Deel 3 van de serie Ewouts Erflaters gaat over de zeventiende-eeuwse geschiedschrijver en letterkundige Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647), bekend van onder meer de Muiderkring en de naar hem vernoemde P.C. Hooft-prijs.

Geschiedschrijving is een vak apart. De moderne wetenschappelijke geschiedschrijving ontstond in de negentiende eeuw met Leopold von Ranke, die wilde beschrijven hoe het vroeger eigenlijk geweest was (wie es eigentlich gewesen). Historici voor Ranke waren in de eerste plaats goede verhalenvertellers. Ze schreven prachtige stukken proza met een hoog moralistisch gehalte, de waarheid van die verhalen was van ondergeschikt belang. Geschiedenis was geen vak maar kunst.

Pieter Corneliszoon Hooft was zo’n vroegmoderne historicus. Hij schreef vele toneelstukken en gedichten en het uit 27 delen bestaande magnum opus: De Nederlandsche Historiën.

Grand Tour

Pieter Corneliszoon Hooft werd op 16 maart 1581 geboren te Amsterdam. Hij kwam uit een rijke regentenfamilie. Zijn vader, Cornelis Pieterszoon Hooft, zou in zijn leven in totaal acht maal burgemeester van de stad aan de Amstel worden. Cornelis hoopte dat zijn zoon de handel in zou gaan, maar de leergierige Pieter zou voor de letteren kiezen. Pieter werd lid van de rederijkerskamer Egelantier en schreef in 1597 zijn eerste treurspel, getiteld Achilles en Polyxena. Op 11 juni 1598, amper zeventien, begon hij aan zijn Grand Tour, een rondreis door Europa, die hem naar Frankrijk en Italië zouden brengen. Zo’n Grand Tour maakte in die tijd integraal onderdeel uit van de vorming van de elite. De jonge heren maakten kennis met de klassieke kunst en cultuur, ontsnapten (voor een tijd) aan het keurslijf van hun stand en ondervonden het vrouwelijk schoon voor het eerst aan den lijve. Het waren kortom de mooiste jaren van hun leven.

Pieter reisde door een Frankrijk waar de vrede net was hersteld. In 1598 was er met het Edict van Nantes een einde gekomen aan de godsdienstoorlogen tussen de katholieken en calvinisten. Hij reisde over zee van Amsterdam naar het hugenotenbolwerk La Rochelle en deed daarna over land Parijs, Lyon en Marseille aan. Op 11 juli 1599, hij was inmiddels meer dan een jaar op reis, kwam hij aan in Genua. Pieter reisde via Milaan naar Venetië, waar hij enkele maanden bleef, om vervolgens Rome, Napels, Sienna en Florence aan te doen. Via Duitsland reisde hij uiteindelijk terug naar Nederland en kwam op 8 mei 1601 in Amsterdam aan. De reis had dus bijna drie jaar geduurd.

De Grand Tour had een enorme impact op het verdere leven van Pieter Corneliszoon Hooft. Hij was onder de indruk van de Italiaanse steden en de Italiaanse literatuur. Hij las Dante, Petrarca en Machiavelli en een heleboel andere schrijvers, die qua stijl een stuk verfijnder waren dan de Hollanders. Pieter nam bij thuiskomst ook de leiding over de Amsterdamse rederijkerskamer en stortte zich op het schrijven van toneelwerken en lyrische gedichten, gericht aan de Hollandse schonen waarop Hooft zijn oog had laten vallen.

Op 25-jarige leeftijd ging Pieter rechten en letteren studeren in Leiden en studeerde binnen twee jaar af. In 1609 werd hij drost van Muiden, baljuw van Gooiland en hoofdofficier van Weesp. P.C. Hooft resideerde in de zomer op het Muiderslot en woonde in de winter in Amsterdam. Hij trouwde twee keer, in 1610 en in 1624. Zijn eerste vrouw overleed op 32-jarige leeftijd. De vier kinderen die zij hem had geschonken waren inmiddels allemaal overleden. Hoofts tweede vrouw, een Antwerpse weduwe, zou de geschiedschrijver overleven.

De ideale vorst

Hoewel Hooft niet lang in Leiden vertoefde had de studie toch een grote invloed op zijn intellectuele ontwikkeling. Op de universiteit werden studenten namelijk verder geschoold in het Latijn. De professoren lieten de studenten vooral worstelen met de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (56-113). Het compacte woordgebruik van Tacitus werd geprefereerd boven het wollige taalgebruik van Cicero, diens zoeken naar oorzaken en gevolgen boven de meer oppervlakkige historische analyses van Livius. Tacitus werd hét grote voorbeeld voor Hooft. Hij wilde ook zo geschiedenis gaan schrijven. Hoofts ideaal was een imitatio, een imitatie van de stijl van Tacitus, om op deze manier tot grote literaire hoogten te komen. Het imiteren van de klassieken had echter ook zijn schaduwzijden. Hoofts werk kenmerkt zich door aan het Latijn ontleende zinsconstructies, archaïsch taalgebruik – Dries van Agt was hierin echt niet de eerste – en neologismen. Voor de hedendaagse lezer zijn de boeken van Hooft daarom soms moeilijk door te komen.

Maar terug naar Tacitus. Hooft werd ook geïnspireerd door de politieke ideeën van deze Romeinse geschiedschrijver. Net als Tacitus zou Hooft een republikeinse regeringsvorm verkiezen boven de monarchie, zich uiteindelijk neerleggen bij een gematigde vorm van monarchie en een afkeer hebben van tirannie. De ideale regeringsvorm was in de ogen van Tacitus een aristocratische Romeinse Republiek, maar hij accepteerde het keizerrijk als fait accompli. Augustus was als keizer heel erg meegevallen: hij maakte een einde aan de burgeroorlog en voerde een gematigd bewind. Niet alle keizers waren echter als Augustus. Tiberius, Caligula en Nero waren wrede machtswellustelingen die zich zeer misdroegen. Hooft paste deze Romeinse geschiedenis toe op zijn eigen tijd.

In 1609 sloten de opstandige Nederlandse gewesten met Spanje het twaalfjarig bestand. Op 5 mei werd dit Amsterdam uitgebreid gevierd met toneelstukken. Thema van de tableaux vivants was de opstand van de Romeinen tegen de dictatoriale koning Tarquinius Superbus, die natuurlijk model stond voor de Spaanse koning Filips II. Hooft schreef voor elk toneel een devies en de moraal van het verhaal, waarin hij het recht van opstand verdedigde. In het in 1613 verschenen toneelstuk Geeraerdt van Velsen ging Hooft verder door op dit thema en koos hij de kant van de Hollandse edelen die eind dertiende eeuw in opstand kwamen tegen Floris V. De Hollandse graaf zou zijn macht hebben misbruikt en de lage adel was daarom terecht tegen hem in opstand gekomen.

Ondanks de tijdelijke vrede met Spanje waren de bestandsjaren moeilijke jaren en brak er in de Nederlanden bijna een burgeroorlog uit. Oorzaak van de bestandstwisten was een theologisch conflict over de zogenoemde predestinatie, de uitverkiezing. Waren mensen verantwoordelijk voor hun eigen zielenheil (de remonstranten), of hadden de mensen deze keuze niet en was alles van te voren besloten door God (de contraremonstranten)? Het was een dogmatische haarkloverij die Hooft niet interesseerde – hij ging niet naar de kerk en was misschien zelfs geen gelovige, hoewel je in deze tijd uiteraard geen openlijke atheïst kon zijn – maar voor veel mensen was dit meningsverschil een zaak van leven of dood. Het zou in 1619 ook leiden tot de executie van Johan van Oldenbarnevelt, de politieke leider van de remonstrantse partij.

In 1616-1617 schreef Hooft het toneelstuk Baeto, dat indirect over de bestandstwisten ging. Baeto was de mythische stamvader van de Bataven, de legendarische voorvaderen van de Nederlanders. Omdat het koninkrijk van zijn vader werd verscheurd door een burgeroorlog koos Baeto voor vrijwillige ballingschap, waarbij hij zijn eigenbelang opofferde aan het algemeen belang. Het land waar Baeto naar toe trok was Holland, waarvan hij natuurlijk koning werd. Baeto was een vorst zoals prins Maurits, de zoon van Willem van Oranje, eigenlijk zou moeten zijn: vergevingsgezind en wijs. Helaas bleek Maurits, die in 1617 openlijk partij koos voor de contraremonstranten en daarmee tegen zijn politieke tegenstander Oldenbarnevelt, het tegendeel van deze vredevorst. Baeto werd om die reden pas na de dood van Maurits opgevoerd.

Hooft was zeer teleurgesteld in Maurits. De Oranjeprins was beslist geen hedendaagse Baeto. Dat was wel de Franse koning Hendrik IV, waarover Hooft in 1626 een biografie voltooide. De Franse koning had in 1598 een einde gemaakt aan de burgeroorlog en zorgde ervoor dat de katholieken en de calvinistische hugenoten niet opnieuw naar de wapens grepen. De biografie over Hendrik IV was ook een ‘vorstenspiegel’ voor prins Frederik Hendrik, die in 1625 Maurits als stadhouder had opgevolgd. Frederik Hendrik zou wel voldoen aan het ideaalplaatje van Hooft. De nieuwe Oranjeprins voerde een gematigd en tolerant bewind en staakte de vervolging van de remonstranten.

Intellectuele oogst

In 1627 hertrouwde Hooft met Leonora Hellemans, de weduwe uit Antwerpen. Hun huwelijk zou 20 jaar duren, tot het overlijden van Hooft in 1647. Waar Hooft als historicus en schrijver vaak met zijn hoofd in de wolken zat daar was Leonora Hellemans nuchter en praktisch. Zij werd de nieuwe gewaardeerde gastvrouw van de Muiderkring, de literaire club die tussen 1615 en 1645 regelmatig samenkwam in het Muiderslot. Beroemde deelnemers waren Casparus Barlaeus (van het beroemde elitegymnasium in Amsterdam), Gerbrand Adriaensz. Bredero, Albert Burgh, Jacob Cats, Constantijn Huygens, Laurens Reael, Jan Pieterszoon Sweelinck, Anna Roemersdochter Visscher, Maria Tesselschade Visscher, Roemer Visscher, Joost van den Vondel, Jan Vos en Gerardus Vossius.

In 1628, de wittebroodsweken waren voorbij, begon Hooft aan De Nederlandsche Historiën. Dit werd zijn magnum opus en werd vanaf 1642 uitgegeven bij Elsevier. Helaas heeft Hooft het boek niet af kunnen schrijven, wat veel auteurs overkomt die op latere leeftijd met hun levenswerk beginnen. De Nederlandsche Historiën vangen aan in 1555, het jaar dat keizer Karel V troonafstand deed, en eindigden in 1587. Willem van Oranje krijgt dus alle aandacht, Maurits en Oldenbarnevelt nauwelijks. Hooft deed uitgebreid onderzoek naar de gebeurtenissen van toen en wilde zich goed op de hoogte stellen van alles.

Het grote voorbeeld voor deze uiteindelijk uit 27 delen bestaande geschiedenis van Nederland was uiteraard het werk van Tacitus. Net als Tacitus koos Hooft voor de vorm van het ooggetuigenverslag, wat de levendigheid van het geschiedverhaal ten goede komt. Om zich de stijl van Tacitus helemaal eigen te maken besloot Hooft het werk van de grote Romeinse geschiedschrijver in het Nederlands te vertalen. Deze Tacitus-vertaling was puur voor eigen gebruik. Hooft had hier twee goede redenen voor: de niet-belezen leek begreep Tacitus toch niet en degenen die Tacitus wel begrepen konden ook Latijn lezen.

Erfenis

Hooft overleed op 21 mei 1647 in Den Haag, waar hij op dat moment was om zijn geliefde Oranjevorst Frederik Hendrik te begraven. Wat was Hoofts erfenis?

P.C. Hooft wordt beschouwd als één van de belangrijkste grondleggers van de Nederlandse literaire cultuur van de Gouden Eeuw, naar Frans en Italiaans voorbeeld. Zijn eigen werk was een imitatio van de schrijfkunst van de Romeinen, met name van het werk Tacitus waarvoor Hooft een enorme bewondering koesterde. Van groot belang was daarnaast de door Hooft georganiseerde bijeenkomsten in het Muiderslot, waar letterkundigen hun literaire en muzikale avonden belegden.

Toen ik bezig was met dit artikel over P.C. Hooft moest ik telkens denken aan Niccolò Machiavelli (1469-1527), de beroemde politieke filosoof van de Italiaanse Renaissance. Net als Machiavelli is Hooft zeer door de klassieke schrijvers beïnvloed. Machiavelli liet zich erg inspireren door Livius (vooral in Discorsi), Hooft door Tacitus. En net als Machiavelli paste Hooft de kennis van de klassieken toe op de eigen tijd. Het ideaal van Machiavelli was een vrije republiek, door echte mannen geleid, die het algemeen belang hoog in het vaandel hield en zich tegenover de vijandelijke overmacht staande wist te houden. Zijn stadstaat Florence beschouwde Machiavelli als een eigentijdse versie van de Romeinse Republiek. Het ideaal van Hooft was een gematigde monarchie waarin veel republikeinse vormen waren bewaard: het keizerrijk van Augustus. De Nederlandse Republiek met Oranjevorst Frederik Hendrik aan het hoofd was de eigentijdse incarnatie van dat ideaal.

Tot zover de overeenkomsten. Het grote verschil tussen beide schrijvers is dat Machiavelli de klassieke schrijvers niet imiteerde maar duidelijk wist te overtreffen, door in zijn beroemdste boek, Il Principe (De heerser), een min of meer systematische uiteenzetting te geven over hoe vorsten aan de macht komen en hoe ze die weten te behouden. Machiavelli wordt om die reden beschouwd als de grondlegger van de politieke wetenschap. Hooft kwam in zijn werk daarentegen niet verder dan imitatio. Zijn ideaal was niet het vormen van eigen originele gedachten, maar het imiteren van de klassieke reuzen.

Hoofts nadruk op het imiteren van anderen is waarschijnlijk ook de reden waarom zijn werk een beetje in de vergetelheid is geraakt. We kennen P.C. Hooft tegenwoordig vooral van de P.C. Hooftstraat, de duurste winkelstraat van Amsterdam, en natuurlijk van de P.C. Hooft-prijs, de beroemdste literaire prijs van Nederland die sinds 1947 jaarlijks wordt uitgereikt aan een Nederlandstalige schrijver. Helaas is tot dusverre maar één historicus deze eer te beurt gevallen, namelijk Pieter Geyl die de prijs in 1957 kreeg.