zijn immers nog altijd Nederlanders die dromen van een roomblank Nederlands elftal.’ Grunberg gaat niet zover te zeggen dat migratie geen enkel probleem zou opleveren (hij vermijdt overigens het woord ‘immigratie’), ‘maar per saldo is zij voor alle partijen gunstig’. Aangenomen dat immigratie goed is voor economische groei en ‘economie’ het hoogste doel is, dan wel ja.

Grunberg beschikt overigens over meer wapens dan historische hyperbolen en economische excessen om het op te nemen voor immigranten en vluchtelingen. De natie staat de vluchteling duidelijk in de weg, Gemeinschaft moet plaatsmaken voor Gesellschaft. Zijn oplossing: de natie kapotmaken door haar eenheid te verdunnen. Dat is het demografische wapen. Het idee is simpel: verander de bevolkingssamenstelling zodanig dat iedereen van elkaar vervreemd raakt en als vanzelf individualistisch wordt. Dit is een herhaling van het progressieve programma (waar overigens ook rechtse krachten aan hebben meegewerkt) van massa-immigratie.

Grunberg vraagt regelmatig aandacht voor de lotgevallen van vluchtelingen die verdrinken op de Middellandse Zee. Dat is terecht, maar zijn argument is oneigenlijk. Hij suggereert dat wij de vluchtelingen bewust laten verdrinken. ‘Door de DDR werd de Muur de ‘antifaschistischer Schutzwall’ genoemd. Laten wij de Middellandse Zee de ‘antiafrikanischer Schutzwall’ noemen.’ Alsof Europa de Middellandse Zee als een soort slotgracht heeft aangelegd. Het Westen wordt niet alleen verantwoordelijk gehouden voor geologische gegevenheden. Dat er Afrikanen verdrinken is wat hem betreft als het gedogen van een terreurdaad: ‘Wij vinden het vreselijk als burgers worden afgeslacht door IS. Verdrinken diezelfde burgers in de Middellandse Zee, dan is dat prima.’ Want Europeanen leiden in Noord-Afrika gruwelexercities waarbij Afrikanen worden opgepakt om ze vervolgens in zee te dumpen? Wij brengen hen moedwillig om het leven? Voor wie daaraan mocht twijfelen, het antwoord luidt uiteraard volmondig “nee”.

Volgend op het laatste citaat schrijft Grunberg: ‘Onze huidige asielwetgeving is één grote perverse, economische prikkel.’ Dit is een veelzeggende zin die de problemen van Grunbergs eerdergenoemde kernelementen economisch reductionisme, individualisme en mededogen voor vluchtelingen, samenvat. In de eerste plaats is ‘economie’, dat basale spel dat mensen spelen om te winnen, niet langer te accepteren als een ‘fact of life’. Altijd probeert Grunberg te laten zien dat al onze gebabbel over morele lessen slechts ijdelheid is die we in de mal van economische belangen hebben geperst. Iets wat hij niet even vaak afkeurt als hij het benoemt, integendeel. Maar nu ineens zijn de wetten van de economie, de eerste en laatste scherprechters van alles wat wij doen, niet meer voldoende. Ineens bestaat er zoiets als een ‘perverse economische prikkel’. Ineens is er een buitentheoretisch criterium nodig om toch te kunnen veroordelen. In de tweede plaats importeert Grunberg die broodnodige grond tot oordelen uit een gebied dat hij voortdurend, zoals zoveel van zijn intellectuele voorvaderen, ondermijnd heeft: de moraal. ‘Pervers’ is een term doortrokken van moraliteit. Laten we ons geen illusies maken: Grunberg wijst ons vluchtelingenbeleid niet af omdat het geen Pareto-efficiëntie oplevert. Dit is een moment waarop het economische argument zichtbaar faalt en alleen het morele volstaat. Hetzelfde geldt voor de verdronkenen in de Middellandse Zee: Grunberg trekt zich hun lot niet aan omdat Europa zo verstoken blijft van consumenten, hoe vaak hij dat argument ook als schaamlap gebruikt. Hij lamenteert namelijk over het einde van het ‘humanitair gedachtengoed’. Als het echt allemaal om economie ging, had hij zich wel beklaagd over het einde van het marktdenken.

Kunnen we Grunbergs Voetnootjes nu overslaan? Hebben we met de identificatie van de problemen met zijn bijna axiomatische drieëenheid zijn denken omvergeworpen? Geenszins. Met een beetje goede wil is Grunberg zelfs het zwarte schaap van rechts te noemen. Hij heeft de moed om de consequenties van kapitalisme en individualisme radicaal te doordenken. Het zijn geen fijne implicaties of juiste ideeën, maar ze zijn op eerlijke wijze verkregen. Bovendien zijn niet alle slechte ideeën even slecht. Vanwege de verwantschap tussen Grunbergs denken en het economisch denken op rechts, heeft het een functie die NRC Handelsblad eigenlijk alleen in pretentie heeft: het is een slijpsteen voor de geest. In tegenstelling tot zijn progressieve voorgangers is Grunberg er niet op uit de maatschappelijke orde omver te werpen, hij bevraagt haar hooguit met vitriool.