Ewout Klei schetst een interessante historische parallel, zoals hij dat alleen kan. 

 

Social Justice Warriors, de linkse strijders voor sociale ‘rechtvaardigheid’, roepen bij mij veel herkenning op. Het zijn net gereformeerden. Social Justice Warriors ageren, in naam van de tolerantie, tegen vermeend racisme, seksisme en islamofobie en verketteren alle net iets andersdenkenden. Gereformeerden, om precies te zijn de vrijgemaakt-gereformeerden, dachten vroeger op eenzelfde manier. Het ging erom of je wel zuiver op de raad was, precies binnen de lijntjes dacht en handelde, geen foute gedachten had. Onder het mom van christelijke naastenliefde vochten ze elkaar de tent uit en namen ze iedereen de maat, zoals SJW’ers tolerantie en sociale rechtvaardigheid als excuus gebruiken voor hun eigen onverdraagzame gedrag tegen anderen en ook elkaar.

In 1944 scheidden de vrijgemaakt-gereformeerden zich af van de gewone Gereformeerde Kerken en begonnen hun eigen kerkgenootschap: de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Deze kerk was de ware kerk, de enige ware kerk, en je was pas een goed christen als je je bij deze kerk aansloot. Aan niet-vrijgemaakte christenen werd daarom altijd de kerkvraag gesteld: eiste God niet van je dat je je bij de ware, dus vrijgemaakte kerk, aansloot?

Vanzelfsprekend overtuigden de vrijgemaakten met hun dwingende syllogismen – jij bent geen lid van de vrijgemaakte kerk, dus je bent lid van de valse kerk, dus je bent geen goed christen, dus je deugt niet, dus je moet je aansluiten bij de enige ware kerk als je echt wil deugen – alleen zichzelf. Omdat ze als kleine minderheid zelfs geen deuk in een pakje boter konden slaan keerde de strijdbaarheid zich naar binnen: als de eigen groep maar 100% zuiver op de graad was, van alle vreemde smetten vrij, dan pas zou het goed komen.

Gereformeerd-vrijgemaakten die hun kinderen naar een een gewone protestantse school stuurden deugden daarom niet: als die school er nog niet was in de buurt moesten ze maar heel lang reizen of verhuizen. Vrijgemaakten die op de Antirevolutionaire Partij bleven stemmen deugden ook niet: hoe konden ze  nou samenwerken met gewone gereformeerden waarmee ze in 1944 zo’n zware kerkelijke strijd hadden gevoerd? Je deugde dus alleen als je je sociale leven helemaal binnen de eigen zuil organiseerde. Alleen ten aanzien van werk waren de vrijgemaakten natuurlijk wat rekkelijker: je kon immers niet van iedereen vragen om alleen bij een vrijgemaakte werkgever aan de slag te gaan.

De belangrijkste zuilorganisatie was het Gereformeerd Politiek Verbond. In 1948 werd het GPV opgericht, de politieke partij die exclusief verbonden was aan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Het duurde nog vijftien jaar voordat het GPV in de Tweede Kamer werd verkozen. In deze beginjaren werd de partij verteerd door interne conflicten. GPV’ers die rekkelijker dachten over de relatie tussen kerk en politieke partij, en bijvoorbeeld van mening waren dat ook geestverwanten uit andere kerken lid van het GPV mochten worden, werden onbarmhartig verketterd. Zij waren niet zuiver op de graad. Maar ook mensen die met deze rekkelijken wensten te blijven samenwerken waren verdacht, want zij deden eveneens water bij de wijn.

De meest uitgesproken voorstander van een 100% zuiver GPV was Cornelis Smits, directeur van het vrijgemaakt-gereformeerd lyceum in Groningen. Hij zat in het hoofdbestuur van het GPV, de Centrale Verbondsraad, waar hij de functie van secretaris vervulde. In 1956 barstte de bom in het hoofdbestuur, toen bleek dat partijvoorzitter F.A. den Boeft had meegedaan aan een landelijke demonstratie voor de onderdrukte Hongaren. Je mocht als vrijgemaakte niet demonstreren met vrijgemaakten, want op een demonstratie vormde je met andersdenkenden een denkbeeldige eenheid, terwijl je helemaal niet geestelijk een was met deze mensen die lid waren van een valse kerk, of nog erger helemaal niet christelijk waren. Den Boeft moest dus opstappen. En bestuursleden die vonden dat Smits overdreef ook. Deze bestuurders erkenden immers het zogenaamde ‘ethisch conflict’ tussen vrijgemaakten en niet-vrijgemaakten niet, en daarom had Smits ook met hen een ‘ethisch conflict’.

Bestuurslid Bart Verbrugh, het latere GPV-Kamerlid, schreef over deze benauwende sfeer een grappig stukje tekst, die ik 50 jaar later uit zijn persoonlijke archief opviste:

Gewetensonderzoek:

Binnenkort zult U worden opgeroepen om zich te vervoegen bij Hotel Frank in Amersfoort. Een van de kamers aldaar zal dan geheel zijn ingericht voor een scherp onderzoek naar Uw antwoord op de vraag:

Neemt gij het ethisch conflict ten volle voor uw rekening of niet?

Denkt U niet dat U ons om de tuin kunt leiden door uitstel te vragen tot na de verkiezingen of door te verklaren dat U wel gelooft in het bestaan van een ethisch conflict, maar niet dat iedereen het juist hanteerde.

Wij hebben niets te maken met zulke fratsen!

Wij eisen nu dat U ten volle in rekening brengt van wat wij onder het ethisch conflict verstaan.

Wilt gij niet, of maakt U smoesjes, dan slepen wij U voor de Generale Bondsvergadering. Met vreugde denk ik aan de dag waarop het diepere inzicht in mij opsprong, dat men als bestuurslid van een christelijke politieke partij met beleidskwesties niets te maken heeft.

Leve onze hantering van het ethisch conflict.

Als U dit niet nazegt is er met U een ethisch conflict.

En dan zal Uw bovengenoemde gang naar Amersfoort Uw laatste gang zijn geweest.

Dan hebt gij voorgoed heen te gaan! (B.v. naar Denemarken).

 

De Groot-Inquisiteur,

Don Cornelos

 

Uiteindelijk trok Verbrugh aan het langste eind. Hij bleef als enige bestuurslid zitten, terwijl de anderen elkaar de tent uitvochten. Verbrugh zorgde er begin jaren zestig voor (wel met rugdekking van professor J. Kamphuis, hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Theologische Hogeschool in Kampen) dat het GPV een politieke richting insloeg. Hierdoor kon in 1963 de partij in de Tweede Kamer komen.

De ruzie in het hoofdbestuur was natuurlijk niet het enige conflict waarmee het GPV in zijn beginjaren kampte. Hilarisch was de ruzie die in 1954 in Drenthe werd uitgevochten tussen de leden van het bestuur van de Provinciale Contactraad. Als je de notulen leest wordt volstrekt niet duidelijk waar dit conflict precies over ging, maar hoe deze ruzie verliep is eigenlijk veel belangrijker (en leuker):

Op het tijdstip, dat de vergadering een aanvang zou nemen, waren verschillende afgevaardigden aanwezig, ook br. P.M. de Boer met twee andere leden van de kiesvereniging uit Smilde. De voorzitter heeft vòòr het begin van de vergadering gevraagd of de aanwezigheid van br. P.M. de Boer er een bewijs van was, dat hij zijn houding had gewijzigd of wenste te wijzigen. Het antwoord daarop was: Neen. Daarna is gevraagd of de andere leden uit Smilde als plaatsvervangers waren aangewezen. Ook hierop werd geantwoord: Neen. Daarop is gezegd, dat een besluit van de Contactraad om br. P.M. de Boer niet tot de vergadering toe te laten werd gehandhaafd en dat br. P.M. de Boer daarom verzocht werd de zaal te verlaten. Daaraan gaf hij geen gehoor. De voorzitter heeft toen aan de andere afgevaardigden gevraagd, of zij wensten, dat onder deze omstandigheden de vergadering werd gehouden. Bij een hoofdelijke stemming gaven alle afgevaardigden als antwoord: Neen.

Daarop is de zaal verlaten. Aangezien het niet mogelijk was in Assen een andere gelegenheid te vinden, waar we zonder br. P.M. de Boer konden vergaderen, daar hij vast besloten was ons overal te volgen, welk voornemen hij ook trachtte uit te voeren door onze voetstappen letterlijk te drukken, werd in de wandeling door Assen besloten naar Hooghalen te gaan, waar ten huize van de voorzitter rustig vergaderd kon worden. Dit besluit kon gelukkig uitgevoerd worden. Daar is ook verder normaal vergaderd.

Na de gewone handelingen is de zaak Smilde besproken. Besloten werd het besluit t.o.v. br. P.M. de Boer te handhaven en ook, zolang de kiesvereniging van Smilde haar houding niet herziet, ook aan deze vereniging geen uitnodiging meer te zenden voor vergaderingen van de Contactraad. Van welk besluit de vereniging van Smilde inmiddels op de hoogte is gesteld.