In de driedelige miniserie ‘Van Schermerhorn tot Fortuyn. De Nederlandse politiek na 1945’ beschrijft politiek historicus Ewout Klei in een helder overzicht de politieke geschiedenis van ons land. Vandaag deel III (slot): Polderen en puinhopen.

Van Agt I, II en III

Het eerste kabinet-Van Agt, dat in 1977 aantrad, had kritiek op het ‘potverteren’ van Den Uyl en begon met ‘puinruimen’. Het bezuinigingsbeleid bleek achteraf echter weinig succesvol te zijn. In 1981 kwam het tweede kabinet-Van Agt tot stand, nu met de PvdA en D´66. Dit kabinet was door linkse CDA’ers gewild, maar niet door Van Agt. Het kabinet viel dan ook na acht maand over een conflict over bezuinigingen. Het CDA regeerde samen met D´66 in een overgangskabinet, het kabinet-Van Agt III, dat de verkiezingen van 1982 moest voorbereiden.

Van 1982 tot 1989 regeerde het CDA met de VVD, van 1989 tot 1994 met een pragmatischere PvdA. Pas in 1986 zou Den Uyl namelijk zijn fractievoorzitterschap van de PvdA naast zich neer leggen. Tot die tijd hield hij de PvdA stevig in zijn greep en zorgde er door zijn sterk ideologische positionering voor dat de partij in de oppositie bleef. Linkse CDA’ers lieten onder Van Agt nog wel van zich horen. De zogenaamde ‘loyalisten’, die in 1977 liever een coalitie met de PvdA hadden gewild, lieten het een paar keer bijna op een crisis aankomen. Begin jaren tachtig werd er door de ‘linkse kerk’ fel gedemonstreerd tegen de plaatsing van kruisraketten. Pas in 1985 zouden de loyalisten van het politieke toneel verdwijnen.

Het Lubbers-effect

Het CDA was in de jaren tachtig behoorlijk succesvol. Het was de partij van het maatschappelijke middenveld. Het CDA combineerde het katholieke subsidiariteitsbeginsel met het antirevolutionaire beginsel van soevereiniteit in eigen kring en deed een appel op de eigen verantwoordelijkheid van de burger.

Het CDA was een tot op zekere hoogte ontzuilde partij in een tot op zekere hoogte ontzuilde maatschappij. De socioloog J.A.A. van Doorn heeft de veranderingen in de katholieke en protestantse zuil tussen 1965 en 1990 goed samengevat:

‘Wat ontzuiling is gaan heten bestaat in belangrijke mate in een herdefiniëring en hergroepering van confessionele belangen. Herdefiniëring, in zoverre men ruimere dan eng-kerkelijk gebonden kaders vond en uitdroeg ter legitimering van het confessionele initiatief; hergroepering, waar instellingen en organisaties van verschillende levensbeschouwelijke kleur een interconfessioneel verbond sloten waarin hun eigenheid dan wel oploste maar waarmee de zaak van het algemeen-confessionele belang niettemin bleef gediend.’

Deze christelijke hergroepering was echter maar tijdelijk succesvol. Het CDA zou in 1994 zijn machtspositie verliezen.

In de jaren tachtig en negentig werd de afstand tussen de politieke leider en de partij veel groter. Door de ontzuiling was de vanzelfsprekende band tussen kiezer en gekozene verloren gegaan. De jaren zestig betekenden het einde van de vanzelfsprekendheid van het gezag, maar ook van de verbondenheid. Veel mensen voelden zich daarom niet meer betrokken bij kerken, levensbeschouwelijke instellingen en confessionele partijen en zegden hun lidmaatschap van deze organisaties op. Politicoloog Ruud Koole beschreef de neergang van de zuilen in zijn proefschrift De opkomst van de moderne kaderpartij. Omdat de grote politieke partijen mensen niet meer warm konden maken voor grote levensbeschouwelijke thema’s bewogen deze partijen zich ideologisch gezien naar het midden en richtten ze zich op de kiezers uit de middengroepen. Het werden catch-all-parties.

Trouw aan hun ideologie waren wel de kleine christelijke partijen SGP, GPV en RPF. Roel Kuiper van de Reformatorische Politieke Federatie schreef in 1996 een het boekje Reformatorische partijvisie, waarin hij uitgebreid het proefschrift van Koole besprak. Volgens Kuiper was de band tussen kiezer en gekozene bij kleine christelijke partijen nog wel in orde, omdat zij bleven vasthouden aan hun beginselen. Niet de macht van het getal maar de doorwerking van hun eigen (nationaal-christelijke) overtuiging stond bij hun voorop. De kleine christelijke partijen hadden in tegenstelling tot de andere partijen niet te kampen met ledenverlies. Zij waren nog echt ouderwets verzuild.

Vanaf de jaren tachtig werden de politieke discussies gesmoord door de zogenaamde regeerakkoorden, waar de coalitiepartijen zich vrijwillig aan hadden gebonden. Op deze manier kwam de controlerende functie van het parlement in gevaar. Door de regeerakkoorden en de professionalisering van het politieke bedrijf begonnen de grote partijen steeds meer op elkaar te lijken.

Lubbers was vooral een pragmatische bestuurder. Hij liet zich leiden door het motto no-nonsense en was wars van ideologische discussies. Omdat Lubbers zich niet overdreven christelijk gedroeg was hij als premier ook bij veel niet-christenen populair. Vele VVD-stemmers besloten om CDA te stemmen omdat Nederland dankzij het economische beleid van Lubbers uit de crisis werd getrokken. In 1986 en 1989 haalde het CDA dankzij het Lubbers-effect 54 zetels.

Paars

Wim Kok, die Lubbers in 1994 opvolgde als premier, was ook wars van ideologie. Als FNV-voorzitter had hij in 1982 met de werkgevers het akkoord van Wassenaar gesloten, wat leidde tot het beroemde poldermodel. Werkgeversorganisaties en vakbonden sloegen elkaar niet meer de spreekwoordelijke hersenen in, maar probeerden er samen uit te komen.

In 1986 werd Kok de nieuwe leider van de PvdA. Als fractievoorzitter voerde hij veel constructiever oppositie dan Den Uyl. Hij bracht na drie jaar de PvdA weer in het regeerkasteel terug. Als minister van financiën wilde Kok in 1991 de WAO herzien, wat leidde tot een ernstig conflict met zijn eigen partij. De PvdA besloot echter Kok haar vertrouwen te schenken en het kabinet-Lubbers kon daarom de rit blijven uitzitten.

In 1994 werd Kok minister-president. Hij zette de no-nonsense stijl van zijn voorganger voort. In zijn roemruchte Den Uyl-lezing van 11 december 1995 in debatcentrum De Rode Hoed noemde Kok het afschudden van zijn ideologische veren ‘een bevrijdende ervaring’.

Het eerste kabinet-Kok was het eerste kabinet sinds 1918 zonder christelijke partijen. Het CDA, dat niet in dit kabinet vertegenwoordigd was, had in 1994 een enorme zeperd gemaakt. De partij zakte terug van 54 zetels naar 34. De oorzaak van dit dramatische verlies was vooral het slechte optreden van lijsttrekker Elco Brinkman, die tijdens het derde kabinet-Lubbers tegen oppositiepartij de VVD aanschuurde, de AOW wilde afschaffen en tenslotte in conflict raakte met Lubbers. De PvdA verloor ook fors, de partij zakte van 49 naar 37 zetels, maar omdat het verlies van het CDA veel groter was was de PvdA de grootste partij geworden.

Grote winnaar van de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 was D66 (sinds 1985 zonder apostrof geschreven). De partij won 12 zetels en kwam op 24 uit. Hans van Mierlo, die in 1985 weer was teruggekeerd als lijsttrekker, wilde onder geen beding met de confessionelen in een kabinet zitten. Afkeer voor de riante positie van het CDA in het vermaledijde midden speelde een rol, maar ook het morele conservatisme van de partij. Mede daarom kwam er een unieke coalitie tot stand tussen D66 en de voormalige aartsvijanden PvdA en VVD, die 31 zetels had behaald. Het succes van het CDA, dat het in 1986 en 1989 ook goed deed bij de niet-confessionele kiezers, had in de jaren tachtig de doorgaande secularisatie aan het oog ontrokken. Nu werd ze weer goed zichtbaar.

Het voorwerk voor de paarse coalitie was gedaan door het Des Indes-beraad, een informeel beraad tussen politici van VVD, PvdA en D66 dat vanaf medio jaren zeventig werden georganiseerd in het statige hotel Des Indes aan de Lange Vijverberg in Den Haag. Deze bijeenkomsten waren het initiatief van de JOVD, de onafhankelijke liberale jongerenorganisatie die aan de VVD verbonden was. De JOVD wenste een kabinet zonder christelijke partijen omdat alleen zo’n kabinet op immaterieel gebied een liberaal beleid kon voeren. In 1992 presenteerde de JOVD samen met de jongerenorganisaties van PvdA en D’66 een paars manifest. Dit pamflet van ‘antichristelijke jongeren’ (aldus het aan de SGP verbonden Reformatorisch Dagblad) pleitte onder andere voor legalisering van softdrugs, het homohuwelijk en de euthanasie, liberale stokpaardjes die paars uiteindelijk allemaal ook in wetten zou omzetten.

Paars I deed het erg goed. Het economische tij zat mee en er werden veel banen gecreëerd. De coalitie mocht in 1998 van de kiezer blijven zitten. Onder Paars II werd het bordeelverbod opgeheven, werden euthanasie en het homohuwelijk mogelijk gemaakt en kwam er een veel ruimere openingsregeling voor winkels op zondag. De christelijke partijen protesteerden fel, maar het vermocht niets.

Onbehagen en populisme

Het tweede paarse kabinet was niet zo fris en fruitig als het eerste paarse kabinet. In 1999, tijdens de beruchte nacht van Wiegel, strandde het correctief referendum in de Eerste Kamer. Dit had een kabinetscrisis tot gevolg, die echter al gauw werd opgelost. D66 vond het pluche belangrijker dan haar staatrechtelijke kroonjuwelen. D66, dat in 1998 was teruggezakt van 24 naar 15 zetels, werd hierdoor echter steeds minder geloofwaardig bij haar kiezers.

Bij een deel van de Nederlandse bevolking groeide het ombehagen over paars. Orthodoxe christenen waren vanaf het begin af aan tegen het kabinet geweest, vanwege het seculiere karakter van paars, maar in het kritische koor mengden zich ook anderen. In het jaar 2000 werd de Edmund Burke Stichting opgericht door de Leidse rechtsfilosoof prof. dr. Andreas Kinneging, VVD’er Joshua Livestro en de journalist Bart Jan Spruyt van het Reformatorisch Dagblad. De Burke Stichting was vernoemd naar de Iers-Britse filosoof Edmund Burke, de godfather van het conservatisme. De nieuwe conservatieven hadden kritiek op het huns inziens doorgeschoten individualisme en pleitten voor normen en waarden. Ook het CDA, dat in de jaren negentig gedwongen was om zichzelf opnieuw uit te vinden, vond normen en waarden belangrijk.

De belichaming van het onbehagen over paars werd echter Pim Fortuyn. Deze wetenschapper en publicist keerde zich tegen ‘de verweesde samenleving’, had kritiek op de multiculturele samenleving en deed een beroep op het Nederlandse volk. In 1992, een kleine tien jaar voordat hij de politiek inging, schreef Fortuyn het pamflet Aan het Volk van Nederland. Hij keerde zich hierin tegen ‘ons soort mensen’, de politici van de grote partijen, die volgens hem niet het volk vertegenwoordigden maar uit waren op het krijgen van mooie baantjes. Fortuyn wilde de kloof tussen burger en politiek overbruggen en speelde daarvoor de rol van een Messias, net als zijn ‘illustere voorganger en voorbeeld’ Joan Derk van der Capellen tot den Pol die in 1781 ook een pamflet Aan het Volk van Nederland had geschreven.

De opkomst van Pim Fortuyn, die de minderhedenproblematiek bespreekbaar maakte, en een rapport over de val van Srebrenica in 2002 versterkten het negatieve beeld over Paars. Vanwege de conclusies uit het Sebrenica-rapport diende het kabinet op 16 april 2002 zijn ontslag in. Veel maakte dit echter niet uit want de verkiezingen stonden vlak voor de deur.

Op 6 mei werd Pim Fortuyn vermoord door een doorgedraaide milieuactivist. Op 15 mei behaalde zijn partij LPF 28 zetels en het CDA onder leiding van de relatief onbekende Jan-Peter Balkenende won 43 zetels. Het CDA had nogal vruchteloze oppositie gevoerd tegen Paars, wat in 1998 geleid had tot het verlies van 5 zetels, maar wist in 2002 het vertrouwen van de kiezer terug te winnen. Het CDA vormde samen met de verzwakte VVD het eerste kabinet-Balkenende. Na interne ruzies viel dit kabinet in het najaar van 2002. De PvdA, de grootste verliezer in mei 2002, wist in 2003 weer op te krabbelen onder de leiding van de charismatische Wouter Bos. Na de verkiezingen werden coalitieonderhandelingen gevoerd tussen PvdA en CDA, maar die ketsten af, waarna een regering werd gevormd van CDA, VVD en D66. De PvdA belandde vervolgens in de oppositie.

Besluit

Het fenomeen Fortuyn heeft de politieke partijen voor uitdagingen gesteld. In hoeverre hebben partijen in het ontzuilde nog contact met de kiezers? Moet politiek niet veel persoonlijker worden? En heeft ideologie definitief afgedaan? Of moeten we weer ergens in geloven? De grote politieke partijen CDA, PvdA en VVD worstelen met hun identiteit en hebben moeite om hun electoraat te behouden. De kloof tussen burger en politiek is na vijftien jaar populisme en tien jaar PVV groter dan ooit, wat mede versterkt wordt door de groeiende macht van de Europese Unie die maar niet democratischer wordt.

Meer lezen?

J.C. H. Blom, ‘Jaren van tucht en ascese. Enige beschouwingen over de stemming in herrijzend Nederland (1945-1950)’ in: P.W. Klein en G.N. van der Plaat red., Herrijzend Nederland. Opstellen over Nederland in de periode 1945-1950 (’s-Gravenhage 1981) 125-158.

Bosscher, ‘De jaren vijftig epischer geduid’ BMGN 112 (1997) 209-227.

J.A.A. van Doorn, ‘De onvermijdelijke presentie van de confessionelen’ in: J.W. de Beus, J.A.A. van Doorn en P.B. Lehning, De ideologische driehoek. Nederlandse politiek in historisch perspectief (Meppel 1989) 112-146.

Harinck en L. Winkeler, ‘De twintigste eeuw’ in: H.J. Selderhuis red., Handboek Nederlandse kerkgeschiedenis (Kampen 2006) 723-914.

de Keizer, De gijzelaars van Sint- Michielsgestel. Een elite-beraad in oorlogstijd (Alphen aan den Rijn 1979).

Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig (Amsterdam, Meppel 1995).

Koole, Politieke partijen in Nederland. Ontstaan en ontwikkeling van partijen en partijstelsel (Utrecht 1996).

R.A. Koole en H.M. ten Napel, ‘De riante positie in het vermaledijde ‘midden’. Confessionele machtsvorming op nationaal niveau’ in: P. Luykx en H. Righart red., Van de pastorie naar het torentje. Een eeuw confessionele politiek (’s-Gravenhage 1991) 72-92.

Kuiper, Reformatorische partijvisie: de RPF als christelijke politieke partij (Amsterdam 1996).

de Liagre Böhl, ‘Consensus en polarisatie. Spanningen in de verzorgingsstaat, 1945-1990’ in: R. Aerts e.a., Land van kleine gebaren. Een politieke geschiedenis van Nederland 1780-1990 (Nijmegen 1999) 265-342.

Livestro, De adem van grootheid. Nederland in de jaren vijftig (Amsterdam 2006).

de Rooy, ‘Een zoekende tijd. De ongemakkelijke democratie, 1913-1949’ in: R. Aerts e.a., Land van kleine gebaren. Een politieke geschiedenis van Nederland 1780-1990 (Nijmegen 1999) 179-264.

Piet de Rooy en H. te Velde, Met Kok over een veranderend Nederland (Amsterdam 2005).

te Velde, Stijlen van leiderschap. Persoon en politiek van Thorbecke tot den Uyl (Amsterdam 2002).