Die criminelen van tegenwoordig. Ze hebben geen eer meer, geen stijl, geen scrupules. In maatpakken de Drooglegging ondermijnen. In smoking een museumstuk ontvreemden, hangend aan een klimtouw. In een bruin café met kleedjes op de tafels samenzweren. Een goudeerlijke kluiskraak. Een verpauperde buurt beheersen met gok- en kredietsyndicaten maar wel de weduwen en wezen in die buurt beschermen tegen gewetenloze huisjesmelkers. Kom er maar eens om, heden ten dage.

Schorem is het, kruimeldieven die hun hand niet omdraaien voor een babbeltruc bij een argeloze hoogbejaarde. Types die hun moeder nog zouden verkopen als het ze een paar tientjes opleverde. De oude penose is dood, de nieuwe garde is gewetenloos en geweldgeil. Opgefokt, drugsverslaafd, geen normen en waarden in hun donder. De oude garde kluiskrakers en maffiozen zouden zich omdraaien in hun oliedrum op de bodem van het Amsterdam-Rijnkanaal als ze konden zien welk losgeslagen tuig er nu de dienst uitmaakt, crimineel gesproken.

Waren historische booswichten echt beter dan de huidige generatie?

De bandietenkoning Sjako en zijn Fort

In de nadagen van de Gouden Eeuw was Amsterdam de woonplaats van bandietenkoning Jacob Frederik Muller, oftewel Sjako. Er bestaan meer volksvertellingen over de man dan historische feiten, en berucht is zijn rovershol aan de Elandsgracht, het Fort van Sjako. De vier panden, gesloopt in 1886, hebben echt bestaan. Ze vormden een overbevolkte huurkazerne, waar een groot aantal twijfelachtige lieden woonde in een wirwar van kamertjes en gangen. Er zouden geheime ontsnappingstunnels zijn, het pand zouden wij heden ten dage een ‘no go area’ voor de politie noemen en de Jordaan sprak er schande van. Wel is de folklore Muller goed gezind: hij wordt afgeschilderd als een soort Robin Hood van Amsterdam. In het Amsterdam Museum is zijn inbraakgereedschap te bewonderen.

Sjaco was allemachtig best voor de armoeiige mense. Een edelaardig mens die alleen van de rijkdom gapte. Had ie z’n slag geslage en zat ie dik in de cente, dan gaf ie d’r rejaal van weg. – Jacob van Lennep

Vooral verantwoordelijk voor die beeldvorming is schrijver Justus van Maurik, die in zijn roman “Toen ik nog jong was” (1901) overlevering en feiten over Sjako aanvulde met literaire vrijheden. Hij was degene die de panden aan de Elandsgracht noemde als rovershol van Sjako en zijn bende, maar bewijs hiervoor ontbreekt. Wat we wel weten is dat Muller zijn misdaden nooit in Amsterdam zelf pleegde, wat misschien verklaart waarom de lokale bevolking hem niet ongunstig beoordeelde. Sjako was erg goed in wat wij tegenwoordig babbeltrucs en woningovervallen zouden noemen. Hij en zijn vriendin, de prostituee Griet Lommers, bezochten welgestelde mensen met als smoes dat zij voor zaken kwamen. Zij namen de omstandigheden goed in zich op en keerden dan later terug om hun slag te slaan. Eenmaal, te Zevenhoven, was hun doelwit een oude weduwe die bij haar zoon inwoonde. De zoon was een week op reis, en Sjako en zijn bende hebben haar “de hals omgedraaijt en de wervelbeenen van de hals uijt malkanderen gedrongen.” De dame werd dood en vastgebonden op haar bed aangetroffen.

Screen Shot 2015-07-22 at 12.50.12 PM

Uiteindelijk, na herhaaldelijke gevangennemingen en ontsnappingen, werd Sjako ter dood veroordeeld en op 6 augustus 1718 geradbraakt en onthoofd op de Nieuwmarkt. Daarna werd zijn lijk te rotten gehangen in Amsterdam Noord. Het Fort, waar zijn dievenschat verborgen zou zijn, werd anderhalve eeuw later gesloopt en er werden ontsnappingstunnels noch een fortuin aangetroffen. In de gevel van de panden die nu op die plek staan, herinneren twee gevelstenen aan de roemruchte bandiet, die we gezien zijn track record toch misschien ten onrechte wat romantiseren. Jacob Frederik Muller pleegde misdrijven die tegenwoordig in de comment-panelen van nieuwsmedia de burgers zouden aanzetten tot woeste tirades en oproepen tot wrede executie. Het enige verschil is, helaas voor Sjako, dat justitie dat destijds daadwerkelijk deed.

Duivelaanbidders in een heksenjacht

Een andere vintage criminele bende die tot de verbeelding spreekt, is de bende van de Bokkenrijders. In de tweede helft van de achttiende eeuw teisterden de Bokkenrijders Zuid-Limburg, de Kempen, en de streek rond Luik. Ook hier zien we in de overlevering het Robin Hood-motief terugkeren. De Bokkenrijders, die hun naam danken aan mythologische demonen die letterlijk op bokken door het nachtelijk zwerk zouden vliegen, waren in feite inbrekers en afpersers. Ze stroopten boerenhoeven af en bedreigden rijke lui met brandstichting, tenzij ze ‘beschermingsgeld’ betaalden. Hoogstwaarschijnlijk was er in die dagen sprake van een golf van criminaliteit door allerlei verschillende groepen, en waren de Bokkenrijders niet één hierarchisch opgezet geheel.

Wat heeft bijgedragen aan hun faam, was het geloof dat zij duivelaanbidders waren. Justitie heeft bekentenissen van satanisme van leden van de ‘bende’, maar die zijn verkregen na martelingen dus aan de waarachtigheid daarvan wordt getwijfeld. Tegenwoordig is er zelfs een monumentje te Valkenburg, waar veel processen plaatsvonden, voor de onschuldig veroordeelden in wat letterlijk en figuurlijk een heksenjacht was van justitie. Wat, met de kennis van nu, overeind blijft, is het beeld van een armoedige, door criminaliteit geteisterde streek met nogal bijgelovige gezagsdragers. Die met hun demonisering van de Bokkenrijders juist een legendarisch beeld schiepen van een ongeregeld zootje schorem.

“Leefde Pistolen Paultje nog maar”

Paul Anton Wilking (1924-2005) kent u als Pistolen Paultje. Hij was een geliefd lid van de Amsterdamse penoze, en stond bekend om zijn sentimentele dierenliefde en de neiging om eigen rechter te spelen tegen dierenbeulen. Hij had hiertoe een soort burgerwacht opgezet, en ook loofde hij beloningen uit aan mensen met bruikbare tips over dierenmishandelaars. Aaaahw. Nog altijd zien we bij reacties op berichten over dierenmishandeling regelmatig de verzuchting “Leefde Pistolen Paultje nog maar.”

Wilking zou tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Verzet hebben gediend, en hoewel hij kort voor de bevrijding enige tijd gevangen heeft gezeten is hier verder geen bewijs voor. Later verdiende hij de kost met wapenhandel. Het is het ideale recept voor een knuffelcrimineel: verzetsheld, dierenvriend, een vrije jongen. Wapenhandel, sja, het mag natuurijk niet en de vriendschappen die hij onderhield met types als dictator Mobutu zijn twijfelachtig. Maar de gewone man in de straat heeft meer last van stelende junkies dan van een volksjongen zonder kapsones die in wapentuig handelde, wat de gunstige publieke opinie over hem zou kunnen verklaren.

318px-Pistolen_Paultje

Paul Wilking

Pistolen Paultje was misschien de ergste niet, maar dat hij beeldbepalend is voor zijn generatie criminelen is onterecht. Ook toen was de onderwereld niet mals als het aankwam op zaken als vrouwenhandel, liquidaties, intimidatie en wat er verder zoal komt kijken bij een succesvolle carriere als beroepscrimineel.

Holleeder de rockster

Zijn we tegenwoordig zo veel slechter af met ons boeventuig? Moeten we terugverlangen naar de dagen van bandieten en struikrovers, de erecode van de maffia, de joviale penoze, de romantiek van schurken als Sjako, de Bokkenrijders en Pistolen Paultje?

Wie weet zien we de extreem gewelddadige Bende van Nijvel later ook in een ander licht. De mythevorming rond deze groep is al in volle gang, mede doordat de leden nooit zijn ontmaskerd en er de wildste geruchten gaan over bescherming van hogerhand. De bende opereerde in grofweg hetzelfde gebied als destijds de Bokkenrijders, en hoewel het onwaarschijnlijk is dat zij ooit als moderne Robin Hoods zullen worden beschouwd, spreekt een en ander danig tot de verbeelding.

Willem Holleeder, de man is een rockster, ondanks het leed dat hij met name de families Heineken en Doderer heeft aangedaan. Mensen willen met hem op de foto, hij komt op societyfeestjes en op tv. De Hells Angels en andere motorclubs: hoewel we weten dat dit keiharde types zijn met vermoedelijke tentakels in drugs- en vrouwenhandel en er regelmatig afrekeningen plaatsvinden in de motormilieus, is de vrijbuitersromantiek rond zulke gangs onverwoestbaar. (Ziet u, ik zei ‘vermoedelijke’. Want ik heb weinig zin om zoals Frits Barend, bibberend en met een blauw oog, publiekelijk mijn harde woorden over deze gemotoriseerde gezelligheidsvereniging te moeten terugnemen.)

Schelmenromantiek

De Mocro Maffia die een bloedige oorlog uitvecht in de straten van Amsterdam, het is godgeklaagd en de politie krijgt er geen grip op. Maar in iedere film over de Amerikaanse maffia zit wel een montage van snel draaiend in beeld komende krantenvoorpagina’s met korrelige zwartwit-foto’s van mannen in mooie pakken, doorzeefd met kogels in autos of in stegen. Onderwereldoorlogen en liquidatiegolven zijn niet nieuw en of de daders en slachtoffers nou in klassieke wagens rijden, maatpakken dragen en tommyguns op elkaar leegschieten, of dat ze vanaf scooters met prada-tasjes om elkander kalasjnikoviseren, dat is slechts een uiterlijk verschil.

De ene crimineel spreekt meer tot de verbeelding dan de ander, en meestal is de legendevorming rond boeven en de romantisering van criminele daden een kwestie van tijd. Pas als de bloedsporen weg zijn en de nabestaanden overleden, is er ruimte voor schelmenromantiek. Zolang de onverlaten in leven en welzijn ons teisteren met hun geweld en intimidatie zal de brave burger verzuchten: “wat een gajes. Vroeger, toen hadden we nog mooie kerels in de criminaliteit.”

Beeld cc: Nationaal Archief

Header beeld: Amerikaanse maffiosi Vincent ‘Mad Dog’ Coll verlaat lachend de rechtbank. cc: Library of Congress