De ban die in 1656 over Baruch Spinoza werd uitgesproken, wordt Joden tot op de dag van vandaag nagedragen. Daarmee werd zijn cherem, zoals een ban in het jodendom wordt genoemd, onterecht een zuiver Joodse kwestie. Baruch Spinoza, de voorloper van de Verlichting, het Nederlandse symbool voor vrijheid van denken, meningsuiting en tolerantie, is anno 21e eeuw nog altijd een zeer actueel onderwerp, ook in de Joodse gemeenschap zelf. En de Casus Spinoza roept meer vragen op dan er antwoorden zijn.

Originele tekst van de ban op Spinoza

Originele tekst van de ban op Spinoza

Het prachtige, dikke boek met bijzondere handschriften lag zondag uitdagend tentoon in De Rode Hoed. Het is historisch van grote waarde, alle beslissingen die genomen zijn in de Portugees-Joodse Talmud-Torah gemeenschap in Amsterdam tussen 1639 en 1680 zijn erin opgetekend. Het boek lag open op een pagina met een tekst gedateerd 27 juli 1656: de cherem (ban) uitgesproken door het bestuur van de gemeenschap, over Baruch Spinoza. De tekst, die nu op zo ongeveer alle in de zaal aanwezige mobiele telefoontjes is vastgelegd, werd eerst voorgelezen in het originele Portugees en daarna in het Engels, en de inhoud liegt er niet om. Spinoza wordt uit naam van het hele volk Israël (met welk mandaat?) veroordeeld tot complete uitsluiting van de Amsterdamse Portugees-Joodse gemeenschap. De Ma’amet, de Joodse Raad van Bestuur, spreekt namens alle Joden en sluit hem in alle opzichten sociaal uit. Hoe heeft de gemeenschap dat kunnen doen? vraag je je als 21e-eeuws mens af. En wat moet deze ban voor een sociaal mens als Spinoza hard zijn aangekomen, zo weten ook de wetenschappers die deze middag discussiëren over de vraag of de ban op Spinoza moet worden opgeheven.

Verwarrend goede argumenten

Het is een indrukwekkend gezelschap: Irene Zwiep, professor Hebreeuwse en Joodse studies aan de UvA; Jonathan Israel, historicus en expert op het gebied van de Nederlandse geschiedenis tijdens de Verlichting; Steven Nadler, professor in de filosofie; Yosef Kaplan, expert in de gedwongen bekeringen van Portugees-Spaanse Joden en de Joodse verlichting; Piet Steenbakkers, atheïst, filosoof en rechtsgeleerde; chacham (de Portugese benaming voor opperrabbijn) Toledano; rabbijn Nathan Lopez Cardozo; Herman Philipse, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Leiden en sinds 2003 Universiteit Utrecht; Paul Cliteur, rechtsgeleerde en filosoof, en Benjamin Moser, columnist voor de New York Times.

Iedereen die deze middag met een duidelijke mening de zaal is binnengelopen, verlaat de zaal met vooral heel veel vragen en zijn niet half zo zeker meer van hun eigen standpunt

Wat vooral heel verwarrend is, is dat de debaters ieder vanuit hun eigen filosofie, of ze nu voor of tegen de opheffing van de ban zijn, met zulke goede argumenten komen. Vrijwel iedereen die deze middag met een duidelijke mening de zaal is binnengelopen, verlaat die met vooral heel veel vragen. Ze zijn niet half zo zeker meer van hun zaak als toen ze binnenkwamen.

Invloedrijkste Joodse Nederlander

Het was lid van de Portugees-Israëlietische Gemeenschap (PIG) Ronit Palache, telg uit een vooraanstaand, oud Portugees-Joods geslacht, die vier jaar geleden een brief stuurde aan de PIG met de vraag of de ban op Spinoza niet kon worden opgeheven. Opgegroeid in een gezin waar je alles mocht vragen en daarop nog zinnig antwoord kreeg ook, kon ze heel moeilijk uit de voeten met het feit dat de religieuze gemeenschap een Jood had verboden vrij te denken, want Joden zijn toch vooral een volk van ‘lernen’ en van het vraagtekens stellen bij vraagtekens? Haar verzoek toonde tot in de kern het dilemma aan waar Joden ten opzichte van Spinoza voor staan. En toonde een prijsvraag in het Nieuw Israeliëtisch Weekblad afgelopen week niet aan dat Nederlandse Joden anno 2015 Spinoza zijn vrije denken al lang ‘vergeven’ hebben? Met maar liefst tweederde van de stemmen werd hij verkozen tot de meest invloedrijke Jood in de Nederlandse geschiedenis; daarbij Anne Frank, Aletta Jacobs en de enige Nederlander die ooit de Nobelprijs voor de vrede won, Tobias Asser, ver achter zich latend. Anno 2012 zijn Baruch Spinoza en zijn gedachtegoed springlevend. Ronits brief was de inspiratie voor deze middag, en de eerste spreker stelde al meteen de vraag: “Zou Spinoza bij deze middag zelf aanwezig hebben willen zijn?” Ik denk het niet.

Tolerant Nederland niet overschatten

Ik denk dat Spinoza wist wat hij met zijn denkbeelden riskeerde. Als lid van de gemeenschap wist hij hoe de vlag er halverwege de zeventiende eeuw voor andersdenkenden voorstond. Een redenering die ook door diverse sprekers werd beaamd. Wij kunnen als 21e-eeuwse mens niet klakkeloos oordelen over wat toen is voorgevallen zonder goed op de hoogte te zijn van de historische context. Spinoza had voor die tijd zeer radicale denkbeelden: God zien als niets meer dan de natuur; er was niet zoiets als de ‘eeuwige ziel’; de vermenging van religie met macht had een corrumperende invloed op de samenleving; moraal was onderdeel van het mens zijn, belangrijk voor het goed functioneren van een samenleving, maar niet als een zaak van hogerhand (en religieus) opgelegd en de Tora of Bijbel zag hij niet als rechtstreeks woord van God maar als mensenwerk… Het waren levensgevaarlijke denkbeelden, niet alleen voor de Joodse gemeenschap, maar ook voor de Nederlandse samenleving als geheel.

Het was voor de Joodse gemeenschap essentieel de heren regenten in Amsterdam en Den Haag te tonen dat de gemeenschap met querulanten in hun eigen gelederen konden afrekenen

Zijn denkbeelden waren een directe aanklacht tegen de autoriteit waarop de jonge Republiek der Nederlanden een machtsbasis probeerde te vormen. Ja, ook historicus Jonathan Israel stelt dat Nederland relatief tolerant was. Maar wij moeten die tolerantie niet overschatten. Het was voor de Joodse gemeenschap essentieel de heren regenten in Amsterdam en Den Haag te overtuigen van het feit dat de gemeenschap met querulanten in de eigen gelederen kon afrekenen, opdat de acceptatie van Joodse aanwezigheid in De Nederlanden niet in twijfel zou worden getrokken. Zou het Haagse bestuur dat wel doen, dan zou dat verregaande consequenties voor de gemeenschap kunnen hebben, tot aan verbanning van alle Joden uit De Nederlanden aan toe.

Verbod op het lezen van zijn werken

Want laten we wel zijn, niet alleen de Joodse gemeenschap zat met Spinoza’s denkbeelden in de maag. De autoriteiten van de Verenigde Provinciën, zeg maar ‘de regering’, verbood in 1678, vlak na de dood van de filosoof toen voor de eerste keer zijn Ethica werd gepubliceerd, de druk, verkoop én het lezen van zijn werken. Wie het verbod aan zijn laars lapte, stond een zware boete of gevangenisstraf te wachten. Dat verbod was tot ver in de 18e eeuw van kracht. De aanklacht van Spinoza dat de autoriteiten het volk onderdrukten door middel van de macht van ‘religieus bijgeloof’ en dat zaken als openbaring en wonderen niet bestonden, was voor de hele zichzelf net vormende natie gevaarlijk. Vooral omdat de natie was gebouwd op religieuze autoriteit en de macht die daarmee was verweven. En hoewel de ban zoals uitgesproken over Spinoza ons vandaag de dag als barbaars in de oren klinkt, had Herman Philipse nog een vergelijkend ijzer in het vuur: een voorbeeld uit het Frankrijk van bijna een eeuw later. Chevalier de la Barre, een Frans atheïst, had geweigerd te buigen voor een katholieke processie. Zijn straf: zijn tong werd uitgetrokken, zijn handen afgehakt en daarna werd hij levend verbrand. Verstoting uit de Joodse gemeenschap bijna een eeuw daarvoor was in vergelijking daarmee, hoe redeloos ook, mild. En kijk wat er gebeurde met de gebroeders De Witt. Zij werden in 1672 simpelweg gelyncht, eigenlijk uit elkaar getrokken, wat Spinoza aanzette tot het schrijven van Ultimi Barbarorum, zo geschokt was hij daarover. Soms zijn daden zo’n simpel fait accompli dat er niet meer over valt te discussiëren, getuigt de geschiedenis. Woorden daarentegen, blijken tot op de dag van vandaag nog reden voor controverse.

Te koop in de Esnoga

Spinoza werd verketterd. Maar hij bracht geen jaren door in een gevangenis en ook werd hij niet vermoord. Laat onverlet dat de denkbeelden van Spinoza, volgens Steven Nadler “een overtuigd atheïst die gelijk had”, zeker in die tijd, rechtstreeks indruisten tegen wat voor de rabbijnen en parnassim (bestuurders) van de Portugees-Joodse gemeenschap acceptabel was. Daarbij wilde chacham Toledano tijdens dit symposium opmerken dat een cherem zoals die werd uitgesproken tegen Spinoza zeer zeldzaam was, dat er al heel lang geen cherim (banvloeken) meer zijn uitgesproken, en dat als dezelfde criteria in het jodendom heden ten dage zouden worden gehandhaafd, tweederde van de Nederlandse Joden een cherem aan de broek zou krijgen. Daarnaast, zo beargumenteerde Toledano, mag iedere Jood tegenwoordig Spinoza lezen: “Wat? We verkopen zijn boeken zelfs ín de Esnoga!” (de Portugees-Israëlietische synagoge aan het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam).

De denkbeelden van Spinoza gaan rechtstreeks in tegen de orthodox-Joodse leer en daarmee is de opheffing van de cherem onmogelijk

En er werd opgemerkt dat er legio voorbeelden zijn van (orthodoxe) rabbijnen die al in de zeventiende en achttiende eeuw tientallen boeken van en over Spinoza in hun persoonlijke bibliotheek hadden staan. Ja, noem het huichelachtig, maar in een gemeenschap die eeuwenlang alleen maar stand had kunnen houden door geheimhouding, vind ik dat niet gek. Daarnaast zal de nieuwsgierigheid naar Spinoza’s denkbeelden groot zijn geweest, wij zijn immers een nieuwsgierig volk. Maar de chacham merkte op dat de denkbeelden van Spinoza rechtstreeks ingingen tegen de halacha (de orthodox-joodse leer) en dat daarmee een opheffing van de cherem onmogelijk was.

Religieus geweld

Paul Cliteur, humanist, had een duidelijke, andere visie. Hij vond dat de vloek van een ban ook impliceerde dat daarmee een vrijbrief werd afgegeven voor geweld. Hoewel de hardnekkige mythe over de aanslag op het leven van Spinoza zelfs sommige kenners bezighoudt maar niet waar is, noemde Cliteur ook als voorbeelden koningin Elizabeth I van Engeland, die een aantal keer een moordaanslag door Katholieken overleefde nadat zij door de Paus in de ban was gedaan. Ook noemde hij de in 1989 door Khomeini uitgesproken fatwa over Salman Rushdie. “Een ban is gelieerd aan religieus geweld,” aldus Cliteur. En zeker in deze tijd, waarin vrijheid van denken en vrijheid van meningsuiting onder druk staat, zie Charlie Hebdo, zou het helpen als de ban over Spinoza werd opgeheven. Philipse op zijn beurt vond dat deze vergelijkingen absoluut niet opgingen.

Spreek je uit!

Wellicht de meest opvallende bijdrage was die van de orthodoxe, Portugees-Joodse rabbijn Nathan Lopez Cardozo. Zijn inbreng droeg de titel: ‘In Gods naam, hef de ban op Spinoza op’. Deze in Joods Nederland zeer gerespecteerde rabbijn kwam met een totaal andere invalshoek.

“Men mag degene die zich uitspreekt tegen het jodendom niet het zwijgen opleggen, omdat dat een teken van zwakte is”

Hij merkte allereerst op dat hij ‘in great trouble’ was, want niet alleen zou hij de cherem aanvallen, maar ook de denkbeelden over het jodendom van zijn held Spinoza zelf. Hij haalde de legendarische Praagse 16e-eeuwse rabbijn Judah Löw (1520-1609) aan, die een eeuw voor Spinoza en ook Voltaire leefde. Lopez Cardozo citeerde Löw: “Men mag degene die zich uitspreekt tegen het jodendom niet het zwijgen opleggen, omdat dat een teken van zwakte is. Vertel je tegenstander: ‘Spreek je uit, zoveel je wil, zeg wat je maar wenst.’”

Gedogmatiseerd jodendom

Die uitspraak van rabbijn Löw is een vrijbrief voor de vrijheid van meningsuiting, ver voor Voltaire (1694-1778) kwam met zijn beroemde (althans volgens de overlevering) uitspraak: “Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen.” Daarna kwam Lopez Cardozo met een intrigerende hypothese. Hij stelde dat Spinoza, omdat hij al jong was gestopt met zijn Talmoedstudies, slechts een beperkte kennis van het jodendom had. Daarnaast werd hij tijdens de paar Talmoedstudies die hij volgde, opgeleid door rabbijn Moreira, een fanatiek aanhanger van de grote Joodse denker Maimonides (Cordoba 1138 – Cairo 1204). Maimonides wordt gezien als een van de grootste Joodse denkers, maar volgens Lopez Cardozo maakte hij één grote fout: hij dogmatiseerde het jodendom tot dertien principes. En dat terwijl het jodendom geen dogmatische religie ís, zo stelde hij. In tegendeel: het jodendom duidt op rebellie: rebellie tegen de hele gevestigde orde, tegen alles wat tot dan toe als algemeen geaccepteerd gold.

Van oogst tot buitenaards leven

De Talmoed, een enorm werk waarop Joodse wijsgeren nooit uitgestudeerd raken, is daar volgens Cardozo een goed voorbeeld van. Zo nam hij eens een student mee naar een yeshiva, een joodse religieuze school. Het had niets van de stilte van een kerk of bibliotheek. Een yeshiva, zoals iedere Jood weet, is een chaos, een zootje van luide discussie, op het scherpst van de snede. “Wat doen zij nu?” had de student gevraagd: “Waar gaat dit over, over de vraag of Engeland een monarchie moet blijven?” Nee, had Cardozo geantwoord, het is een discussie over wat God zei tegen Mozes op de berg Sinaï. De student had geantwoord: “En dat weten jullie nog steeds niet?”

Vandaar ook: twee Joden, drie meningen. Het zit ingebakken in de traditie. We nemen niets voor zoete koek. Ook wat dat aangaat was Spinoza zeer Joods

In het jodendom wordt aan vrijwel alles getwijfeld, daardoor ontstaat discussie. Vandaar ook: twee Joden, drie meningen. Het zit ingebakken in de traditie. We nemen niets voor zoete koek. Ook wat dat aangaat was Spinoza zeer Joods. In de Talmoed staan allerlei ideeën over hoe het leven te leiden: van hoe te oogsten tot buitenaards leven (dit is geen grap) en zelfs aanwijzingen voor vrouwen hoe zij hun echtgenoot het best kunnen verleiden in de slaapkamer (ook geen grap). Het Jodendom kent geen catechismus of geloofsbelijdenis en daarom wordt tot op de dag van vandaag over alles gediscussieerd. Spinoza had weinig kennis van de Talmoed, waardoor hij volgens Lopez Cardozo voorbarige conclusies trok.

Spinoza protesteerde niet

Terug naar de vraag over de cherem: moet die worden opgeheven of niet? Volgens Jonathan Israel is die beslissing alleen voorbehouden aan het liberale jodendom, dat de Verlichting heeft geabsorbeerd en omdat het volgens de orthodoxe halacha niet mogelijk is. Volgens Cliteur moet dat nu meteen en door alle Joodse gemeenschappen gebeuren, als tegengif tegen religieus fundamentalisme. Volgens de orthodoxe chacham Toledano kan dat niet, maar de orthodoxe rabbijn Lopez Cardozo smeekt erom. Welkom in de Joodse traditie.

Voor wat het waard is, dit denk ik ervan: ik ben ervan overtuigd dat Baruch Spinoza heeft geweten wat de consequenties waren van zijn denkbeelden. Een paar bewijzen daarvoor: een cherem werd over het algemeen uitgesproken over een tijdsbestek van dertig dagen, na protest kon de cherem worden herroepen. Spinoza protesteerde niet. Ook heeft Spinoza zich niet ‘uitgekocht’, want ja, ook de Joodse gemeenschap kende een soort ‘aflaat’, waarbij je zonden kon afkopen. Spinoza ligt niet begraven op de Joodse begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel, simpelweg omdat hij geen protest heeft aangetekend tegen de cherem. Ook dat is een uiterste consequentie van zijn denkbeeld want wie geeft om een Joods graf, om daarin ‘te wachten’ op het einde der tijden, als je niet in de eeuwigheid van de ziel gelooft?

Uiterste consequentie

Ja, ik denk dat Spinoza last heeft gehad van de sociale uitsluiting, maar er waren meerdere Joden die heel goed konden gedijen zonder de bescherming van de gemeenschap. Het leven werd er niet gemakkelijker op, maar wel degelijk vrijer omdat de sociale controle wegviel. Mijn inschatting is dat hij die uitsluiting als uiterste consequentie heeft gezien van zijn denkwijze, zijn waarheid, en dat hij zich niet heeft willen laten kooien. Dat maakt hem wat mij betreft alleen maar een grotere held.

De stap toen genomen door de gemeenschap, of die nu uit principiële of kleingeestige overwegingen was, is al lang niet meer relevant

Wat rest is het ongemakkelijke gevoel dat de Portugees-Joodse gemeenschap heeft over de cherem. Ik denk dat men ook daar niet mee moet zitten. Cherems worden opgeheven op het moment dat de persoon in kwestie overlijdt. De stap toen genomen door de gemeenschap, of die nu uit principiële of kleingeestige overwegingen was, is al lang niet meer relevant. Daarbij had rabbijn Moreira voor die tijd veel urgenter problemen. Hij zat met volgelingen die zeer weinig kennis hadden van het jodendom door de onderdrukking van de Inquisitie. Hij moest een gemeenschap opbouwen en kon daarbij geen irritante vragen gebruiken. Die waren een bedreiging voor het creëren van eenheid in de nog jonge gemeenschap.

Spinoza is springlevend

In de cherem staat: “Opdat de Heer zijn [Spinoza’s, EV] naam zal schrappen van alles dat onder de hemel is.” Wel, dat is niet gelukt. In tegendeel, de cherem heeft Spinoza zo mogelijk meer glans gegeven. Waar zoveel Joodse denkers zijn overgeleverd aan de vergetelheid, is Spinoza springlevend, misschien wel bezig aan een comeback, want, om te lenen van Paul Cliteur: “Hij was de eerste representant van de radicale verlichting. Die staat nu onder druk, we hebben een symbool nodig voor die verlichting, en Spinoza is dat symbool.” Wie bang is voor Spinoza, of dat nu uit machtsdenken of uit religieus denken is, is bang voor zijn eigen schaduw. Moet de Portugees-Joodse gemeenschap daarmee de ban opheffen? Waarom? Het zijn een paar woorden, uitgesproken in 1656, die Spinoza meer bekendheid hebben gegeven dan zijn werken zelf. Want velen weten van zijn ban, slechts weinigen zijn echt op de hoogte van zijn gedachtegoed. Met het negatieve stigma dat de Joodse gemeenschap daarmee opgeplakt heeft gekregen zonder dat men oog heeft voor wat er met andere ‘ketters’ in de maatschappij gebeurde, zullen we moeten leven (laten we wel zijn, dat is niet de eerste keer). Nee, laat Spinoza symbool staan voor de rebelse rede. En bij de rebel hoort de afkeuring. Zonder dat zou hij niet half zo groot zijn. Ook onder Joden. Want, nog even in herinnering brengen, tweederde vindt hem de meest invloedrijke Jood in de Nederlandse geschiedenis. En dat was hij.