De Nederlandse cultuur is niet alleen door de zogenaamde joods-christelijke traditie gevormd, maar ook door de vrijdenkerij en het humanisme. Historicus Bert Gasenbeek redigeerde hierover een zeer leesbaar boek, waarin veertig plekken van herinnering – die in de geschiedenis van vrijdenken en humanisme een belangrijke rol spelen – worden bezocht.

 

Iedere Nederlander kent – als het goed is tenminste – Erasmus, Spinoza en Multatuli, maar vrijdenkers als de gebroeders Koerbagh, Jan Hoving, Leo Polak, Anton Constandse, Rudy Kousbroek zijn bij het grote publiek veel minder bekend, terwijl ook zij hebben bijgedragen aan een vrijer Nederland. De bundel van Bert Gasenbeek is daarom een must voor iedereen die geïnteresseerd is in de intellectuele geschiedenis van ons land, omdat de veertig plaatsen van herinnering ons op een laagdrempelige manier kennis laten maken met allerlei interessante denkers en organisaties.

 

Deventer, Rotterdam en Amsterdam

Sculptuur van Hans Mes in Deventer, ter herinnering aan Van Vloten

Voor de geschiedenis van het vrijdenken en het humanisme in Nederland zijn de steden Deventer, Rotterdam en Amsterdam van groot belang. Deventer was in de middeleeuwen een belangrijk kerkelijk centrum, waarvandaan de bisschoppen van Utrecht het Oversticht (Overijssel en Drenthe) bestuurden. In Deventer kwam een Latijnse school als voorbereiding op de universiteit. Vanwege het kwalitatief hoogwaardige onderwijs bezocht de talentvolle Erasmus uit Rotterdam deze school, die hem mede vormde tot de grootste geleerde van Europa die hij in de zestiende eeuw was. Hoogtepunt van zijn schooltijd in Deventer beschouwde Erasmus zijn ontmoeting met Rudolf Agricola (Roelof Huisman), een beroemde vroeg-humanistische geleerde uit Baflo van internationale allure. Erasmus beheerste het Latijn en Grieks perfect en gaf kritische Bijbelcommentaren uit, die onbedoeld leidden tot de Reformatie van Maarten Luther. Met zijn kritische, onafhankelijke oordeel ondermijnde Erasmus namelijk de autoriteit van de kerk. De vredelievende Erasmus moest echter niets van de theologische ideeën van Luther hebben en verdedigde het principe van de vrije wil.

Ook na het verdwijnen van de Latijnse school bleef er in Deventer een liberaal intellectueel klimaat bestaan. Het was niet toevallig dat Johannes van Vloten, een van de grondleggers van het moderne atheïstische humanisme in Nederland, uit Deventer kwam. Dick Metselaar, voorzitter van het Humanistisch Verbond van Deventer, heeft er voor gezorgd dat Vloten een eigen monument kreeg in de stad.

Rotterdam, de stad van Erasmus, is ook de stad van Pierre Bayle. Schuin tegenover het standbeeld van Erasmus op het Grote Kerkplein in Rotterdam staat het Bayle bankje, een eerbetoon aan deze belangwekkende voorloper van de Verlichting. De in 1681 naar Nederland gevluchte Franse hugenoot begon in Rotterdam zijn internationale populair-wetenschappelijke tijdschrift Nouvelles de la République des lettres en schreef er zijn Dictionnaire Historique et Critique, de voorloper van de moderne encyclopedie. Bayle verdedigde de vrijheid van godsdienst en geweten en keerde zich tegen bijgeloof en fundamentalisme. De orthodox-protestantse hugenotengemeenschap in ballingschap kon zijn kritiek niet altijd even waarderen en in 1693 werd Bayle ontslagen als hoogleraar aan de Illustere School.

Amsterdam, het paradijs van hoeren en drugs, heeft al eeuwenlang een libertijns imago. De pragmatische Amsterdamse kooplieden beseften dat geloofsvervolging slecht was voor de handel, dus voerden een politiek van tolerantie. Katholieken, remonstranten, lutheranen en Joden, maar ook vrijdenkers als de gebroeders Koerbagh en Spinoza hadden er (beperkte) ruimte om hun ideeën uit de dragen. Aan het einde van de negentiende eeuw en opnieuw in de jaren zestig van de twintigste eeuw vond Amsterdam zich opnieuw uit als cultureel en intellectueel centrum. De vraag in hoeverre Amsterdam nu nog steeds een tegendraadse stad is wordt door historicus Piet de Rooy in zijn venster op de hoofdstad echter niet beantwoord.

 

 

Vrijdenkersvereniging

Heel interessant is ook de geschiedenis van vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte, in de negentiende eeuw nog De Dageraad geheten. Deze club is veel ouder dan het naoorlogse Humanistisch Verbond en staat een atheïstisch humanisme voor. Bert Gasenbeek en de jonge historicus Leon Korteweg vertellen dat deze vrijdenkersvereniging begon met een controversieel boek, Licht en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java door de gebroeders Dag en Nacht (1854), waarin etnoloog Franz Junghuhn in de vorm van een fictieve dialoog felle kritiek leverde op het christendom. Bang vanwege de storm van kritiek die de publicatie van het boek veroorzaakte durfde de uitgever geen tweede druk aan, waarop de Amsterdamse dissidente vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux (Na de wolken komt het licht) besloot de tweede druk voor haar rekening te nemen. Een jaar later richtten deze vrijmetselaars het tijdschrift De Dageraad op, bij wijze van vervolg op het boek. Naar dit tijdschrift werd ook de vrijdenkersvereniging genoemd, waar in principe iedereen – dus ook arme mensen en vrouwen – lid van konden worden.

Multuatuli was een veelgevraagde spreker op bijeenkomsten van De Dageraad en Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de bekende radicaal-socialistische politicus, was lid van de vereniging. In het toen nog christelijke Nederland stuitte De Dageraad echter op veel weerstand. ARP-minister Theo Heemskerk weigerde in 1924 koninklijke goedkeuring te verlenen aan de statutenwijziging van de vereniging, toen men stelde ‘uitgaande van de rede’ zich ‘op atheïstisch standpunt’ te plaatsen. Atheïsme werd door deze christelijke minister, gesteund door een christelijke meerderheid in de Tweede Kamer, geassocieerd met anarchie (mede vanwege Domela natuurlijk) en in strijd met de goede zeden. Ook de socialistische VARA weigerde met De Dageraad samen te werken, vandaar dat de vrijdenkers in 1928 een eigen omroep oprichtten: de Vrijdenkers Radio Omroepvereeniging (VRO). De vrijdenkers namen op de radio geen blad voor de mond. Behalve het christendom moesten ook het fascisme en nazi-Duitsland er aan geloven. In de eerste radio-uitzending leverde Dageraad-voorzitter Jan Hoving kritiek op de Italiaanse dictator Mussolini, voor de Radio-omroep Controle-commissie (ROCC) een reden om de uitzending halverwege te onderbreken. De Nederlandse overheid was bang om buitenlandse dictators te provoceren. Uiteindelijk zou een kwart van de VRO-uitzendingen gedeeltelijk worden gecensureerd, een kwart werd door de ROCC zelfs helemaal geschrapt.

Katholieke politici drongen regelmatig aan op een verbod van De Dageraad. De in 1932 ingevoerde wet tegen de godslastering was in de eerste plaats tegen de atheïstische communisten gericht, maar beperkte ook de vrijheid van meningsuiting voor vrijdenkers. Fysiek belaagd werden de vrijdenkers door de NSB. Naar aanleiding van het artikel ‘Godslasteraars’, dat op 16 oktober 1936 in Volk en Vaderland stond, verstoorden tientallen WA-mannen een grote vrijdenkersbijeenkomst in Utrecht. In plaats van voor de belaagde vrijdenkers op de bres te springen drongen de christelijke Kamerleden aan op een verbod op VRO-uitzendingen, waarmee de minister op 16 november instemde. De NSB had met straatterreur dus de vrijheid van meningsuiting een flinke klap toegebracht.

Anton Constandse in 1973

Het blad van De Dageraad, inmiddels De Vrijdenker geheten, bleef echter felle kritiek op het nationaal-socialisme leveren. Dit was niet zonder gevolgen. Louis Fles besloot in de meidagen van 1940 – net als Menno ter Braak – zelfmoord te plegen; Anton Constandse werd naar aanleiding van zijn artikelen in oktober 1940 door de Duitsers opgepakt en opgesloten in Sint-Michielsgestel en de joodse vrijdenker Leo Polak overleed in december 1941 in Sachsenhausen. Over Constandse – anarchist, autodidact, Spanjestrijder en na de oorlog jarenlang buitenlandredacteur van de NRC – heeft historicus Wim Berkelaar een boeiend venster geschreven. De Groningse geschiedschrijver Homme Wedman schreef een gedenkwaardig stuk over filosofiehoogleraar Polak, die door de Duitse bezetter ‘de gevaarlijkste man van Groningen’ werd genoemd.

In 1946 kreeg De Dageraad concurrentie van het Humanistisch Verbond. De Dageraad, vanaf 1957 herdoopt in De Vrije Gedachte, dreigde in het slop te geraken. De seksuele revolutie van de jaren zestig en de opkomst van het moslimfundamentalisme zorgden echter voor nieuw vuur – de eerste ontwikkeling werd vanzelfsprekend omarmd, het moslimfundamentalisme liet zien dat de seculiere verworvenheden van Nederland allerminst vanzelfsprekend waren en verdedigd dienden te worden. De moord op Theo van Gogh krijgt in de bundel van Gasenbeek niet voor niets een apart venster. Paul Cliteur heeft er een indrukwekkend essay over geschreven.

 

Humanistische zuil

Na de Tweede Wereldoorlog krijgt Nederland een eigen humanistische zuil. Hoewel humanisten in principe tegen de verzuiling zijn maken ze wel pragmatisch gebruik van de mogelijkheden die de verzuiling biedt om eigen organisaties op te richten. Naast het Humanistisch Verbond wordt de Humanistische Omroep (nu HUMAN opgericht), een Universiteit voor Humanistiek (in Utrecht), de welzijnsorganisatie Humanitas en de ontwikkelingsorganisatie Hivos.

Hoewel ook de vrijdenkers tot de humanistische familie behoren zijn de humanisten in engere zin irenisch ingesteld. Vrijdenkers zoeken de confrontatie op, houden van het botsen der meningen, zijn polemisch van aard. Humanisten daarentegen houden meer van harmonie, zijn positiever over religie en spiritualiteit en hebben om die reden een wat softer imago. Niettemin hebben de softe humanisten – mede dankzij hun korte lijntjes met D66 en PvdA – maatschappelijk toch het een en ander bereikt. Nederland erkende als eerste land in de wereld het homohuwelijk en legaliseerde de euthanasie, iets waar de humanisten best trots op mogen zijn.

Vrijdenken & humanisme in Nederland. 40 plekken van herinnering (ISBN 9789068687132) is eind november verschenen bij uitgeverij Thoth. Het boek is geredigeerd door historicus Bert Gasenbeek, verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek en directeur van het Humanistisch Historisch Centrum, en bevat bijdragen van Wim Berkelaar, Bert Boelaars Paul Cliteur, Elsbeth Etty, Anton van Hooff, Nelleke Noordervliet, Miriam van Reijen, Piet de Rooy, Rob Tielman en vele anderen. Het boek telt 256 pagina’s en kost 19,90 euro.

 

 

Afbeeldingen: Wikimedia / Wikipedia Commons