Het vijfde deel in de serie Ewouts Erflaters gaat over Baruch Spinoza, de beroemdste filosoof uit Nederland. Wie was hij? Wat vond hij? En waarom was hij zo beroemd?

Een hoogstgeleerde filosoof

Behalve de studie geschiedenis deed ik in Groningen ook een tijdje aan filosofie. Het was een beetje de intellectuele mode op de GSV, de Gereformeerde Studentenvereniging waar ik lid van was. Filosofie gaf je meer inzicht in hoe de wereld werkte en hielp je om mogelijke antwoorden te vinden op de grote vragen die ik – toen wel – heel belangrijk vond: 1) Wat is de zin van het leven? 2) Bestaat God? 3) Hoe kunnen we dit allemaal zeker weten? Op geen van deze drie vragen kreeg ik een bevredigend antwoord. Wellicht was dat ook de bedoeling van filosofie, maar laten we deze zinloze zinvraag wat voor zij is. Nee, aan mij is geen groot filosoof verloren gegaan, en ja, ik heb er Godzijdank, ik bedoel Redezijlof, wel veel van opgestoken, waardoor ik als historicus meer inzicht kreeg in de intellectuele geschiedenis van onze Westerse wereld.

Baruch Spinoza, die in het Latijn Benedictus de Spinoza heette en in het Portugees Bento de Espinosa, is zo’n filosoof waar ik maar weinig van begrijp, maar wiens intellectuele invloed op de geschiedenis van het Europese denken ongelooflijk belangrijk is geweest. Zijn zwaar filosofische boek Ethica behoort samen met Kritik der reinen Vernuft van Immanuel Kant, de Principia Mathematica van Bertrand Russell en Alfred North Whitehead, de Tractatus Logico-Philosophicus van Ludwig Wittgenstein en natuurlijk Sein und Zeit van Martin Heidegger (de filosoof-van-de-heideggeriaanse-streepjes en waarom-makkelijk-doen-als-het-moeilijk-kan) tot de ondoorgrondelijkste boeken uit onze geschiedenis. Gelukkig schreef Spinoza ook een wat makkelijker boek, de Tractatus Theologico-Politicus, waarin hij lekker tekeer ging tegen het letterlijke geloof in de Bijbel en pleitte voor de democratie als beste staatsvorm. In mijn verhaal laten we de Ethica voor wat die is en kijken we naar de mens en de intellectueel achter deze hoogstgeleerde (ik ben slechts ‘zeer geleerd’) filosoof.

Ontworteld

Spinoza werd op 24 november 1632 geboren te Amsterdam. Hij was van Joodse afkomst. Zijn voorouders kwamen van het Iberisch schiereiland, maar waren naar Nederland gevlucht omdat Spanje en vanaf 1580 ook Portugal de Joden zwaar vervolgden. In de Republiek was er weliswaar geen volledige godsdienstvrijheid, maar de rijke Sefardische Joden uit Spanje en Portugal werden getolereerd en waren in de kosmopolitische handelsstad Amsterdam meer dan welkom.

Onze held had een knappe kop en velen meenden dan ook dat Spinoza een rabbi zou worden, een Joodse Schriftgeleerde. Het liep anders. Niet alleen stelde de jonge Spinoza allemaal lastige vragen die van de strenggelovige Schriftgeleerden niet gesteld mochten worden, maar ook was hij nodig in het familiebedrijf nadat zijn oudere broer was overleden. Het ging niet goed met de zaken van Spinoza senior, vooral vanwege de Eerste Engelse Zeeoorlog, en toen hij in maart 1654 overleed was de handelsfirma nagenoeg failliet.

Op 27 juli 1656 werd Spinoza uit de Sefardische gemeenschap verstoten. In de banvloek stond dat Spinoza er ‘vreselijke ketterijen’ en ‘monsterlijke daden’ op nahield. Welke vreselijke ketterijen en monsterlijke daden dat waren werd echter niet verteld. Sommige historici menen dat Spinoza vanwege zijn vrijzinnige ketterse denkbeelden in de ban werd gedaan, anderen denken dat het komt omdat hij de schuldeisers van wijlen zijn vader niet wilde betalen, weer anderen vermoeden dat het combinatie van die twee was. Spinoza was in woord en daad ‘goddeloos’ en mocht om die reden geen lid meer zijn van de Joodse gemeenschap in Amsterdam. Hij was een ‘afvallige’. (Een kleine persoonlijke noot: historicus Remco van Mulligen noemde mij om die reden altijd de Spinoza van de gereformeerden, ik noemde Spinoza om die reden voor de grap de zeventiende-eeuwse Ewout Klei.)

Verstoting uit een gemeenschap was niet niks, maar Spinoza wist zich gelukkig te redden. Hij leerde een praktisch vak, het slijpen van lenzen voor microscopen, vergrootglazen, verrekijkers en telescopen waarmee hij in zijn levensonderhoud voorzag. Daarnaast had Spinoza om zich heen een kleine maar trouwe kring van vrienden verzameld. De koopman en amateurfilosoof Pieter Balling vertaalde Spinoza’s Latijnse werken in het Nederlands, Jan Rieuwertsz gaf zijn boeken uit, de rijke koopman Simon Joosten de Vries verstrekte de briljante filosoof een jaargeld en de tegendraadse toneelschrijver Lodewijk Meyer schreef radicale pamfletten die ten onrechte aan Spinoza werden toegeschreven. Ze waren bad boys, rebels with a cause, die elkaar waarschijnlijk ontmoet hadden in de Latijnse school op het Singel van de radicale denker Franciscus van den Ende.

Tot de vriendenkring van Spinoza behoorde ten slotte ook Adriaen Koerbagh, die als provocerende publicist veel meer aanspraak maakt op de anachronistische titel van zeventiende-eeuwse Ewout Klei. Koerbagh schreef enkele anonieme boeken, waarin hij beweerde dat de gereformeerde religie een verzinsel was met als doel de goegemeente dom te houden. Koerbach schreef deze boeken ook nog in het Nederlands van diezelfde goegemeente in plaats van het Latijn, iets dat zelfs voor de toch rekkelijke elite van Amsterdam een brug te ver was. Helaas voor hem ontdekten de autoriteiten dat hij de auteur was en veroordeelden hem in 1668 tot tien jaar rasphuis. Een jaar later overleed Koerbagh vanwege de zware omstandigheden waarin hij zijn dwangarbeid moest verrichten. Waarom dit belangrijk is? Hoewel Nederland ten aanzien van de publicatie van boeken in de zeventiende eeuw een stuk toleranter was dan zijn buurlanden was de vrijheid van meningsuiting en denken verre van absoluut. Spinoza gaf om die reden zijn Tractatus Theologico-Politicus in 1670 anoniem uit. Dit boek werd in 1674 verboden. In 1678, een jaar na zijn overleden, verscheen Spinoza’s filosofische hoofdwerk Ethica postuum. Waren beide werken in leven en welzijn onder Spinoza’s naam verschenen, dan was Koerbagh in het rasphuis ongetwijfeld vergast op goed gezelschap.

Vrijdenken versus theocratie

De Tractatus Theologico-Politicus gaat, zoals de titel al aangeeft, over theologie en politiek. Volgens Spinoza, maar ook volgens zijn tijdgenoten, hadden beide zaken alles met elkaar te maken. Het boek verscheen in 1670, tijdens het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672) toen de regentenpartij in de Republiek de dienst uitmaakte. Raadspensionaris Johan de Witt, de leider van deze ‘partij’, wilde onder geen beding dat er een Oranje weer stadhouder zou worden. De Witt stond op religieus en intellectueel gebied een tolerant beleid voor, met relatief veel vrijheid voor iedereen.

De tegenstanders van de regentenpartij waren de Oranjegezinden, die vonden dat Willem III van Oranje stadhouder moest worden. De Oranjepartij was het sterkst onder het gewone volk en onder de calvinistische predikanten. De Oranjegezinde calvinistische predikanten hadden als ideaal een theocratie. Deze christelijke staat had volgens artikel 36 uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) van Guido de Brès als taak ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij, en valsen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen’. De ideeën van Spinoza, Koerbagh, Meyer en anderen waren afkomstig uit het rijk van de antichrist en moesten actief door de overheid worden bestreden. Brandstapels vonden de zeventiende-eeuwse calvinisten een beetje te ver gaan, maar het verbieden van boeken en het rasphuis waren probate middelen tegen ketterij. Gisbertus Voetius, de belangrijkste calvinistische theoloog uit deze tijd, had er met zijn ideologische gedram voor gezorgd dat de Franse filosoof René Descartes Nederland verliet. Voetius geloofde dat de Bijbel van kaft tot kaft letterlijk waar was, dat wonderen echt waren gebeurd en dat als de wetenschap wat anders beweerde dan de Bijbel de wetenschap aan het kortste eind moest trekken.

Spinoza keerde zich in de Tractatus Theologico-Politicus tegen deze theologische opvattingen. De Bijbel was een boek dat door mensen was geschreven, de wonderen in de Bijbel waren niet echt gebeurd en de Bijbel had geen speciaal gezag over de mensen. Spinoza vond daarentegen de vrijheid van denken heel belangrijk. In de ‘Voorrede’ van zijn traktaat schreef hij: ‘Ons is nu dus het zeldzame geluk ten deel gevallen dat wij leven in een staat waarin een ieder de onbeperkte vrijheid is toegestaan, en waarin niets als kostbaarder en dierbaarder wordt beschouwd dan de vrijheid.’ Dit was natuurlijk vloeken in Voetius’ kerk, want daarin draaide het om totale onderwerping.

Volgens de vrijzinnige theoloog C.J. den Heyer, die over zijn Verlichte voorgangers (pun intended) een alleraardigst boek schreef, was Spinoza met zijn Bijbelkritiek zijn tijd tweehonderd jaar vooruit. Pas in de negentiende eeuw ontstond in de theologische wetenschap namelijk de historisch-kritische Bijbelkritiek. Heel erg laat, maar beter laat dan nooit zullen we maar zeggen.

Door zijn tegenstanders werd Spinoza van atheïsme beschuldigd. Maar was Spinoza ook een atheïst? Dat is een lastige vraag om te beantwoorden. Spinoza geloofde dat God geen bovennatuurlijk wezen was, een persoonlijke God, die los van zijn schepping bestond. God was niet transcendent maar immanent, overal in aanwezig. Dit ‘pantheïsme’ leidde bij Spinoza echter niet tot een vage spiritualiteit, maar tot een uiterst rationele intellectuele houding die erg atheïstisch aandoet. In Het Atheïstisch Woordenboek (uitgeverij Houtekiet) van Paul Cliteur en Dirk Verhofstadt, dat vorige week verscheen, komt Spinoza dan ook een uitgebreid lemma toe, omdat hij als eerste durfde om dogma, geloof en traditie radicaal ter discussie te stellen. De fans van Spinoza, tijdgenoten als Koerbagh, maar ook een heleboel anderen, beschouwden zijn kritische methode als een manier om echt vrij te denken.

In 1672 kwam er een einde aan het Eerste Stadhouderloze Tijperk. Het was het beruchte Rampjaar. Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos. Johan de Witt en zijn broer Cornelis werden op het Groene Zoodje, de executieplaats voor de Gevangenpoort in Den Haag, door een woedende menigte gelyncht. Spinoza, die inmiddels naar Den Haag was verhuisd, was zo woedend dat hij een pamflet wilde ophangen op de plaats waar de gebroeders De Witt waren vermoord. Spinoza’s huisbaas, de schilder Hendrik van der Spijck, praatte dit de filosoof gelukkig uit zijn hoofd, anders was Spinoza misschien ook aan het grauw ten prooi gevallen.

Zestien jaar eerder, in 1656 toen hij net in de ban was gedaan, was er trouwens al een aanslag gepleegd op het leven van Spinoza. Een religieuze fanaticus, vermoedelijk uit Joodse hoek, wilde hem de keel doorsnijden. De punt van het mes trof Spinoza in zijn nek, maar Redezijlof was de wond niet diep en wist de religiecriticus te ontkomen. Bijna was Spinoza dus hetzelfde lot ten deel gevallen als Theo van Gogh zo’n 350 jaar later.

Verlichte voorganger

Als gevolg van de Oranjerestauratie werd de Tractatus Theologico-Politicus verboden. Gelukkig belandde Spinoza niet in de gevangenis. De filosoof, die vanwege zijn geschriften inmiddels een internationale beroemdheid was geworden, leefde nog vijf jaar. In 1673 wees Spinoza een aanbod van de Universiteit van Heidelberg af om daar hoogleraar te worden. Spinoza maalde niet om geld of eer, hij was bovendien bang dat hij als professor niet meer de ruimte had om helemaal vrij te kunnen denken. Dankzij zijn werk als lenzenslijper kon hij in zijn eigen levensonderhoud voorzien. Zijn filosofische werk deed hij in zijn ‘vrije tijd’, maar zijn vrijheid was onbeperkt.

Spinoza overleed in 1677. Wellicht is het lenzen slijpen hem fataal geworden, vanwege de glasstof die bij het slijpen vrijkwam en die hij ingeademd heeft. Dankzij deze glasstof werden zijn longen kwetsbaar voor allerlei aandoeningen. Spinoza overleed volgens zijn tijdgenoten aan de tering, maar men vermoedt tegenwoordig dat het longemfyseem moet zijn geweest.

Dankzij Jonathan Israel weten wij dat Spinoza een enorme invloed uitoefende op religiecritici uit de zeventiende en achttiende eeuw. Spinoza stond aan de basis van de ‘radicale Verlichting’, die ontzettend belangrijk is geweest voor de verdere ontwikkeling van het Europese en Westerse denken. Bij de Verlichting denken wij aan de achttiende-eeuwse Franse philosophes Voltaire, Rousseau, Diderot en Montesquieu, maar deze intellectuele beweging vindt dus haar oorsprong in het zeventiende-eeuwse Nederland van Spinoza.