Politiek historicus Ewout Klei vertelt in deze longread over het leven en werk van Abraham Kuyper, de belangrijkste Nederlandse politicus ten tijde van het fin de siècle.

Na de dood van Groen van Prinsterer volgde Abraham Kuyper hem op als leider van de Antirevolutionaire Richting. Kuyper maakte van de ARP een moderne partij. Zijn arbeid in de pers (De Standaard en De Heraut), de wetenschap (Vrije Universiteit), de kerk (Doleantie 1886 en Vereniging 1892) en de politiek (leider ARP en minister-president) heeft de Nederlandse samenleving in het algemeen en het calvinistische deel daarvan in het bijzonder diepgaand beïnvloed. De grondwet van 1848 had – dankzij de vrijheid van godsdienst en vergadering – de verdeling van de Nederlandse samenleving in vier levensbeschouwelijke blokken mogelijk gemaakt. Kuyper was weliswaar niet de architect van de verzuiling maar gaf hier wel de beslissende stoot voor. Dankzij Kuypers grote charisma en politieke inzet organiseerden ‘de kleine luyden’ zich in een hechte groep. De katholieken en socialisten volgden en de liberalen kregen wat er overbleef,  de algemene zuil.

In tegenstelling tot Groen zijn het niet alleen geestverwanten die over Kuyper schrijven. Kuyper is een nationaal figuur. Niet voor niets rekenen Jan en Annie Romein hem  – net als onder andere Joan Derk van der Capellen tot den Pol en Johan Rudolf Thorbecke – tot de erflaters van de Nederlandse beschaving. De eerste wetenschappelijke biografie over Kuyper was die van de katholieke historicus Piet Kasteel. In mei 2006 verscheen er een nieuwe biografie, ditmaal van de hand van historicus Jeroen Koch. Deze biografie legt het accent op Kuypers politieke ideeën. In tegenstelling tot de biografie van Jan Drentje over Thorbecke is Kochs boek niet gebaseerd op nieuw bronnenmateriaal, maar hij heeft wel geprobeerd een nieuwe synthese te geven op basis van het bestaande onderzoek. Het boek is door sommige gereformeerden, onder wie historicus Arie van Deursen, echter zwaar bekritiseerd. In 2013 ten slotte verscheen de biografie van de Amerikaan James Bratt.

Kuyper als predikant, kamerlid en journalist

Abraham Kuyper werd op 29 oktober 1837 te Maassluis geboren als de zoon van een hervormde predikant. Hij ging theologie studeren in Leiden en deed een onderzoek naar de Poolse reformator Johannes à Lasco voor een Groningse prijsvraag. Kuyper overwerkte zich en raakte begin 1861 overspannen. Na een zware crisis herstelde Kuyper zich en promoveerde in 1862 summa cum laude op à Lasco. Kuyper was weer vol energie en werkte volgens Koch toe naar een volgende depressie.

Kuyper trouwde in 1863 en werd in dat jaar predikant te Beesd. In 1867 vertrok hij naar Utrecht en ten slotte was hij van 1870 tot 1874 was predikant te Amsterdam. In deze tijd ging Kuyper zich ook met maatschappelijke zaken bemoeien. Hij ijverde onder andere voor het bijzonder onderwijs. Ook trad hij in contact met Groen van Prinsterer. Kuyper nam een heleboel hooi op zijn vork, mengde zich in veel discussies en kwam daarom langzaam maar zeker in beeld als Groens opvolger.

In 1874 werd Kuyper gekozen voor de Tweede Kamer. Omdat geestelijken toen nog geen politiek ambt mochten bekleden stopte Kuyper als predikant. Kuyper wist eerst niet of hij wel naar de Kamer moest gaan, vroeg steeds om advies aan Groen van Prinsterer die hem tenslotte geïrriteerd overhaalde om het toch maar te doen.

Als kamerlid had Kuyper het heel druk, maar dat lag niet alleen aan al het Kamerwerk. Kuyper schreef namelijk elke dag een politiek commentaar als hoofdredacteur van De Standaard, een antirevolutionair dagblad dat vanaf 1 april 1872 verscheen. Voor deze datum was bewust gekozen. Op de dag af driehonderd jaar eerder hadden de geuzen namelijk Den Briel veroverd. Kuyper wilde dat zijn lezers zich aan deze dappere onverschrokken calvinisten van weleer zouden spiegelen. Kuyper bewerkte zijn aanhangers in De Standaard en hielp hen aan een zelfbeeld (de arme kleine luyden en de dappere mannenbroeders) en aan de vijanden (de liberalen en conservatieven in de politiek en de vrijzinnigen en de ethisch-irenischen in de kerk) die moesten worden bestreden. Kuyper was een gevierde journalist die zijn lezers emotioneel wist te raken. En met zijn korte commentaren, de zogenaamde ‘driestarren’, was Kuyper volgens historicus Henk te Velde misschien wel de eerste columnist van Nederland.

Begin 1876 raakte Kuyper opnieuw overspannen. Dit had mede te maken met het feit dat Kuyper in de zomer van 1875 in de ban raakte van een uit Amerika naar Europa overgewaaide religieuze opwekkingsbeweging. Kuyper was erg onder de indruk van Robert Pearsall Smith, die opriep tot radicale levensheiliging. Kuyper ging er zelfs voor naar Brighton in Engeland, waar hij en achtduizend anderen een verbroederingsbijeenkomst meemaakten. Begin 1876 werd het gerucht bekend dat Pearsall Smith met een volgelinge overspel zou hebben gepleegd. Waarschijnlijk is dit de directe aanleiding geweest van Kuypers overspannenheid. Kuyper vertrok naar het buitenland om er weer bovenop te komen. Hij was in 1877 weer in Nederland en keerde pas in 1894 terug in de Tweede Kamer.

Kuyper werkte lange tijd samen met de eminente jurist A.F. de Savornin Lohman. Hij had Kuyper tijdelijk vervangen als hoofdredacteur van De Standaard, toen deze overspannen in het buitenland verbleef. Lohman werd op 29 mei 1837 geboren als telg uit een Gronings regentengeslacht. Hij was opgegroeid in een Réveilomgeving, maar ging wel eens naar een kerkdienst van de afgescheidenen. Lohman verwierf in 1875 bekendheid met zijn boek Gezag en vrijheid, waarin hij het antirevolutionaire staatsrecht verdedigde. Na Kuypers vertrek uit de kamer zou Lohman de antirevolutionaire Kamerclub leiden, tot hij zich in 1894 van Kuyper losmaakte en met zijn medestanders een eigen partij begon.

Kuyper probeerde de strijd voor de financiële gelijkberechtiging van het bijzonder onderwijs via de buitenparlementaire weg te winnen. Het antischoolwetverbond, gericht tegen de schoolwet van het links-liberale kabinet-Kappeyne van de Copello, was door Kuypers aanhangers opgericht naar analogie van de Engelse Anti-Corn Law Leage. In 1878 organiseerden Kuyper, Lohman en B.J.L. de Geer van Jutphaas een petitionnement, een verzoek aan koning Willem III om de onderwijswet van Kappeyne van de Coppello niet te ondertekenen. Het petitionnement werd een groot succes. 305.000 protestanten tekenden, terwijl een vergelijkbare petitie 164.000 katholieke handtekeningen opleverde. Hoewel de koning de wet ondertekende waren de gevolgen van dit petitionnement volgens historicus J. de Bruijn verstrekkend. Zoals in het begin van de jaren zeventig van de negentiende eeuw de antirevolutionairen zich definitief losmaakten van de conservatieven, zo namen de rooms-katholieken nu duidelijk afstand van de liberalen. Het petitionnement had grote gevolgen voor de Nederlandse politiek. Het antischoolwetverbond, dat overal in Nederland afdelingen had, werd door Kuyper namelijk omgevormd tot de Antirevolutionaire Partij, die op donderdag 3 april 1879 werd opgericht.

Kuyper als democraat en nationalist

Groen was een politicus met theocratische idealen die zich beetje bij beetje had aangepast aan het nieuwe politieke bestel dat vanaf 1848 werd vormgegeven. Kuyper was veel meer democraat dan Groen, maakte gebruik van de volksstem en steunde het wetsvoorstel van Johannes Tak van Poortvliet uit 1894 om het kiesrecht uit te breiden.

Kuyper bleef net als zijn leermeester tegen het – revolutionaire – principe van volkssoevereiniteit. Toch sprak hij zich positief over democratie uit. In zijn toespraak Het calvinisme, oorsprong en waarborg van onze constitutionele vrijheden lichtte Kuyper dit met een historisch betoog toe. Het was een poging van Kuyper om het ‘reactionaire image’ van de antirevolutionairen te verbeteren. Voor de Franse Revolutie kenden calvinistische landen als Nederland, Zwitserland, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten de meeste burgerlijke en politieke vrijheden. Calvijn had ook een voorkeur voor de republiek gehad en was niet tegen volksinvloed. Groen heeft zich in zijn politieke denken niet zozeer op Calvijn beroepen, maar op de conservatieve denkers uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Groens politieke ideeën komen daarom dichter in de buurt van absolutisme.

In tegenstelling tot Groen wees Kuyper ondubbelzinnig de theocratie af. Hij was fel tegen de staatskerk. Mede door zijn studie naar Johannes à Lasco zag Kuyper de kerk als een organisme dat zich vrij moest kunnen ontplooien. Kuypers ideaal was een vrije kerk in een vrije staat.  In tegenstelling tot Groen brak hij daarom met de ‘vrijzinnige’ Nederlandse Hervormde Kerk. In 1886 maakte een orthodoxe groep onder leiding van Kuyper zich vrij en stichtte de Nederduits Gereformeerde Kerk. Deze kerk fuseerde in 1892 met een groot deel van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland, die in 1834 ontstaan was uit de afscheiding en in 1869 een kerkgenootschap hadden gevormd, tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Op advies van Kuyper schrapte de generale synode van de Gereformeerde Kerken in 1905 de volgende woorden uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen’. De staat werd vrijgemaakt van de kerk. Kuypers breuk met de Hervormde Kerk viel bij orthodoxe hervormden niet in goede aarde. Onder leiding van theoloog Ph. J. Hoedemaker bleef een groep orthodoxe hervormden strijden voor herstel van de Nederlandse Hervormde Kerk en het christelijke karakter van de Nederlandse staat.

Volgens zijn biograaf Koch was Kuyper dubbelzinnig over de democratie. Kuyper verstond onder het ‘volk’ zeker niet de joden en de atheïsten, maar ook niet de liberalen en de katholieken. Het calvinisme was de ‘grondtoon van het Nederlandse volkskarakter’. Ook de andere grondtonen, het katholicisme en het humanisme, zouden door het calvinisme zijn gestempeld. Kuyper dacht vooral aan het calvinistische volk wanneer hij sprak over democratie. De christelijke natie werd geplaatst tegenover de ongelovige elite van ‘revolutionaire’ liberalen.

Niet uit principiële maar vooral uit pragmatische overwegingen steunde Kuyper in 1894 het wetsvoorstel van Tak van Poortvliet, die het kiesrecht aanzienlijk wilde uitbreiden. Een grote verkiezingsoverwinning voor de antirevolutionairen lag toen binnen handbereik. Kuyper bleef vasthouden aan het zogenaamde organisch kiesrecht. Hij bestreed het algemeen kiesrecht en het vrouwenkiesrecht.  Kuyper was daarom tegen de ‘pacificatie’ van  het kabinet-Cort van der Linden, die de schoolstrijd en de kiesrechtkwestie wilde oplossen.

Kuypers einddoel was niet de emancipatie van de ‘kleine luyden’, maar de herkerstening van Nederland. De protestantse organisaties die na 1870 het licht zagen hadden volgens de socioloog D.Th. Kuiper een ambitieuzer doel dan alleen emancipatie. Volgens De Bruijn was het emancipatiestreven van de ARP eerder een gevolg dan oorzaak van het herkersteningsmotief. Het nationalisme van de antirevolutionairen hing met het herkersteningsmotief samen. Met beroep op ‘soevereiniteit in eigen kring’ wilde Kuyper volgens christen-historicus Roel Kuiper geen ommuurde tuin creëren, maar een bolwerk voor de Gideonsbende die de antirevolutionairen in de samenleving wilden zijn. Het nationalisme van Kuyper was cultuur-imperialistisch en religieus. De antirevolutionairen hadden een groots verleden en een nationale roeping te vervullen.

De strijdbare poging om Nederland te herkerstenen heeft echter onbedoeld de verzuiling tot gevolg gehad. Niet alleen de gereformeerden maar ook de socialisten en katholieken wilden meer invloed en gingen zich mobiliseren en organiseren. Iedere zuil beweerde een nationale roeping te vervullen. De verzuilde tegenstanders zouden echter alleen uit zijn op het groepsbelang. Over en weer werden karikaturen van de andere zuil geschetst en gekoesterd. Iedere zuil geloofde sterk in het eigen gelijk.

De kleine luyden identificeerden zich sterk met de Boeren in Zuid-Afrika. Zoals Kuyper en zijn dappere Gideonsbende het protestantse karakter van Nederland verdedigden tegen de liberale overmacht, zo verdedigden de Boeren hun onafhankelijke republieken Transvaal en Oranje Vrijstaat tegen het Britse Imperium. De calvinistische Boeren stamden af van Nederlandse kolonisten en waren erg godsdienstig. De bloedband en geloofsband met de Boeren werd door de kleine luyden daarom maar al te graag benadrukt.

Kuyper als omstreden profeet

Kuyper was omstreden. Hij werd door de een geprezen en door de ander gehoond. Toen Kuyper in 1886 brak met de Hervormde Kerk werd hij door velen als een oproerkraaier gezien. De zogenaamde ‘paneelzagerij’ (het zich toegang verschaffen tot en het bewaken van de kerkenraadskamer van de Nieuwe Kerk te Amsterdam) heeft het beeld van Doleantie bij de buitenwereld bepaald. De ruzie tussen Kuyper en Lohman – die culmineerde in Lohmans vertrek uit de ARP in 1894 en zijn gedwongen afscheid van de VU een jaar later – hebben Kuyper ook niet bepaald populair gemaakt. Bij de socialisten was hij het meest omstreden als minister-president van het kabinet-Kuyper (1901-1905). Na zijn maatregelen tegen de spoorwegstaking – de zogenaamde worgwetten – kon hij het nooit meer goed doen bij de socialisten. Kuyper had zijn sociale gezicht verloren. Tenslotte verloor Kuyper tijdens de zogenaamde Lintjesaffaire ook nog eens zijn geloofwaardigheid. Kuyper werd ervan beschuldigd dat hij in de jaren van zijn premierschap twee Amsterdamse kooplieden had voorgedragen voor een koninklijke onderscheiding. Dit in ruil voor schenkingen aan de Antirevolutionaire Partij, waarvan hij voorzitter was gebleven. De kwestie werd in 1909 openbaar gemaakt door de advocaat Tideman in het socialistische dagblad Het Vrije Volk, omdat hij bang was dat Kuyper weer premier zou worden. Kuyper werd niet schuldig bevonden aan corruptie (mede omdat er bewust belastende stukken waren achtergehouden). Wel was zijn goede naam besmeurd en hij zou niet meer naar het centrum van de macht kunnen terugkeren. In de Tweede Kamer zei Kuyper: ‘Het boetekleed ontsiert de man niet’. Zijn volgelingen bleven in hem geloven, maar voor de buitenwereld had Kuyper afgedaan.

Een publiek figuur als Kuyper was een dankbaar object voor satire. Bekend zijn de spotprenten van Johan Braakensiek en vooral die van Albert Hahn. In 1909 verscheen het boekje Dr. Kuyper in de caricatuur. Op de omslag stond ‘Abraham de Geweldige’ van Hahn. In het voorwoord schreef Kuyper dat de karikatuurkunst bloeide en dat hij daaraan mooi zijn steentje heeft bijgedragen, omdat hij zo veel stof voor tekeningen leverde. Hahn had een hekel aan de politiek die Kuyper voorstond, maar was zonder hem waarschijnlijk niet zo bekend geworden.

Volgens Henk te Velde lag de politieke betekenis van Kuyper vooral in diens nieuwe stijl van optreden. Kuyper overbrugde de kloof tussen burger en politiek. Politiek was niet meer alleen een zaak waar de deftige Haagse heren zich mee bezig dienden te houden, maar een zaak voor iedereen. Het ging niet meer om een zakelijke discussie met rationele argumenten, maar om het emotionele en het persoonlijke. De vertolkers van deze nieuwe politiek waren volgens Te Velde ‘profeten’. Deze visionairen bestreden op theatraal tegendraadse wijze de politieke elite die hun boodschap niet begreep. Hoewel ze bestreden werden door de elite waren profeten bij hun aanhang zeer populair en werden ze beschouwd als de van God gegeven leiders. De radicaal-socialistische leider Ferdinand Domela Nieuwenhuis was ook zo’n profeet, en natuurlijk Joan Derk van der Capellen en Pim Fortuyn.

Voor Kuyper was het persoonlijke politiek. Hij vertelde graag over zijn bekering tot het gereformeerde geloof der vaderen. Volgens biograaf Koch zijn er drie verschillende bekeringsverhalen verteld. Kuyper zou volgens Koch echter nooit diep hebben getwijfeld aan de fundamenten van zijn geloofsovertuiging, ondanks zijn aanvankelijke openheid voor moderne theologie. Hij twijfelde binnen de grenzen van zijn geloof. Hij was alleen op zoek naar absolute zekerheid. Na zijn bekering dacht hij die te hebben gevonden. Kuyper geloofde dus in wat hij zei, maar hij zei het op een moment waarop het effect had. Zijn persoonlijke gevoelens stonden als het ware garant voor de strijd die hij had te voeren. Het persoonlijke dreigde hiermee iets theatraals te krijgen en was niet meer echt. Kuyper werd een karikatuur van zichzelf. Opvallend is dat Kuyper een sterke band met zijn aanhang had, maar tegenover intimi weer heel afstandelijk was en niet schroomde hen te manipuleren.

Kuyper spiegelde zich aan de Engelse politicus William Gladstone. De liberaal Gladstone was een vroom christen die gedurende de Midlothian Campaign van 1880 geprofiteerd had van de landelijke verontwaardiging over de afslachting van christelijke Bulgaren door het Ottomaanse leger. Hier had de conservatieve regering van Benjamin Disraeli niet tegen geprotesteerd. Gladstone voelde zich een met zijn kiezers en deed een beroep op de hartstochten bij zijn publiek. De massale verkiezingsbijeenkomsten werden niet bezocht voor de inhoud, maar voor het saamhorigheidsgevoel.

Kuyper als neocalvinistische ideoloog

Kuyper creëerde een veel nauwere relatie tussen geloof en politiek dan Groen, die in zijn persoon de Antirevolutionaire richting had belichaamd maar nooit een uitgewerkt beginselprogram had geschreven. Daarnaast legde Kuyper een sterkere nadruk op het calvinisme. Hij moderniseerde het calvinisme van Calvijn en maakte er een echte negentiende-eeuwse politieke ideologie van, te vergelijken met het liberalisme en het marxisme. In Kuypers neocalvinistische ideologie stonden drie beginselen centraal: algemene genade, soevereiniteit in eigen kring en de antithese.

In tegenstelling tot Calvijn was Kuyper geen cultuurpessimist. Hij leerde dat God ook genadig was voor de zondige wereld, waardoor ongelovigen net als gelovigen in staat om grote culturele prestaties te leveren. Ook zou er dankzij deze algemene genade voor iedereen een steeds hogere ontwikkeling van het leven mogelijk zijn. Gereformeerden mochten dankzij dit leerstuk zich in de wereld begeven, wetenschappelijk onderzoek doen, samenwerken met niet-christenen enzovoort. Traditionele calvinisten hielden zich nogal afzijdig van de samenleving, maar de volgelingen van Kuyper zouden dankzij deze leer maatschappelijk zeer actief worden.

Kuyper was tegen de socialistische staatsopvatting, waarin de staat almachtig was. Ook keerde hij zich tegen individualisme van de liberalen. Hij ontwikkelde daarom het concept van soevereiniteit in eigen kring. De maatschappij zou bestaan uit verschillende kringen (kerk, school, gezin, staat), die van God een bepaald gezag hadden gekregen en ten opzichte van elkaar autonoom waren. De verschillende kringen moesten de ruimte krijgen om tot volle ontplooiing te komen. De kringen stonden echter niet helemaal los van elkaar. Samen vormden ze één geheel. Dit gold ook voor de scheiding tussen kerk en staat. Kerk en staat mochten zich niet direct met elkaar bemoeien maar wel indirect, via het geweten van de gelovigen.

De antithese was ten slotte de tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen. Kuyper was echter opportunistisch in de hantering van de antithese. Niet alleen zouden antirevolutionairen met katholieken een bondgenootschap moeten aangaan in de schoolstrijd, maar Kuyper sloot in zijn boek Om de oude wereldzee een bondgenootschap met moslims ook niet uit, in een mondiaal conflict tussen het monotheïstische Europa en het polytheïstische Azië dat in de toekomst misschien zou kunnen plaatsvinden.

De antithese betekende voor Kuyper dus niet noodzakelijk het isolement van de calvinisten. Wel werd de tegenstelling tussen christelijk en liberaal benadrukt, die door de leer van de algemene genade dreigde te verdwijnen. Partijvorming moest volgens Kuyper op confessionele grondslag plaatsvinden.

Kuypers erfenis

Kuyper had een ideologie ontworpen en de vraag was wat hiermee gedaan moest worden. Velen maar niet allen waren van mening dat Kuypers erfenis louter geconserveerd moest worden. Kuyper was na zijn vertrek als minister-president in 1905 erop gebrand om weer een eigen kabinet te gaan vormen. Koningin Wilhelmina – die grote invloed uitoefende op de kabinetsformaties – wilde echter onder geen beding dat Kuyper weer een kabinet zou leiden. Ze gaf de voorkeur aan Th. Heemskerk, die in 1908 voorzitter van de ministerraad werd. Kuyper was gepasseerd. Hij raakte daardoor steeds meer verbitterd en werkte alle pogingen om de ARP te vernieuwen tegen. Kuyper misgunde Heemskerk zijn positie en beschuldigde hem in De Standaard van een jolig christendom. Kuyper zou na 1905 de antithese en het isolement steeds vaker benadrukken.

Aan het eind van zijn leven kreeg Kuyper kritiek van enkele vooraanstaande ARP’ers, waaronder Th. Heemskerk en H. Bavinck. Zij hadden in 1915 de brochure Leider en leiding in de Anti-Revolutionaire Partij geschreven. Daarin werd kritiek geleverd op Kuypers autoritaire leiderschap, maar ook werden er voor het eerst twijfels uitgesproken over de toepasbaarheid van de neocalvinistische ideologie in de concrete politiek. Volgens de auteurs konden niet alle politieke kwesties met het geloof in verband worden gebracht. Het gevaar was dat de Bijbel politiek misbruikt zou worden.

De ARP deed echter niets met deze kritiek. Pas na de Tweede Wereldoorlog zouden de Antirevolutionairen kritisch naar hun eigen principes krijgen. Hendrikus Colijn, die in 1918 Kuyper was opgevolgd, stond een behoudende politiek-ideologische koers voor. Het ging Colijn om Der vaderen erfdeel (de titel van zijn deputatenrede uit 1922) en Om de bewaring van het pand (titel van Colijns deputatenrede uit 1925).

Kuyper vernieuwde het calvinisme en werkte de ideeën van Calvijn en Groen van Prinsterer op een moderne manier uit, maar vervolgens werd zijn intellectuele erfenis versteend. De protestantse zuil van ARP, De Standaard, de Vrije Universiteit en natuurlijk de in 1924 opgerichte NCRV zou in het interbellum hét ultieme bastion van Nederlandse hokjesgeest en conservatisme zijn.