De VVD, het communisme en de Koude Oorlog.

 

 

Inleiding

In zijn boek Onverwerkt verleden vertelt Frits Bolkestein over zijn bezoek aan een politieke bijeenkomst van de communisten in Parijs, ergens in 1975. Bolkestein raakte in discussie en werd voor ‘un anticommuniste primaire’ uitgemaakt, wat zoiets betekent als een primitieve anticommunist. Bolkestein vatte deze belediging op als een compliment. Hij vond en vindt het volstrekt logisch dat je anticommunist bent.[i]

Bolkestein, die drie jaar later voor de VVD in de Tweede Kamer zou worden verkozen, stond niet alleen. Ten tijde van de Koude Oorlog was de VVD, misschien op de kleine christelijke partijen SGP, GPV en RPF na, de meest anticommunistische partij in ons parlement. Hoe reageerde de VVD op belangrijke kwesties uit de Koude Oorlog, zoals de communistische machtsovername in Praag, de Hongaarse Opstand, de Praagse Lente, de Vietnamoorlog, de kruisrakettendiscussie en de val van de Muur? Hoe stond de partij in de Koude Oorlog, vooral wat betreft de NAVO en de Nederlandse Defensie? En hoe moeten we ten slotte de VVD-visie op het communisme typeren?

Dit essay is gebaseerd op het proefschrift De macht van het idee. De VVD en het Nederlandse buitenlandse beleid 1948-1994 van Gerry van der List, mijn eigen boek De weg naar de macht: een kroniek van de JOVD 1949-2015 en artikelen uit het VVD-orgaan Vrijheid en Democratie. Doel is om een helder, beknopt en genuanceerd overzicht te schetsen van de anticommunisme van de liberalen en de politieke positie die de VVD innam in de Koude Oorlog.

Pieter Oud, de eerste VVD-leider

‘Arbeider, ge zijt bovenal Nederlander!’

De vooroorlogse Vrijzinnig Democratische Bond was pacifistisch, de naoorlogse VVD was dat beslist niet. Dit had natuurlijk alles te maken met de Duitse inval van mei 1940 en de communistische dreiging. De VVD begreep dat pacifisme naïef was. De partij was voor een ‘realistische veiligheidspolitiek’ en dus voorstander van een sterke defensie.

Ofschoon de VVD besefte dat Nederland de NAVO nodig had was de partij niet zonder meer pro-Amerikaans. Dat de liberalen zich enigszins gereserveerd opstelden kwam omdat de Verenigde Staten van mening waren dat Indonesië onafhankelijk moest worden. De VVD vond dat Indië bij Nederland moest blijven en verdedigde het kolonialisme. Ook tijdens de Suez-crisis van 1956, toen Groot-Brittannië en Frankrijk Egypte waren binnengevallen, steunde de VVD de koloniale machten tegenover het antikolonialisme van Amerika. Pas na het verlies van Nieuw-Guinea in 1962 werd de VVD onvoorwaardelijk pro-Amerikaans.[ii]

Eind jaren veertig was West-Europa zeer anticommunistisch geworden. In 1945 werden de communisten dankzij de successen van het Rode Leger en de communistische verzetsstrijders nog gewaardeerd door niet weinig mensen. Na de communistische machtsovername in Tsjechoslowakije en de Blokkade van Berlijn was bijna iedereen er echter van overtuigd dat het Rode Gevaar bezworen moest worden. In het VVD-lijfblad Vrijheid en Democratie werden Soekarno en de zijnen als cryptocommunisten beschouwd.[iii] De VVD pleitte in juli 1948 voor een ‘krachtige bestrijding van alle communistische invloed in Indië en in het bijzonder van de in wezen communistische Republiek Djocja.’ In werkelijkheid vertrouwde Soekarno de communisten niet en zouden de nationalisten duizenden communisten vermoorden, maar met deze nuances hield het Nederlandse thuisfront zich niet zo bezig.

In liberale kringen was men vuurbang communistische infiltratie. Dat bleek op de oprichtingsvergadering van de Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie op 26 februari 1949 in de Pulchi Studio in Den Haag, waar VVD-Kamerlid Henk Korthals een speech hield: ‘Laten wij er ook steeds voor waken, dat onze organisatie niet gepenetreerd wordt door de Communisten.’ Deze angst was een decennium later nog springlevend. Op 17 juni 1957, toen de VVD en de JOVD samen vergaderden, vroeg VVD-leider Pieter Oud zich af of de JOVD misschien door communisten was geïnfiltreerd. JOVD-bestuurslid P.C. Boevé was namelijk namens de JOVD naar Moskou gegaan om het Zesde Wereldjeugdfestival bij te wonen en dat vond Oud een slechte zaak.[iv]

Om het communistische gevaar tegen te gaan moest Nederland natuurlijk een sterke defensie hebben. Daarnaast moest men geestelijk weerbaar zijn. De VVD probeerde in 1948 óók de arbeiders ervan te overtuigen dat communisme bedrog was. In Vrijheid en Democratie stond een oproep aan de Nederlandse arbeider, waarin werd betoogd dat het economisch gezien onmogelijk was om in Nederland de lonen plotseling te verhogen en de prijzen te verlagen, zonder rekening te houden met de wereldeconomie.[v] Ook werd er een beroep gedaan op de vaderlandsliefde van de Nederlandse werknemers: ‘Arbeider, ge zijt bovenal Nederlander.’ De VVD was tegen klassenstrijd en probeerde daarom nationale gemeenschapszin te kweken. Of de VVD met deze open brief heeft bijgedragen aan het grote verlies van de CPB bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1948 valt uiteraard te bezien, maar het is een interessant gegeven dat de liberalen de arbeiders niet uit het oog verloren.

Russische tanks in Boedapest

Communistenvreters

De Hongaarse Opstand van 1956 en de Praagse Lente van 1968 maakten diepe indruk op de liberalen. De JOVD stuurde ten tijde van de Hongaarse Opstand een telegram naar de gezant van Hongarije in Den Haag, om morele steun te betuigen:

‘Hoofdbestuur van de Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie stelt het op prijs zijn bewondering uit te spreken voor het manhaftig verzet van het Hongaarse volk tegen de Russische interventie-troepen en spreekt de hoop uit, dat deze strijd mag leiden tot het tot standkomen van een democratisch staatsbestel, waarin de vrijheden en rechten van het Hongaarse volk zijn gewaarborgd in overeenstemming met de in Uw land onder de bevolking heersende opvattingen.’[vi]

Een mooi gebaar, maar het haalde uiteraard helaas niets uit. Het Rode Leger sloeg de opstand met grof geweld neer. In Vrijheid en Democratie schreef hoofdredacteur A.W. Abspoel hoe dit slechte nieuws bij hem binnenkwam:

‘Het is zondagochtend 4 november, omstreeks half twaalf. We hebben juist de radio ingeschakeld. Er klinkt opvallend ernstige muziek, maar het dringt nog niet tot ons door, dat hierin iets bijzonder moet zijn gelegen. Dan wordt het stil en na enkele ogenblikken klinkt er een stem: “hier komt een extra uitzending van de nieuwsberichten.” Het is, of ons een ijzige hand naar het hart grijpt. Hongarije… vóór we nog iets gehoord hebben, weten we het, met onfeilbare zekerheid: het arme, dappere Hongaarse volk die prachtige strijders voor de vrijheid, zij hebben – voor het ogenblik – tevergeefs gestreden; zij zijn verraden en in de val gelokt.’[vii]

Henk Korthals liet in het parlement weten dat de Sovjet-Unie met het neerslaan van de Hongaarse opstand haar ware gezicht had laten zien. In hun vernietigingsdrang zouden de communisten niet voor de nazi’s onderdoen. In het Tweede Kamerdebat zei Korthals ook dat de VVD zich niet door de USSR voor de gek liet houden met hun ‘politiek van de glimlach en de kaviaar.’[viii]

Voor de VVD was de Hongaarse opstand een goede reden om te pleiten voor meer geld voor defensie. Dit was nodig om Nederland te verdedigen tegen het communistische gevaar. De liberalen waren in de jaren vijftig communistenvreters geworden. Volgens Gerry van der List werd in de bijdragen van VVD-parlementariërs over internationale politiek steevast een plaats ingeruimd voor een beschrijving van de angstaanjagende doelstellingen van de Sovjets. Kamerlid Jean Hubert Couzy haalde bijvoorbeeld op 9 december 1959 een toespraak van een Sovjet-functionaris aan, die in de jaren dertig had gezegd dat de USSR de Westerse machten met een zogenaamd vredesoffensief in slaap wilde sussen, zodat de verovering van het Westen daarna een eitje zou zijn. [ix]

Tegenover de NAVO-legers stond een enorme conventionele legermacht van het Oostblok. Om het Warschaupact blijvend te kunnen afschrikken moesten de NAVO-bondgenoten eensgezind zijn. De liberalen wilden goede banden met de Verenigde Staten. Ook vonden ze dat Nederland en de andere West-Europese bondgenoten hun defensie-inspanningen moesten leveren, opdat de Amerikanen sterker aan Europa werden verbonden. De VVD had om die redenen kritiek op de Franse president Charles de Gaulle, die van mening was dat de Europese landen meer een eigen koers moesten gaan varen. Ook een Europees leger vond de VVD geen goed idee.

De Amerikaanse atoomparaplu was cruciaal voor de verdediging van het Vrije Westen. De JOVD echter was kritischer over dit afschrikkingsmiddel, vanwege de risico’s die aan kernwapens waren verbonden. De jonge liberalen noemden in dit verband technische storingen in de waarnemingssystemen en foutieve beoordelingen van de situatie.[x]

PSP-politici demonstreren tegen de Amerikaanse aanwezigheid in Vietnam

Selectieve verontwaardiging

De Vietnamoorlog plaatse de VVD voor een dilemma. De publieke opinie in Nederland was sterk tegen deze oorlog gekant, maar de VVD was vooral bang dat het anti-Amerikaanse activisme het NAVO-bondgenootschap zou ondermijnen. In 1965 verdedigde het blad Vrijheid en Democratie nog het optreden van de Verenigde Staten in Vietnam. De Amerikanen zouden voor ons de hete kastanjes uit het vuur halen. Daarnaast vreesden VVD’ers dat na Vietnam heel Zuid-Azië communistisch zou worden: een overwinning van de communisten zou gevolgen hebben voor Thailand, Maleisië, Indonesië en ook India. In 1967 steunde de VVD samen met KVP, ARP en CHU wel een motie waarin de Nederlandse regering werd opgeroepen om er bij de Amerikanen op aan te dringen de bombardementen op Noord-Vietnam te staken. Dit zou namelijk de mogelijkheid vergroten om tot vredesonderhandelingen te komen. De VVD was voor weerbaarheid, maar het was geen partij van warmongers.[xi]

Het neerslaan van de Praagse Lente door het Rode Leger in augustus 1968 kwam de VVD, propaganda-technisch gezien, goed uit. De Russische inval bevestigde namelijk het beeld van de VVD dat de Sovjet-Unie een imperialistische macht was die andere landen onderdrukte. Tevens was deze gebeurtenis een mooie gelegenheid om kritiek op de linkse partijen uit te oefenen, die nogal eenzijdig kritisch waren over Amerika.[xii]

De selectieve verontwaardiging van linkse partijen, linkse media en linkse actiegroepen was de VVD een doorn in het oog. Links had een blinde vlek voor mensenrechtenschendingen door communistische dictaturen, waardoor hun strijd voor een betere wereld iets hypocriets had. VVD-senator Harm van Riel sprak noemde de linkse selectieve verontwaardiging: ‘een stuk bewust links extremistisch politiek denken en drijven.’[xiii]

In de jaren zeventig, vooral tijdens het linkse kabinet-Den Uyl (1973-1977), liet de conservatieve Van Riel duidelijk van zich horen. Hij vond dat de mensenrechtenschendingen van rechtse autoritaire regimes maar kinderspel waren in vergelijking met de stalinistische terreur in de USSR in de jaren dertig. Toch werkte het Westen in de Tweede Wereldoorlog met Stalin samen om de nazi’s te verslaan. Van Riel vond het daarom onzinnig om Portugal uit de NAVO te zetten en hij was tegen harde maatregelen tegen Spanje en Zuid-Afrika. De senator stoorde zich bovendien aan Joop den Uyl wanneer de PvdA-premier meeliep in een linkse demonstratie tegen Spanje of Chili. Den Uyl zou namelijk nooit meelopen in een demonstratie tegen Joegoslavië of een ander links waar de mensenrechten werden geschonden. Hij was verschillig.[xiv] Ofschoon Van Riel terechte kritiek had op de blinde vlek van links ten aanzien van het communisme kun je je afvragen of de VVD-senator misschien niet te mild was over rechtse dictaturen.

Interessant is ten slotte dat de VVD veel waardering had voor PvdA-minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel. Omdat Van der Stoel nuchter was en ook aandacht had voor de slachtoffers van de communistische dictaturen was hij in uiterst linkse kringen verdacht, maar de VVD’ers waardeerden dit juist. Minister van Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk daarentegen, die niet alleen revolutionaire bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld maar ook het communistische Cuba financiële steun gaf, was in de ogen van de VVD hopeloos naïef.[xv]

Frits Bolkestein in de jaren tachtig

Pidgin-Marxism

Eind 1977 kwam er geen tweede kabinet-Den Uyl. Hiermee kwam er een einde aan de hegemonie van links in de politiek, hoewel de media nog wel erg links waren (Den Uyl werd bijna elk jaar verkozen tot ‘politicus van het jaar’ door de Nederlandse journalisten) en links ook de straat beheerste.

De periode 1977-1985 was de tijd van de grote anti-kernwapendemonstraties. De ‘vredesbeweging’ (een nogal misleidend begrip, waarmee linkse activisten probeerden het morele gelijk te monopoliseren en tegenstanders weg te zetten als mensen die tegen de vrede zouden zijn) ageerde tegen het plaatsen van Amerikaanse kruisraketten op West-Europese bodem. De Amerikaanse raketten waren een reactie op de SS-20-raketten van de Sovjet-Unie, die in de landen van het Oostblok waren gestationeerd. Linkse activisten negeerden echter de agressie die van het Warschaupact uitging en waren voor eenzijdige ontwapening.

Vanzelfsprekend was de VVD van mening dat de kruisraketten op Nederlandse bodem geplaatst moesten worden: het NAVO-dubbelbesluit moest worden gerespecteerd. Linkse CDA-parlementariërs lagen echter dwars, vandaar dat de Tweede Kamer pas eind 1985 akkoord ging met het besluit de kruisraketten te plaatsen. Het CDA-VVD-kabinet Lubbers I kreeg wel de steun van de kleine christelijke partijen SGP, GPV en RPF. In tegenstelling tot de linkse CDA’ers en de pacifistische Evangelische Volkspartij (EVP) waren zij voor een krachtige defensie.

De sterk gepolariseerde kruisrakettenkwestie zorgde ervoor dat VVD’ers onder vuur kwamen te liggen. Het eerste conflict speelde zich af in het Humanistisch Verbond. Van deze vrijzinnige vereniging waren ook veel VVD’ers lid, maar omdat het verbond besloot om partij te kiezen tegen de plaatsing van kruisraketten voelden liberale leden zich nauwelijks nog gehoord. De deelname van het Humanistisch Verbond aan de demonstratie van 21 november 1981 tegen kruisraketten via het Humanistisch Vredesberaad was voor hoofdbestuurslid Adelheid  Zoutendijk-Meijs en oud-bestuursleden Frits Bolkestein en Louise Vonhoff-Luyendijk de reden om hun lidmaatschap op te zeggen. Ze vonden de pacifistische, progressieve stemming in het Humanistisch Verbond onverdraagzaam en gepolitiseerd. VVD’er Bert Hubert, een ander ex-lid, sprak over ‘afscheid in/uit een eng sfeertje.’[xvi]

Op 5 juni 1982 schreef Frits Bolkestein een artikel, getiteld ‘The Dutch qualm disease’, in het prestigieuze blad The Economist. Hierin keerde hij zich tegen de linkse pacifisten met hun anti-kruisrakettenleuzen. Zijn afkeer voor linkse vredesactivisten, die volgens hem half-intellectuelen waren, stak de VVD-politicus in dit stuk niet onder stoelen of banken:

‘A lumpen intelligentsia arose: people who lost their points of reference and who sought compensation in a naive and redemptory commitment consisting of pidgin-Marxism and the bric-à-brac of the media. An atmosphere of vague anxiety focused first on Vietnam. Now it has crystallised around nuclear power.’

In de jaren tachtig zou Bolkestein vaker de pacifisten onder vuur nemen. Hij verwees hierbij graag naar de communistische voorman Lenin, die het over de leugens van het pacifisme had maar de pacifisten in het kamp van de tegenstander ‘nuttige idioten’ noemde. Het Interkerkelijk Vredesberaad (waar later trouwens de ‘linkse kerk’ naar vernoemd is) was volgens Gerry van der List een favoriet mikpunt van Bolkesteins polemieken.[xvii]

Ofschoon de JOVD een linksere koers voer dan de VVD waren de jonge liberalen ook voor de plaatsing van de kruisraketten. Dit was in Amsterdam niet bepaald zonder risico. Op 4 juni 1984 bezetten 38 raddraaiers met geweld het Stikkerhuis, waar behalve de VVD-Kamercentrale Amsterdam ook het landelijke JOVD-secretariaat was gevestigd. De ‘vredesactivisten’ mishandelden de 21-jarige secretaresse, gooiden alle papieren door elkaar en stalen spullen. Vanwege de bezetting, maar vooral vanwege de hoge huur verkaste de JOVD een jaar later naar de Prins Hendrikkade 104 in Amsterdam. Van de marxisten was men echter nog niet af. In het nieuwe pand was ook een DDR-reisbureau gevestigd. Dit was ‘Stasihol’, vertelde Jort Kelder mij jaren later: ‘De mensen daar werkten voor de Oost-Duitse geheime dienst.’ Maar volgens oud-JOVD-voorzitter Julius Remarque viel het allemaal reuze mee en waren de medewerkers ‘van die idealistische types’.

Het realistische kruisrakettenstandpunt had ook een belangrijk voordeel: veel jongeren waren het oneens met het linkse gedram van de zelfbenoemde pacifisten en besloten juist daarom om JOVD-lid te worden. Volgens Eddy Habben Jansen heeft de kruisrakettendiscussie de enorme ledengroei van de JOVD mede mogelijk gemaakt. Daarnaast moet worden opgemerkt dat er binnen de JOVD discussie over de kruisrakettenkwestie mogelijk was – internationaal secretaris Jules Maaten was tegen en werd daarom uitgebreid geïnterviewd door Hervormd Nederland – en dat de liberale jongeren bovendien het gesprek met de ‘vijand’ niet uit de weg gingen. In juli 1985 bezochten Maaten en enkele JOVD’ers namens de internationale liberale jeugdorganisatie IFRLY het Wereldjeugdfestival in Moskou. Remarque verdedigde deze reis op het congres van 22 juni:

‘Juist dòòr met mensen van dit soort landen in contact te treden, is de JOVD in de gelegenheid daar wààr te nemen en daarop kritiek te uiten, indien de basisbeginselen van vrijheid en democratie hevig geschonden worden.’

De JOVD was ten slotte de enige politieke jongerenorganisatie in Nederland die banden had met de jongerenorganisatie van de communistische partij van de Sovjet-Unie. De ideologische verschillen waren ook voor de communistische jongeren niet zo zwaarwegend dat ze goede contacten met de ‘vijand’ in de weg stonden. Saillant detail: In de zomer van 1989 was voorzitter Mark Rutte in Moskou toen het tweede kabinet-Lubbers viel over het reiskostenforfait. [xviii]

 

Wie had dat kunnen denken?

Eind jaren tachtig kwam er ontspanning tussen Oost en West. De VVD-achterban was blij met de nieuwe Sovjet-leider Michail Gorbatsjov, maar Bolkestein bleef de USSR wantrouwen. Volgens de VVD-politicus wilde Gorbatsjov van zijn land geen moderne democratie maken, maar wilde hij het communisme moderniseren zodat het de twintigste eeuw zou overleven. In zijn buitenlandse beleid zou Gorbatsjov bovendien nog steeds uit zijn op de verzwakking van het Westen. Volgens Gerry van der List zorgde Gorbatsjov bij de VVD voor verwarring, omdat hij handelde in strijd met het traditionele vijandsbeeld wat de VVD had. De intenties van de USSR-leider werden door Bolkestein dan ook gewantrouwd.[xix]

Op 9 november 1989 viel de Berlijnse Muur en kwam er een einde aan het communisme in Oost-Europa. In 1991 zou de Sovjet-Unie zelf uit elkaar vallen. De VVD verkeerde in deze jaren in een jubelstemming. Deze stemming werd perfect verwoord door het blad Vrijheid en Democratie:

‘Vijftig jaar geleden gingen de lichten uit in Europa. Nu gaan de lichten aan in Oost-Europa. Wat leven wij in een fantastische tijd! Wie had dat kunnen denken? Havel – drager van de Erasmusprijs – van dissident tot president. De Berlijnse muur is weg. De Duitse eenwording is op handen. Gorbatsjov moet luisteren naar een fluitconcert op het Rode Plein. De grote overwinnaars in Oost-Europa zijn de liberale beginselen: vrijheid, democratie en een liberaal economisch stelsel. De vrijheid gaat in het blauw gekleed, van Moskou tot Managua. Wereldwijd beleeft het liberalisme een hoogconjuctuur. Daar moet de VVD in delen.’[xx]

Niettemin verloren de liberalen niet hun gezond verstand. Ook na 1989 was de VVD tegen bezuinigen op defensie en bleef de partij voor een sterke NAVO pleiten.[xxi] Gezien de ‘War on Terror’ en de nieuwe dreiging van Rusland blijven een sterke defensie en internationale militaire samenwerking nodig.

 

Ten slotte

De VVD was ten tijde van de Koude Oorlog fel anticommunistisch. Dit betekende echter niet dat de partij vanaf het prille begin klakkeloos pro-Amerika was. In de jaren veertig en vijftig waren en sterke bedenkingen tegenover Amerika, gezien de rol die de Verenigde Staten speelden tijdens de dekolonisatie van Indonesië. Pas begin jaren zestig werd de VVD ondubbelzinnig pro-Amerika en pro-NAVO.

De VVD pleitte tijdens de Koude Oorlog voor een sterke defensie, maar was daarnaast ook voor geestelijke weerbaarheid. De liberalen keerden zich tegen pacifisten die de weerbaarheid ondermijnden. In de jaren zestig en zeventig hadden VVD-politici felle kritiek op het fenomeen selectieve verontwaardiging en de blinde vlek die links had voor de misdaden die in naam van het communisme werden gepleegd. In de jaren tachtig kwam daar kritiek op het linkse pleidooi voor eenzijdige ontwapening bij. Hoewel de VVD in politiek opzicht sterk stond en in 1985 aan het langste eind zou trekken waren opiniemakers en de media in deze jaren overwegend links, wat vooral bij Bolkestein irritaties veroorzaakte.

De VVD had natuurlijk gelijk dat het communisme een onderdrukkend systeem was en verzette zich terecht tegen het naïeve pacifisme van links Nederland. Toch schoten VVD-politici soms een beetje door. De nationalisten van Soekarno waren geen communisten, de rechtse dictaturen van Portugal en Spanje vielen absoluut niet mee en Gorbatsjov werd ten onrechte door Bolkestein gewantrouwd. De politieke les die we hieruit kunnen trekken is dat weerbaarheid goed is, maar dat de strijd niet met gesloten vizier gestreden dient te worden.

 

[i] Frits Bolkestein, Onverwerkt verleden (Amsterdam 1998) 8-9.

[ii] G.A. van der List, De macht van het idee. De VVD en het Nederlandse buitenlandse beleid 1948-1994 (Leiden 1995) 88, 109-110.

[iii] Vrijheid en Democratie, 2 juli 1948.

[iv] Ewout Klei, De weg naar de macht. Een kroniek van de JOVD 1949-2015 (Amsterdam 2015) 29, 38.

[v] Vrijheid en Democratie, 2 juli 1948.

[vi] Ibidem, 3 november 1956.

[vii] Ibidem, 10 november 1956.

[viii] Van der List, De macht van het idee, 108.

[ix] Ibidem, 132.

[x] Ibidem, 170, 148, 153, 164, 134.

[xi] Ibidem, 180-181.

[xii] Ibidem, 173.

[xiii] Vrijheid en Democratie, 28 juni 1968.

[xiv] Van der List, De macht van het idee, 222-224.

[xv] Ibidem, 221, 239.

[xvi] Vrijheid en Democratie, 15 december 1981.

[xvii] Van der List, De macht van het idee, 262.

[xviii] Klei, De weg naar de macht, 96-97.

[xix] Van der List, De macht van het idee, 400.

[xx] Vrijheid en Democratie, juni 1990.

[xxi] Van der List, De macht van het idee, 433.

 

Dit artikel staat ook in het nieuwste nummer van Liberale Reflecties, het orgaan van de Telders Stichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD. 

Afbeeldingen: Wikimedia / Wikipedia Commons.