Kunst moet links en progressief zijn, want kunst is bedoeld als anti-rechts pamflet.

De Belgische festivalmaakster Frie Leysen kreeg deze week de Erasmusprijs uitgereikt. Tijdens de ceremonie vond ze het nodig koning Willem-Alexander te schofferen door hem de les te lezen over het Nederlandse cultuurbeleid. Tegen alle protocollen fulmineren tegen het toppunt van traditionele autoriteit, links-progressiever kan het niet. Betweterij uit die hoek bleek wederom even onuitroeibaar als gevaarlijk.

De generatie van mevrouw Leysen (1950) leert nooit. Nog altijd verpakken ze ideologie als  kunst en cultuur, keren die tegen werkelijkheid en krijsen dan moord en brand als het grote publiek zich ertegen verzet. Leysen demonstreerde dat zelf voortreffelijk: ze waarschuwde pedant tegen ‘verrechtsing, nationalisme en commercialisering’. Ze doceerde dat ‘sociale achterstand’ en ‘racisme’ veelkoppige monsters zijn die de samenleving in hun tentakels hebben en profeteerde daarom het links-progressieve evangelie van noodzakelijke vooruitgang. Hoewel ze een gekke metafoor opzette over de kunstwereld die een stap terug zou moeten doen (naar de jaren zeventig, overigens), bedoelde ze eigenlijk een Stalinorder 227 uit te vaardigen. Geen stap terug, want dan betreed je vijandig en ‘bourgeois’ gebied. Voor je het weet wordt kunst dan door het grote publiek gewaardeerd. En dat is voor mevrouw Leysen zoiets als op de PVV stemmen.

Culturele zuivering
De Leysen angehauchten zijn valsemunters. Ze beloven cultureel goud, maar brengen utopistische politiek met een goedkoop vernisje. Want het is niet alsof die weerstand tegen de kunstkliek die zij vertegenwoordigt, uit het niets komt of ongerechtvaardigd is. We hebben ze jarenlange de vrije hand gegeven. Decennialang hebben deze kunstenaars de kans gehad en genomen om onze leefwereld cultureel te zuiveren. Vooruitgang als middel om het verleden te vernietigen, want het verleden vloekt met hun ideologie.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleek cultureel erfgoed met eeuwigheidswaarde een zwakkere vijand dan sterfelijke mensen. Maar dat is niet de enige reden waarom ontelbare Europese stadskernen verminkt zijn. Nee, wat betreft vernietigingszucht legt zelfs de gecombineerde kracht van de Luftwaffe en Royal Air Force, het af tegen kunstenaars die alleen maar avantgardistisch voortmarcheren. De architecturale plaatsvervangers van het bommenpuin zijn afzichtelijke gebouwen waarin geen mens thuis is en niemand zich herkent. Behalve de architecten die er zichzelf in zien. En vanwege het doorslaande succes van deze vooruitgangsarchitectuur, zijn ontelbare intacte stadscentra die wel getuigden van een rijk en esthetisch briljant verleden onherstelbaar verbeterd, zoals Gerrit Komrij dat zo bitter noemde.

Ook na de wederopbouw, eigenlijk tot op de huidige dag, wordt er verbeterd. De negatie van het verleden wordt vormgegeven door dissonante gebouwen die op geen enkele wijze deel uitmaken van de harmonie van de omgeving. Traditionele cultuur wordt kapotgemaakt om plaats te maken voor de eeuwig voortstomende esthetiek van de vernieuwing. Kunst voor de eeuwigheid moet wegwerpkunst worden, gebouwd om gesloopt te worden. Die puberale anti-reactie op alles wat ouder is dan een pasgeboren kind, is verre van dood. Leysen maande ons bijvoorbeeld – zelfs na de vele jaren van erfgoedvernietiging – dat we toch echt moeten stoppen met die obsessie ons verleden als een museum te bewaren. Van iedere werkelijkheid los.

Esthetisch Politburo
Maar de winds of change waaien niet alleen als een passaat door de architectuur. Ook de schilderkunst ontwikkelt zich zo geweldig, dat ze het stadium van schoonheid allang voorbij is. De schilderkunst verkeert in diepe crisis. Betekenis en verwijzing zijn praktisch afgeschaft, om plaats te maken voor een hyperindividuele en oppervlakkige ervaring van kunst die schoonheid mijdt als de pest. Schoonheid is kitsch en een vals een teken van het oude, het traditionele en het conservatieve. Daarom is bijvoorbeeld bewondering voor Edward Hopper walgelijk reactionair, maar moeten we weglopen met Willem de Kooning. Het lelijke en het conceptuele hebben voorrang voor alles, ook als de kunstenaars hun concepten niet anders kunnen duiden dan door onbegrijpelijke, inconsistente maar o zo kritiese Derridiaanse woorddiarree. Het zijn pseudo-filosofietjes die nauwelijk verhullen dat kunst bedoeld is als activistisch tijdsverdrijf dat vooral het allertegenst is. Kunst en cultuur zijn geen linkse hobby; maar zijn door klagers als Leysen gedegradeerd tot progressief pamfletteren.

En toch kan mevrouw Leijsen klagen over de weerstand tegen de kunst van haar generatie, alsof ze een slachtoffer is van een guurrechtse wereld. Natuurlijk als aanmatigende vaandeldrager van Luceberts credo dat alles van waarde weerloos is. Dat is overigens wat echt steekt: de onoprechtheid van Leysen cum suis. De kunstpausen, hun clubjes en subsidiestructuren zijn op zich geen probleem – als de betrokken kunstminnaars gewoon toegeven dat ze politiek bedrijven. Maar ze doen het tegendeel. Onder de mantel van breekbaarheid, poseren ze als Socrates. Als bevrager van de huidige mores, de huidige maatschappij, vanaf een zetel sub specie aeternitatis. Hun esthetische hoogzit is veeleer een Politburo. Altijd waarschuwend tegen hetzelfde rechtse, commerciële en conservatieve denken.

Nie wieder
Ik heb ze nog nooit horen waarschuwen tegen nog meer vernietiging van cultureel erfgoed. Nooit een zalvend gebaar om de obsessieve haat tegen schoonheid in te tomen. Steden mogen vernietigd worden en schilderkunst mag gereduceerd tot krities vingerverven. Want hé, wij zijn kunstenaars: wij handelen in dat wat wringt, negeert en vernietigt. En wie daarin niet de grootsheid ziet, wie niet wil meewerken aan deze doorgaande culturele zuivering van ons erfgoed, die is een Filistijn. De keizer heeft geen kleren aan, maar geen kunstpaus die het zal zeggen. Geen wonder dat de massa, van laag- tot hoogopgeleid, kunst nog nooit zo wantrouwde. Dat is wat de generatie van mevrouw Leysen heeft aangericht. Beter luisteren we naar deze wijze muze, want ze is zelf een waarschuwing: nie wieder.