Nederlandse soldaten trokken in 1812 mee met de Grande Armée naar Moskou, maar vochten ook in Duitsland en Spanje voor keizer Napoleon. Christiaan van der Spek promoveerde eind vorig jaar op een proefschrift over het Hollandse leger in de Franse tijd. In hoeverre kun je in die tijd eigenlijk nog wel spreken van een ‘Hollands’ leger?

 

Duitsland, Spanje, Rusland

Om de geschiedenis van het Nederlandse leger in de Franse tijd te begrijpen moeten we eerst kijken naar de politieke situatie. In 1795 werd Nederland ‘bevrijd’ door de Fransen en ontstond de Bataafse Republiek. Stadhouder Willem V vluchtte halsoverkop naar Engeland. De Bataafse Republiek hield het, met verschillende regeringsvormen, ruim tien jaar vol. In 1806 werd Nederland een koninkrijk en werd Napoleons broer, Lodewijk Napoleon, onze eerste koning. In 1810 kwam er einde aan de formele zelfstandigheid van het Koninkrijk Holland en werd ons land ingelijfd bij het Franse keizerrijk. In 1813 werden de Fransen verjaagd nadat de toekomstige koning Willem I, de zoon van de laatste stadhouder, naar Nederland terugkeerde. Nederland werd een koninkrijk onder de Oranjes en kreeg in 1815 België en Luxemburg erbij.

Onder Lodewijk Napoleon had Nederland formeel nog een eigen leger. Dit leger was niet 100% Nederlands – onder de militairen bevonden zich veel Duitse huursoldaten – en daarnaast was het Nederlandse leger te klein om onze formeel onafhankelijke staat te verdedigen tegen een Engelse invasie. Om die reden waren er ook veel Franse soldaten in ons land gelegerd. In 1806, het jaar van de Slag bij Jena, speelde het Nederlandse leger een ondersteunende rol in het plan van Napoleon om de Pruisen te verslaan. Lodewijk Napoleon trok met zijn Nederlandse en Franse troepen het noorden van Duitsland binnen om de Pruisen bezig te houden en af te leiden, terwijl de hoofdmacht naar Berlijn opmarcheerde. Hoewel de veldtocht een groot succes werd: de Pruisen werden bij Jena verpletterend verslagen, was keizer Napoleon niet te spreken over de campagne van zijn broer. In plaats van dat Lodewijk Napoleon zich hield aan de orders van de keizer wilde hij zo veel mogelijk zijn eigen gang gaan. Koning Lodewijk Napoleon beschouwde Nederland als een formeel onafhankelijk land met een formeel eigen leger. Keizer Napoleon zag dat toch echt anders en behandelde Lodewijk Napoleon als een militaire ondergeschikte, die de bevelen van boven maar had op te volgen. De spanningen tussen beide broers zouden in 1810 leiden tot aftreden van Lodewijk Napoleon als koning en de inlijving van Nederland bij Frankrijk.

Behalve in Duitsland vochten de troepen van het formeel onafhankelijke Nederland ook in Spanje. De Spanjaarden waren massaal in opstand gekomen tegen de Franse bezetters en voerden een guerrillaoorlog. De Nederlandse soldaten hadden geen eigen leger maar wel hun eigen regimenten. Hoewel er veel Nederlandse soldaten zouden sneuvelen werden ze door de Spaanse guerrilla’s beter behandeld dan de Fransen – dat waren immers de echte bezetters. Ook in Rusland, dat in 1812 door Napoleon zonder succes werd binnengevallen, kregen Nederlandse krijgsgevangenen omdat ze geen Fransen waren een betere behandeling.

De tocht naar Rusland kostte ongelooflijk veel soldaten het leven. Ze kwamen vaak niet om door oorlogshandelingen, maar als gevolg van honger, kou en andere ontberingen. De Russen pasten de tactiek van de verschroeide aarde toe en gingen – tot de Slag bij Borodino voor de poorten van Moskou – een veldslag uit de weg. Het enorme Franse leger kon niet goed bevoorraad worden en op de terugweg werd men gedwongen dezelfde route te kiezen, dus door het gebied dat eerst helemaal leeggeplunderd was. 4% van de Nederlandse soldaten overleefde de tocht, aldus Van der Spek. Dat kwam omdat Nederlandse soldaten dikwijls de ‘eervolle’ taak kregen de ontsnapping van de Franse en andere soldaten uit de multinationale Grande Armée te dekken. De kozakken hakten hele regimenten volkomen in de pan.

 

Loyaliteit

Pas in 1813-1814, toen de stoelpoten onder Napoleons keizerrijk werden weggezaagd, deserteerden er Nederlandse soldaten. Dit kwam volgens Van der Spek niet eens zozeer uit warme nationale gevoelens voor de teruggekeerde Oranjes, maar omdat de Fransen de oorlog aan het verliezen waren. Nederlandse officieren bleven het Franse keizerrijk langer trouw, wat te maken had met de eed die ze aan keizer Napoleon hadden afgelegd. Hun eergevoel verbood hen Napoleon te verraden. Uiteindelijk kozen de meeste officieren er toch voor om Nederland weer te gaan dienen, toen de Oranjes in 1813 terugkeerden naar ons land. Slechts een handjevol Nederlandse officieren vocht aan de zijde van Napoleon mee tijdens de Slag bij Waterloo.

Voorzijde van het vaandel (aigle) van het 3me Régiment des grenadiers à pied, op 30 juni 1811 door Keizer Napoleon uitgereikt. Reconstructie door M. Talens.(Collectie M. Talens)

Toen het nog goed ging met de Franse oorlogsinspanning waren de Nederlandse soldaten loyaal. Natuurlijk waren ze liever thuis gebleven, maar de soldaten wilden hun makkers niet verlaten. Onderlinge kameraadschap was voor gewone soldaten de belangrijkste reden om te blijven doorvechten. Napoleon wist dit en stimuleerde het wij-gevoel van zijn regimenten. Elk regiment had zijn eigen identiteit, zijn eigen gouden adelaar, geschiedenis en verhalen. Regimenten die zich tijdens een campagne of veldslag waardig hadden betoond werden ook in het zonnetje gezet. Napoleon organiseerde grote feesten voor zijn troepen – met veel eten, vrouwen en drank – wat hem populair maakte. Ook ging hij graag gesprekjes aan met de soldaten, ook met de Nederlandse soldaten, die deze korte ontmoeting met de keizer natuurlijk nooit van hun leven meer zouden vergeten. Napoleon had charisma en wist ook – in ieder geval toen het nog goed met de oorlog– de Nederlandse soldaten voor zich te winnen.

De Franse tijd heeft het Nederlandse natiebesef sterker gemaakt, maar niet op de manier zoals je misschien zou denken. De meeste Nederlandse soldaten hadden geen warme gevoelens voor de Oranjes of voor Nederland, ze misten gewoon hun huis en hun familie en haatten de lange marsen. De napoleontische oorlogen zorgden er echter voor dat mensen uit Nederland, die nog nooit iets van de wereld hadden gezien, opeens in allemaal Europese landen kwamen. De mensen daar spraken een andere taal en hadden andere gebruiken, waardoor de Nederlanders hun eigenheid beter begrepen. Een van die typisch Nederlandse eigenschappen was ‘onze’ properheid. In Nederland was het schoon en netjes, de Fransen waren smeerkezen, om maar niet te spreken over de Polen en de Russen. De Nederlandse huisvrouw heeft dus – zonder dat ze het wist – een ongelooflijk belangrijke rol vervuld in het Nederlandse natiebesef. Dat is de verrassende conclusie van dit zeer doorwrochte, maar gelukkig ook zeer leesbare proefschrift.

N.a.v.: Christiaan van der Spek, Sous les armes – Het Hollandse leger in de Franse tijd 1806-1814 (Boom uitgevers Amsterdam 2016), 480 pagina’s. Paperback, ISBN 9789058756985 € 39,90. E-book, ISBN 9789058756992, € 23,90.

 

Afbeelding omslag: Wikimedia / Wikipedia Commons