In het Nederland van begin jaren tachtig legde links Nederland een direct verband tussen de VVD, Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Toch repte de VVD begin jaren tachtig in officiële publicaties niet of nauwelijks over de twee bepalende regeringsleiders van dat moment. Waarom omhelsde de VVD deze rechtse iconen niet?

Vertegenwoordigers van ca. 100 IKV kernen maken in september 1979 bij het Catshuis de uitslagen bekend van plaatselijke peilingen over het IKV-voorstel ‘Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland’

Nederland in de jaren zeventig: polarisatie tussen links en rechts

In de jaren zeventig was de Nederlandse politiek sterk gepolariseerd. Partijen en kiezers dienden links of rechts te zijn. Daarom, en vanwege de ontkerkelijking en de secularisering, dienden de confessionele partijen te verdwijnen. Het politieke midden deed er niet toe.

Deze binnenlandse polarisatie stond haaks op de internationale politiek. In 1962 had de Cubacrisis bijna tot een kernoorlog tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie geleid. Als reactie hierop werd gestreefd naar ontspanning (detente). De twee grootmachten dreven de zaken niet langer op de spits. Confrontaties tussen Oost en West bleven beperkt tot diplomatieke incidenten en kleinschaligere conflicten in de derde wereld, waarvan de Vietnamoorlog het bekendste voorbeeld is.

Nederlandse en internationale politiek zouden mogelijk gescheiden werelden gebleven zijn, als eind jaren zeventig kernwapens geen actueel onderwerp waren geworden. Het begon met de mogelijke productie van een neutronenbom door het Amerikaanse leger. Dit wapen was omstreden, omdat het mensen zou doden terwijl de materiële schade beperkt bleef. In de ogen van critici het ‘kapitalistische wapen bij uitstek’. In Nederland en andere westerse landen demonstreerde de vredesbeweging massaal tegen dit wapen. De Amerikaanse president annuleerde de productie.

In 1977 uitte de Duitse  bondskanselier Helmut Schmidt in een toespraak in Londen zijn bezorgdheid om het voorgenomen besluit van de Sovjet-Unie om in Warschaupactlanden een nieuw type wapen op te stellen, de SS-20-raket. In dat geval zou de NAVO gelijksoortige raketten moeten opstellen, om het nucleaire evenwicht te behouden. De VS en de Sovjet-Unie hadden evenveel kernraketten voor de lange afstand. Het ene land kon het andere land niet aanvallen zonder zelf vernietigd te worden. De SS-20 was voor de middellange afstand. Vanuit Oost-Europa kon daarmee niet op Amerika geschoten worden, maar wel op West-Europa.

De vredesbeweging was ook tegen plaatsing van raketten door de NAVO. De kruisraketten werden zodoende onderwerp van de binnenlandse polarisatie. Links was tegen plaatsing, rechts voor. Het CDA in oprichting zat met het probleem dat de scheidslijn tussen voor- en tegenstanders dwars door de achterban heen liep. Binnen de vredesbeweging nam het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV), aangevoerd door Mient Jan Faber, een prominente plaats in. Veel kerkgangers sympathiseerden hiermee. Hoewel een ander deel van de achterban wel voor plaatsing was, moest het CDA voorzichtig opereren. Hierdoor was de VVD de enige grote partij die openlijk vóór plaatsing was.

 

VVD voor plaatsing kruisraketten

De VVD had twee hoofdargumenten om de plaatsing van kruisraketten te steunen. Ten eerste was het een NAVO-besluit. Zolang Nederland lid was van de NAVO, diende het de bijbehorende verplichtingen na te komen. Uit de NAVO stappen was geen optie, vanwege de Koude Oorlog. Binnen NAVO-verband zou Nederland bovendien beter beschermd zijn dan wanneer het de volledige verdediging zelf moest organiseren en bekostigen.

VVD-leider Hans Wiegel in 1971

Ten tweede was het een kwestie van Realpolitik. Kernwapens waren een gegeven. De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, de twee grootmachten, waren de enigen die het aantal kernwapens konden verminderen. Zolang die er waren, konden NAVO en Warschaupact beter nucleair gelijkwaardig blijven, omdat anders de machtsbalans door zou slaan in het voordeel van het kamp dat niet aan wapenvermindering deed.

 

De VVD was net zo ongelukkig met de mogelijke dreiging van een kernoorlog, maar meende dat als West-Europa zich eenzijdig zou ontwapenen, de kans op een conventionele oorlog groter zou worden. Amerika zou niet bereid zijn om een conflict met de Sovjet-Unie te riskeren voor bondgenoten die niet langer bereid waren zichzelf te verdedigen. Rusland zou dan zijn invloed over Europa kunnen uitbreiden.

De NAVO zou 12 december 1979  in Brussel twee besluiten nemen. In West-Europa zouden kruisraketten opgesteld worden als tegenwicht voor de SS-20. Tegelijk zouden onderhandelingen met de Sovjet-Unie opgestart worden om in beide kampen het aantal kernraketten in gelijke mate te verminderen. Dit tweesporenbeleid zou het NAVO-dubbelbesluit genoemd worden.

Dat eventuele plaatsing gepaard zou gaan met ontwapeningsonderhandelingen leek niet door te dringen tot het Nederlandse debat. Bij ons gingen discussies over kernbewapening vooral over de ethische vraag of wapens die zoveel menselijk leed veroorzaken wel gemaakt en gebruikt mochten worden. De VVD was niet vóór kernwapens, ze stelde enkel vast dat bij gebrek aan mogelijkheid voor Nederland om kernwapens te ontmantelen, de aandacht beter gericht kon worden op hoe daar mee om te gaan. Deze praktische benadering werd echter al gauw als immoreel bestempeld.

De bordesscène van het kabinet-Den Uyl bij Huis ten Bosch op 11 mei 1973

CDA en VVD groeiden naar elkaar toe

Het kernwapendebat was niet de enige scheiding die dwars door het CDA heen liep. In de jaren zeventig gingen de drie afzonderlijke grote confessionele partijen – ARP, KVP en CHU – samenwerken en uiteindelijk zelfs fuseren tot één partij, het CDA. Dit was een lastig proces, vanwege de verschillende partijculturen, maar ook omdat sommige confessionelen een voorkeur bleken te hebben voor links en andere voor rechts.

De CHU had al begin jaren zeventig geconstateerd dat zij rechts van het midden thuis hoorde. ARP en KVP maakten zich echter sterk voor zaken als vrede, het milieu en ontwikkelingssamenwerking. Mede daarom namen KVP en ARP deel aan het kabinet-Den Uyl (1973-1977).

In theorie hadden de seculiere linkse partijen dit kunnen erkennen. In plaats daarvan koos de Tweede Kamerfractie van de PvdA om de confessionelen te blijven aanvallen. Op één punt weken de confessionelen namelijk af van andere linkse partijen: ze bleven tegen abortus en euthanasie. Voldoende voor de overige linkse partijen om de confessionelen als conservatief te bestempelen. Kop van Jut werd Dries van Agt, Justitieminister onder Den Uyl, zeker toen hij abortuskliniek Bloemenhove wilde sluiten. Deze aanvallen werkten averechts: in plaats van het fusieproces te doorkruisen, gingen de confessionelen juist achter Van Agt staan. Deze werd zelfs lijsttrekker in 1977, toen het CDA voor het eerst als gezamenlijke lijst deelnam aan de verkiezingen.

VVD-leider Hans Wiegel koos voor een compleet andere benadering. Wiegel positioneerde de VVD als vluchtheuvel voor kiezers die zich niet herkenden in de culturele omwenteling van de jaren zeventig. Hij mikte op mensen die het vanzelfsprekend vonden om te werken voor het geld, kiezers die niet tegen verandering waren maar er ook niet naar streefden. Wiegel richtte zijn pijlen op het kabinet-Den Uyl. Dit maakte hem aanvaardbaar voor behoudende confessionele kiezers die zich op dat moment niet herkenden in ARP of KVP.

De verkiezingsuitslag van 1977 leek hernieuwde samenwerking tussen PvdA en CDA aan te wijzen. Na vier jaar waren de verhoudingen tussen Den Uyl en Van Agt echter slecht geworden. Na een lange formatie (tot 2017 de langste ooit) verkoos de tweede partij CDA samenwerking met de derde partij, VVD. Zo ontstond het kabinet Van Agt/Wiegel.

Het kabinet Van Agt-I (1977-1981)

Samenwerking VVD-CDA: goed of slecht?

Niet iedereen was gelukkig met deze coalitie. Binnen het CDA bestond een linkervleugel die liever bleef samenwerken met de PvdA. Een aantal Tweede Kamerleden verklaarden zelfs het kabinet slechts ‘voorwaardelijk’ te steunen, de ‘loyalisten’. Met een meerderheid van slechts 77 zetels zou het kabinet dan afhankelijk zijn van steun van de kleine christelijke partijen.

Binnen de VVD waren eveneens afwijkende geluiden. Al vanaf de oprichting bestonden er twee stromingen binnen die partij: sociaal-liberalen die nadruk legden op individuele vrijheden en conservatief-liberalen die belang hechtten aan gezagshandhaving en een goede band met het bedrijfsleven. De eerste stroming zag de VVD het liefst in het politieke midden, om samenwerking met PvdA en D’66 mogelijk te maken. De tweede stroming had een duidelijke voorkeur voor rechts en coalities met confessionelen. Onder Wiegel kreeg de rechterstroming duidelijk de overhand, tot ongenoegen van de linkerstroming.

Doordat de loyalisten telkens tegen dreigden te stemmen, kon het kabinet niet zoveel bezuinigen als het eigenlijk had gewild. Hetzelfde probleem speelde bij het NAVO-dubbelbesluit. Op de avond van 12 december 1979 verklaarde de premier dat pas definitief over plaatsing op Nederlandse bodem besloten zou worden als de NAVO daadwerkelijk tot plaatsing over zou gaan, december 1981. Mei 1981 zouden verkiezingen zijn. Hiermee verlengde hij het voortbestaan van het kabinet.

 

Wisseljaar 1981-1982

Na de verkiezingen kregen VVD en CDA samen 74 zetels. D’66 had echter de VVD uitgesloten. Al op verkiezingsavond besloten PvdA, CDA en D’66 samen te formeren. De VVD was ontstemd. Het kabinet-Van Agt had prettiger samengewerkt dan het kabinet-Den Uyl, dus waarom werd de VVD zo snel gepasseerd?

De VVD nam aan dat dit kabinet de rit niet uit zou zitten. Het kwam daarom onverwacht dat Wiegel april 1982 het partijleiderschap neerlegde om Commissaris van de Koningin te worden in Friesland. Wiegel had van huis uit een band met die provincie en de post kwam eerder vrij dan verwacht. Hij was kort daarvoor weduwnaar geworden en had jonge kinderen.

Zijn opvolger werd Ed Nijpels, 32 jaar en Kamerlid sinds 1977. Hij vertoonde veel overeenkomsten met Wiegel die eveneens begin dertig fractieleider was geworden, al verschilde hij op één punt: Nijpels zat eerder in de sociaal-liberale stroming.

Mei 1982 trad de PvdA uit het kabinet. De persoonlijke verhoudingen tussen Van Agt en Den Uyl waren te slecht gebleken. Nijpels bleek het goed te doen: de VVD behaalde met 36 zetels het beste resultaat tot dan toe.

Ronald Reagan en Margaret Thatcher in Camp David, december 1984

Reagan en Thatcher

De keuze van de VVD voor Nijpels lijkt in contrast te staan tot de verkiezing van Ronald Reagan tot president van de VS in 1980 en het aantreden van Margaret Thatcher als Brits premier in 1979.

Indertijd liet de VVD zich in officiële publicaties niet uit over Reagan. Het standpunt was doorgaans dat de Amerikaanse politiek anders was dan de Nederlandse en dat beide grote partijen op sommige punten hetzelfde vonden als de VVD en op andere niet. Navraag onder VVD-prominenten uit die periode wees uit dat Reagan niet serieus genomen werd. Hij werd gezien als een acteur die in de politiek verzeild was geraakt. Hij kon goed het publiek toespreken en zou vooral op zijn adviseurs leunen. Hij werd pas positief gewaardeerd vanaf zijn ontmoetingen in 1985 en 1986 met Michail Gorbatsjov, in 1985 leider van de Sovjet-Unie geworden. Deze zouden het einde van de wapenwedloop inluiden.

De omgang met Thatcher bleek ingewikkeld. De VVD herkende zich in haar standpunten omtrent economie en defensie, maar niet in haar stijl. Thatcher zocht altijd de confrontatie, zowel met andere partijen als met afwijkende meningen binnen haar partij. De VVD was het oneens met de PvdA, maar had geen zin om een tegenstander tot vijand te verklaren.

Een praktische belemmering was dat de VVD aangesloten was bij Europese en internationale verbanden van liberale partijen. Thatcher behoorde tot de Conservatieve Partij. Omdat de VVD daar veel standpunten mee gemeen had, wilde ze de band goed houden. Een te openlijke associatie zou echter de Britse Liberale Partij (tegenwoordig de Liberal Democrats) voor het hoofd stoten. Omgekeerd zaten de Britse liberalen vrijwel nooit in de regering en de conservatieven regelmatig. Dus werd geprobeerd met beide partijen zakelijke betrekkingen te onderhouden.

Lubbers tijdens de slotmanifestatie van het volkspetitionnement. Maarten van Traa (rechts) probeert het publiek tot stilte te manen. (26 oktober 1985).

Het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986)

Door het mislukken van de hernieuwde samenwerking met Den Uyl stond de linkervleugel van het CDA buitenspel. Daarnaast besefte de partijtop dat het CDA nu eenheid en daadkracht moest tonen, wilde de fusie een succes blijken. De fractiediscipline werd aangescherpt, loyalisten werden niet meer geduld.

Op het laatst gaf Van Agt aan niet weer premier te willen worden. Zijn opvolger werd Ruud Lubbers. Nijpels bleef in de Tweede kamer als fractievoorzitter. De samenwerking tussen Lubbers en Nijpels verliep moeizamer dan tussen Van Agt en Wiegel. De laatsten gunden elkaar dingen, de eersten wilden elkaar laten zien wie de baas was. Als premier bleek Lubbers in het voordeel, want Nijpels kon de eigen regering moeilijker bekritiseren dan oppositieleider Wiegel het kabinet-Den Uyl.

Het plaatsen van kruisraketten bleef gevoelig. De ministeries die hierover gingen, Buitenlandse zaken en Defensie, werden nu allebei door het CDA bezet. Nijpels redeneerde dat VVD-ministers extra weerstand opgeroepen zouden hebben. Bovendien vond hij dat het CDA nu maar eens kleur moest bekennen.

Na twee dagen debatteren werd 13 november 1985 een motie van Den Uyl om geen kruisraketten te plaatsen verworpen met 80 tegen 69 stemmen. Het plaatsingsbesluit was hiermee genomen. Diezelfde maand troffen Reagan en Gorbatsjov elkaar voor het eerst in Geneve. In december 1987 sloten de VS en de Sovjet-Unie het INF-akkoord om alle middellange-afstands-raketten te vernietigen.

 

Dit verhaal is de samenvatting van de masterscriptie van Pieter de Jonge, waarmee hij in 2014 afstudeerde aan de Universiteit Utrecht. Het hele verhaal kunt u hier lezen.

 

Afbeeldingen: Wikimedia / Wikipedia Commons