Bij uitgeverij Balans verschenen onlangs twee boeiende biografieën: het boek van Peter Brusse over zijn vader Marie Joseph Brusse (1873-1941) en het verhaal van Dirk Wolthekker over de Amsterdamse burgemeester Gijs van Hall (1904-1977). 

Afbeeldingsresultaat voor m.j. brusse

Eerste moderne Nederlandse journalist

Marie Joseph Brusse was misschien wel de eerste moderne journalist van ons land. Hij schreef over gebeurtenissen vanuit zijn eigen gezichtspunt, hij maakte gebruik van de dialoogvorm om zijn interviews en gesprekken levendig weer te geven. Ook ging hij in 1898 undercover, als een Nederlandse Günter Wallraff, om te ervaren hoe zeelieden werden afgeperst en bestolen.

Brusse was een sociaal bewogen journalist, die schreef over de zelfkant van de samenleving. Hij interviewde hiervoor ook gewone mensen. Sommige van zijn verhalen werden gebundeld en als boek uitgebracht. Zijn verhaal over de Rotterdamse hoeren werd een bestseller.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog ging Brusse naar België en daarna de Balkan, om de oorlog te verslaan. Hij bracht over het oostfront twee boeken uit, De gruwelen van den oorlog in Servië en Hollandsch hospitaal in een gebombardeerde stad, over een Nederlandse arts in Monastir.

Brusse was literair begaafd. Hij schreef het toneelstuk Boefje, dat in Nederland honderden keren werd opgevoerd en in 1939, twee jaar voor zijn overlijden, werd verfilmd.

Onder de mensen is persoonlijke zoektocht van een zoon naar zijn vader. Peter Brusse, de auteur van het boek, is de zoon van Marie Joseph Brusse. Peter heeft zijn vader nooit goed gekend, want Marie Joseph Brusse overleed op 67-jarige leeftijd toen Peter vier jaar was.

In 2005 is de M.J. Brusse-prijs ingesteld voor het beste journalistieke boek. Deze prijs wordt sinds 2010 tweejaarlijks uitgereikt.

 

Alleen omdat ik een Van Hall ben

Van Hall ten val

Burgemeester Gijs van Hall kende ik vooral als de falende burgemeester van Amsterdam, die in de jaren zestig niet goed wist hoe hij met de protesten van Provo diende om te gaan en daarom ten val kwam. Dirk Wolthekker laat in zijn prachtig geschreven biografie zien dat Van Hall natuurlijk veel meer was.

Van Hall kwam uit het regentengeslacht Van Hall, waarvan de negentiende-eeuwse minister Floris Adriaan baron van Hall de bekendste telg was. Gijs van Hall had aanvankelijk zijn goede naam mee, maar later tegen omdat Provo tegen alles aanschopte wat voornaam leek.

In de Tweede Wereldoorlog zat Van Hall bij het verzet. Zijn rol was best belangrijk, want hij financierde als bankier het Nederlandse verzet. Hierdoor kreeg hij na de oorlog veel respect en waardering, wat hem mede het burgemeestersambt opleverde. Cruciaal was echter zijn lidmaatschap van de PvdA. In 1956, een jaar voordat hij burgemeester van Amsterdam werd, besloot Van Hall lid te worden. Met interne partijpolitiek bemoeide Van Hall zich niet. Hij wilde de politiek zakelijk leiden, als een bedrijf.

Tijdens zijn eerste ambtstermijn, van 1957 tot 1963, deed Van Hall het heel goed. Tijdens zijn tweede ambtstermijn echter waren de tijden veranderd. Hij kreeg te maken met een nieuw medium, de televisie, waar Van Hall maar moeilijk mee kon omgaan. Ook was er een progressieve, kunstzinnige protestbeweging in Amsterdam ontstaan, Provo, die het gezag belachelijk maakte en telkens weer uitdaagde. Politiecommissaris Hendrik Jan van der Molen trad keihard tegen Provo-demonstranten op, hierbij geruggensteund door Van Hall. De Amsterdamse burgemeester vond de aanpak van Van der Molen weliswaar te rigoureus, maar gaf de politiecommissaris een carte blanche om naar eigen inzicht te handelen. Dit zou Van Hall politiek gezien de kop kosten, want de beelden van in elkaar geslagen demonstranten gingen heel Nederland over en de positie van de burgemeester, die de uiteindelijke verantwoordelijke was van dit politiegeweld, werd daardoor onhoudbaar. In 1967, een jaar na de Provo-rellen, ruimden Van der Molen en Van Hall het veld.