Ewout Klei woonde op 30 juni op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) een symposium bij over Nederlandse vrijwilligers in de Spaanse Burgeroorlog. Waarover ging deze oorlog? Wat deden die Nederlanders in Spanje? En hoe kijkt men hier nu op terug?

De Spaanse Burgeroorlog

spanish-civil-war-map80 jaar geleden brak de Spaanse Burgeroorlog uit. Op 17 juli 1936 pleegden conservatieve generaals een coup tegen de linkse Spaanse Republiek. Deze staatsgreep lukte echter maar half, omdat in Madrid, Barcelona en andere grote steden de arbeidersmassa’s terugvochten. Er volgde een bloedige burgeroorlog, die bijna drie jaar zou en duren en aan honderdduizenden mensen het leven zou kosten.

Beide partijen klopten voor hulp bij het buitenland aan. De opstandige generaals vroegen om en kregen steun van Italië en nazi-Duitsland. Mussolini en Hitler stuurden transportvliegtuigen om het leger van generaal Franco in Spaans-Marokko over te vliegen naar Spanje, waar het kon worden ingezet tegen de Republiek. Op 26 april 1937 bombardeerden Duitse bommenwerpers van het beruchte Legioen Condor het Baskische stadje Guernica, vereeuwigd in het gelijknamige schilderij van Picasso, dat hedendaagse kunstenaars nog steeds inspireert.

De Spaanse Republiek hoopte op steun van Frankrijk, waar een linkse regering aan de macht was, meer kreeg uiteindelijk nul op het rekest. De Sovjet-Unie en Mexico waren wel bereid om te helpen en leverden tanks en vliegtuigen, waar Spanje echter royaal voor moest betalen. Daarnaast zette de Komintern, de Communistische Internationale, een vreemdelingenlegioen op dat de Spaanse Republiek militair moest bijstaan: de Internationale Brigades. Tienduizenden communisten, uit Frankrijk, Groot-Brittannië, Duitsland (gevlucht voor de nazi’s), Italië (gevlucht voor Mussolini), Polen, Nederland, België, de Verenigde Staten en andere landen trokken naar Spanje om de wapens tegen de ‘fascisten’ op te nemen.

Tot begin 1938 waren beide partijen ongeveer even sterk, hoewel de nationalisten beetje bij beetje steeds meer terrein veroverden. In januari 1938 veroverden de republikeinen de stad Teruel, wat aanvankelijk een overwinning leek. De nationalisten zetten echter alles op alles in om de stad terug te veroveren en kregen Duitse en Italiaanse luchtsteun. In februari werd de stad heroverd en een maand later volgde het nationalistische Aragon-offensief, dat het territorium van de republiek in tweeën splitste. Hiermee was de Spaanse Republiek de facto verslagen. De oorlog zou echter nog een jaar duren, omdat Franco een onvoorwaardelijke overgave eiste. De republikeinen vochten tevergeefs door, het door hen in de zomer van 1938 gestarte Ebro-offensief mislukte jammerlijk, in de winter van 1938-1939 veroverde Franco Catalonië, in het voorjaar gevolgd door Madrid en Valencia.

De honderdduizenden slachtoffers waren uiteraard niet alleen militairen. Er kwamen ook veel burgers om, sommigen door oorlogsgeweld, anderen door honger en ziekte, maar velen werden ook geëxecuteerd. De nationalisten en republikeinen maakten zich schuldig aan grote wreedheden. Politieke tegenstanders werden zonder proces tegen de muur gezet. Hoewel de nationalisten, mede omdat ze de oorlog zouden winnen, uiteindelijk meer mensen zouden vermoorden, konden de republikeinen er ook wat van. Hun favoriete doelwit waren katholieke geestelijken. De Rooms-katholieke Kerk, hét conservatieve bolwerk in Spanje par excellence, werd intens gehaat door links Spanje. Op een roemruchte foto zien we zelfs hoe een executiepeloton een standbeeld van Jezus fusilleert. Zoals Guernica het symbool werd van de oorlogsmisdaden van Franco en de fascisten, zo werd deze foto het symbool van de Rode Terreur.

Nederlandse vrijwilligers

Zo’n 700 linkse Nederlanders trokken naar Spanje om tegen Franco te vechten. De meesten kwamen terecht bij de communistische Internationale Brigades. Een kleine minderheid koos er echter voor om zich bij de CNT, de vakbond van de Catalaanse anarchisten, en de POUM, de partij van de Spaanse revolutionaire socialisten, aan te sluiten. Het aantal Nederlandse vrijwilligers is hiermee relatief gezien vrij klein. In totaal vochten er tussen de 32.000 en 35.000 vrijwilligers voor de Internationale Brigades, waren er zo’n 10.000 vrijwilligers belast met niet-militaire taken, en vochten er zo’n 3.000 vrijwilligers voor de CNT en de POUM.

De Nederlandse vrijwilligers waren in de meeste gevallen communist, man, jong en idealistisch. De Nederlandse communistische partij bood vanaf 1933 onderdak aan Duitse communisten die voor Hitler waren gevlucht. Van deze vluchtelingen hoorden de toekomstige Spanjegangers de verschrikkingen van het naziregime uit eerste hand. Ze hadden ze het gevoel dat er iets gedaan moest worden. De Spaanse Burgeroorlog bood ze deze kans. Hoewel dit conflict vele grijstinten had beschouwden de Nederlandse vrijwilligers de Spaanse Burgeroorlog als een strijd tussen goed en kwaad, tussen zwart en wit. Het fascisme moest worden gestopt.

4-Los-InternacionalesDe Nederlandse vrijwilligers reisden via België en Frankrijk naar Spanje. De meesten trokken Spanje binnen via de Pyreneeën, langs afgelegen bergpaden in het holst van de nacht. Anderen kwamen met de boot via Marseille naar Barcelona. Deze zeeroute bleek echter levensgevaarlijk, omdat Duitse en Italiaanse onderzeeboten deze transportschepen tot zinken brachten.

De communistische vrijwilligers werden getraind in Albacete, het hoofdkwartier van de Internationale Brigades. Na een training van enkele weken werden de kersverse soldaten meteen ingezet aan het front als stoottroepen. Vanwege hun gebrek aan ervaring en het feit dat ze meteen voor de gevaarlijkste opdrachten werden gevraagd leidde er toe dat er relatief veel Internationale Brigadisten sneuvelden. Ze waren kanonnenvoer. Met name onder de Duitse communisten was het aantal gesneuvelden hoog, wat vooral te maken had dat zij niets te verliezen hadden. Terugkeren naar hun vaderland na de strijd in Spanje kon immers niet, omdat Hitler de communisten meedogenloos vervolgde.

Sommige Nederlandse anarchisten kozen ervoor om te vechten voor de CNT. De Nederlandse anarchistische beweging kende een sterke antimilitaristische, pacifistische stroming, met als gevolg dat de Spaanse Burgeroorlog leidde tot een fel intern debat over de te volgen koers. Sommige anarchisten, zoals Albert de Jong en Anton Constandse, vonden dat de CNT militair gesteund moest worden, want de CNT had voor een revolutie in Catalonië gezorgd. Andere anarchisten vonden echter dat de beweging zich aan de antimilitaristische principes moest blijven vastklampen, omdat een oorlog voorkomen zou kunnen worden door massale stakingen. De nationalisten schoten stakende arbeiders echter dood, wat onder meer in Zaragoza en Sevilla gebeurde, dus De Jong en Constandse hadden in dit geval gelijk.

De POUM ten slotte werd gesteund door de Nederlandse revolutionair-socialisten. Henk Sneevliet, leider van de radicaal linkse Revolutionair-Socialistische Arbeiders Partij, bezocht in 1936 kort Barcelona en sprak voor de POUM-radio. RSAP-leden die in Spanje wilden vechten sloten zich aan bij de POUM. Behalve met de RSAP had de POUM ook banden met de Independent Labour Party, een linksradicale afsplitsing van Labour. De bekendste POUM-vrijwilliger uit Engeland was George Orwell, die over zijn Spaanse belevenissen het boek Homage to Catalonia zou schrijven.

Hoewel de POUM strikt genomen geen trotskistische partij was werd de partij door de Sovjet-agenten in Spanje wel als trotskistisch beschouwd. De POUM kreeg de schuld in de schoenen geschoven van de korte burgeroorlog binnen de burgeroorlog die in mei 1937 was uitgebroken in Barcelona tussen anarchisten en communisten. De Spaanse Republiek, sterk afhankelijk van de Sovjet-Unie, besloot de communisten hun gang te laten gaan. POUM-leden werden vervolgd, POUM-leider Andres Nin werd vermoord en Orwell moest halsoverkop Spanje ontvluchten.

Ook de Nederlandse schrijver Jef Last, die voor de POUM vocht, kwam in grote problemen. Omdat hij begin 1937 een propagandatour door Frankrijk had gemaakt voor de Sovjet-Unie en niet in Barcelona was toen daar in mei de gevechten uitbraken overleefde Last de grote zuiveringen. Wel raakte hij zijn rang van kapitein kwijt. Last mocht voor Noors Spanje-comité een tour maken door Scandinavië, een kans die hij met beide handen aangreep, en zegde daar zijn lidmaatschap van de communistische partij op. Had hij dit in Spanje gedaan dan had hem dat wellicht de kop gekost.

Eind 1938 werden de Internationale Brigades teruggeroepen. In 1939 verlieten de laatste strijders Spanje. Nederland ontving de teruggekeerde Spanjegangers niet bepaald met open armen. Ze waren in buitenlandse krijgsdienst gegaan en verloren daarom hun Nederlandse staatsburgerschap. Veel Spanjegangers zeiden om die reden tegen de politie dat ze niet aan het front hadden gevochten, maar vrachtwagenchauffeur waren geweest of een andere niet-militaire taak hadden vervuld. Vaak was dit leugentje tevergeefs en verloren ze hun staatsburgerschap alsnog. De Spanjestrijders kwamen bovendien terecht op de subversievenlijst van de binnenlandse veiligheidsdienst. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland veroverden viel deze lijst in handen van de bezetters. Sommige Spanjestrijders zouden tijdens de Tweede Wereldoorlog omkomen in een concentratiekamp.

En nu?

De sfeer op het symposium van 30 juni in het IISG was gemoedelijk. Op de bijeenkomst waren enkele historici aanwezig, maar vooral nakomelingen van de Spanjestrijders die de herinneringen aan de Spaanse Burgeroorlog levend probeerden te houden. Die herinneringen waren nostalgisch en romantisch. Ik sprak kort een oudere Spaanse vrouw die, u raadt het al, verwekt was in het heetst van de strijd.

Voor een historisch debat was er helaas geen ruimte. Ik vond dat wel een gemiste kans, omdat je toch heel wat vragen, ook kritische vragen, kunt stellen over het fenomeen van Nederlandse Spanjestrijders. Wisten deze jongens eigenlijk wel wat ze daar te wachten stond? Hoe zwart-wit was de strijd in werkelijkheid? Waren er ook Nederlandse jongens die deserteerden? Die voor het vuurpeloton terecht kwamen? Waren sommige Nederlandse Spanjestrijders betrokken bij oorlogsmisdaden en misdaden tegen Spaanse burgers? Wisten ze van de republikeinse moordpartijen en hoe keken ze daar tegenaan? En hoe terecht was de beslissing van de Nederlandse overheid om teruggekeerde Spanjestrijders hun staatsburgerschap te ontnemen?

Maar misschien moeten we gewoon eerst de feiten verzamelen, voordat we een goed debat kunnen voeren. Het IISG is wat betreft documentatie erg goed bezig. Hoogtepunt van de bijeenkomst was de presentatie van de digitale databank Spanjestrijders.nl. Op deze site moeten uiteindelijk de biografieën komen te staan van alle Nederlandse vrijwilligers die naar Spanje zijn getrokken. Op dit moment staan er nog geen 200 biografieën op, en vele verhalen zijn verre van compleet. De bedoeling is dat geschiedenisstudenten van de UvA de verhalen aanvullen. Dit wordt nog een hele klus, want van sommige mensen is alleen de naam bekend en dat ze tijdens de burgeroorlog in Spanje waren. Maar omdat de databank openbaar te raadplegen is en makkelijk te vinden op internet hopen de onderzoekers dat er in de toekomst veel meer interessante content op komt te staan en nabestaanden van Spanjestrijders met nieuwe informatie zullen komen.

Dit geschiedenisverhaal eindig ik met een persoonlijke geschiedenis. De leukste ontmoeting van mij op het symposium was die met meneer Van den Os. Zijn vader was naar Spanje gegaan en had in 1938 aan het Ebrofront gevochten. Terug in Nederland zweeg hij echter in alle talen, hij vertelde zijn zoon alleen maar dat hij er in de jaren dertig geweest was. Misschien had Van den Os junior naar de belevenissen van zijn vader moeten vragen, maar hij kwam er niet aan toe vanwege zijn drukke baan en zijn vader begon er ook niet spontaan over te vertellen.

Pas na het overlijden van zijn vader en zijn eigen pensioen besloot Van den Os junior zich in de Spaanse Burgeroorlog te verdiepen. Hij bezocht met zijn vrouw de plekken aan het Ebrofront waar zijn vader had gevochten en probeerde via via zoveel mogelijk te weten te komen. Deze zoektocht is nog lang niet voltooid. Alleen via archieven en verhalen van anderen kan meneer Van den Os meer over zijn vader te weten komen. Ik hoop voor hem, zijn familie en natuurlijk voor de geschiedschrijving dat hij deze queeste tot een bevredigend resultaat weet te brengen…