De Antirevolutionaire Partij speelde na de Tweede Wereldoorlog de tweede viool. Niettemin zou de gemarginaliseerde ARP nog twee keer de minister-president leveren. Ewout Klei vertelt over de veelbewogen geschiedenis van deze partij, die in 1980 opging in het CDA.

Opnieuw Ongeloof en Revolutie

In tegenstelling tot de Nederlandsche Unie van het driemanschap J. de Quay, L. Einthoven en J. Linthorst Homan wilde de ARP zich in 1940 niet aanpassen aan de Duitse bezetter. In reactie op het succes van de Nederlandsche Unie hield de ARP in augustus 1940 samen met de CHU een massale protestbijeenkomst in de Apollohal in Amsterdam. De antirevolutionaire en christelijk-historische geesteszonen van Groen van Prinsterer en vertegenwoordigers van de reformatorische ‘grondtoon van ons volkskarakter’ maakten duidelijk dat zij niet capituleerden voor de tijdgeest. De Duitsers verboden uiteraard meteen deze massameetings, die immers als een daad van verzet konden worden beschouwd.

Op 4 juli 1941 werden alle politieke partijen, behalve natuurlijk de NSB, verboden. De ARP ging ondergronds. Er werden twaalf ‘apostelen’ aangesteld die een schaduworganisatie moesten gaan vormen. Deze organisatie moest de antirevolutionaire achterban geestelijk weerbaar maken en van lectuur voorzien.

Ongeloof en Revolutie, het politieke manifest van Groen van Prinsterer uit 1847, werd veel gelezen in de oorlogsjaren. De oprichter van het illegale blad Trouw, Sieuwert Bruins Slot, citeerde uit dit werk in zijn brochure De gekroonde roover van 1941. In tegenstelling tot de SGP beschouwde de ARP de Duitse bezetter niet als de wettige overheid, maar als een usurperende macht. Antirevolutionairen moesten trouw blijven. Dit betekende: ‘geene uitlegging onderschrijven, welke ons verpligten zou den booswicht die het moordtuig voorhoudt, gehoorzaam te zijn, of den gekroonde roover, die gisteren den wettigen Vorst verjaagd heeft, heden als eene van God verordineerde magt te beschouwen.’ In een aanval op de tijdgeest behoorde een beroep op Groen tot het vaste repertoire, maar in dit geval was niet het liberalisme maar het revolutionaire nationaal-socialisme het onderwerp van kritiek.

De onverzettelijkheid waar de ARP in de oorlog zo om werd geroemd zorgde er na de oorlog voor dat de partij tot 1952 buiten de regering bleef. Hendrikus Colijn was in 1944 in ballingschap overleden en werd in 1946 opgevolgd door Jan Schouten. De erfenis van Colijn zorgde ervoor dat de ARP vooralsnog niet tot vernieuwing kon komen en daarom in de oppositie bleef. In zijn proefschrift Om de erfenis van Colijn gaat Doeko Bosscher in op de problemen waarmee de ARP te kampen had nadat de vooroorlogse partijleider Colijn in 1939 van het politieke toneel was verdwenen. Tot de erfenis van Colijn behoorden volgens Bosscher een bepaalde mentaliteit en een bepaald wereldbeeld en specifieke noties op het terrein van de koloniale en internationale politiek. De ARP wilde niet mee met de Doorbraak, de vernieuwingsbeweging die partijvorming op confessionele grondslag afwees. In februari 1945 had het dagblad Trouw opgeroepen om met de CHU te fuseren tot een Christelijke Volkspartij. Bruins Slot was voor vernieuwing, maar stuitte op de onwil van de ARP-top en van de CHU, die bang was om overvleugeld te worden. ARP en CHU bleven apart optrekken.

Tijdens de wederopbouw verzette de ARP zich tegen de opbouw van de verzorgingsstaat en de groeiende rol van de overheid in de economie. Bovendien was de partij fel tegen de onafhankelijkheid van Indonesië. Ook de CHU, de KVP en de liberalen hadden grote moeite met Soekarno en steunden de Politionele Acties, maar ze stelden zich flexibeler op dan de principiële ARP. In de ARP werd zeer gemakkelijk geredeneerd vanuit een dogmatisch antirevolutionair denkschema: ‘Gezag is gezag en een rebel is een rebel.’

Na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 kwam er ruimte voor de ARP om aan de regering mee te doen. In 1950 stak de voorzitter van de Eerste Kamerfractie, Anne Anema, de hand uit naar het kabinet. In 1952 traden twee AR-ministers toe tot het brede kabinet-Drees III. ARP-politicus Jelle Zijlstra, die minister van economische zaken werd, was modern-pragmatisch ingesteld en werd na val het kabinet-Cals voor korte tijd premier. Hij stuitte bij de traditionele deel van de achterban echter op veel weerstand. Voor de rechtervleugel van de partij was het ongehoord dat de ARP meedeed aan een kabinet dat geleid werd door sociaal-democraten.

In 1954 verscheen de beruchte brochure Antirevolutionair beleid van J.P.A. Mekkes. Deze filosoof, uiteraard aanhanger van de Wijsbegeerte der Wetsidee van Dooyeweerd, had een groot bezwaar tegen de kabinetsdeelname. Mekkes was van mening dat de staat op economisch terrein weinig taken had. De PvdA was volgens hem een revolutionaire partij waar niet mee mocht worden samengewerkt. Als echte antirevolutionair van de oude stempel deed Mekkes een beroep op Groen: ‘als wij innerlijk, geestelijk, nog iets betekenen, als wij nog iets van Groen van Prinsterer in ons hebben, dan hadden wij ons niet JUIST IN 1950 aan de gevaarlijkste vijand veil gegeven, een vijand die pas zijn grootste winsten had geboekt en zich voor de verdere opmars gereed maakte.’

Mekkes kon het tij niet keren. Hij en andere Dooyeweerdianen hadden tussen 1949 en 1952 geprobeerd de koers van de ARP te verleggen. Al in de jaren dertig wilden de aanhangers van Dooyeweerd het program van de partij aanpassen, maar de commissie die zich hierover moest buigen had geen resultaten geboekt. Na de oorlog was hun invloed groter geworden. Verschillende universiteiten kregen een leerstoel ‘reformatorische wijsbegeerte’. Sommige bekleders daarvan waren actieve ARP-leden, naast Mekkes waren dit S.U. Zuidema (Utrecht) en H. van Riessen (Delft). Mekkes zou in 1966 het Nationaal Evangelisch Verband (NEV) oprichten, een steunorganisatie van het in 1948 opgerichte Gereformeerd Politiek Verbond. Van Riessen zou betrokken worden bij de Reformatorisch Politieke Federatie (RPF) en was de leermeester van techniekfilosoof en RPF-senator Egbert Schuurman.

De Dooyeweerdianen profiteerden van de kritiek van de vrijgermaakten-gereformeerden – die zich in 1944 hadden afgescheiden (vrijgemaakt) van de Gereformeerde Kerken – op de leer van de algemene genade van Kuyper. Net als Dooyeweerd ontkenden de vrijgemaakten het bestaan van een neutrale zone en waren ze van mening dat elk politiek standpunt in verband moest worden gebracht met Gods geopenbaarde wil. Op het Amersfoorts Congres van 1948 werd door de aanwezige vrijgemaakten onder andere geconcludeerd dat de eerste vijf artikelen van het beginselprogram van de ARP op essentiële punten van de Bijbel en de gereformeerde belijdenisgeschriften zouden afwijken. Het congres droeg een commissie op om met het Centraal Comité over deze bezwaren te overleggen. Men kwam niet tot een overeenstemming en het contact werd daarom verbroken. De vrijgemaakt-gereformeerden zouden voortaan (in meerderheid) voor het GPV kiezen.

In 1949 stelde het Centraal Comité van de Antirevolutionaire Partij toch een commissie in, die tot taak kreeg de eerste vijf artikelen van het AR-beginselprogram te herzien. De Dooyeweerdianen (Mekkes, Zuidema en K. Groen) slaagden er echter niet om in deze commissie, die tussen 1949 en 1952 achttien keer bijeen kwam, het overwicht te krijgen. Uiteindelijk stelde de commissie voor de eerste vijf artikelen van tekstuele verbeteringen te voorzien en een inleidend artikel toe te voegen waarin stond dat Christus Koning was. De Dooyewerdiaanse reactie was mislukt. Pragmatici en vernieuwers zouden de koers van de ARP gaan bepalen.

Kleine partij in grote wereld

De omslag binnen de ARP kwam rond 1960. Het vertrek van de behoudende Jan Schouten speelde op de achtergrond mee. Hij werd in 1956 als partijvoorzitter opgevolgd door Wiert Berghuis en als fractievoorzitter door Bruins Slot. De modern-pragmatische koers van minister Jelle Zijlstra had op verzet gestuit binnen de ARP, maar Schouten had toen de zaak nog bij elkaar gehouden.

Belangrijk voor de koersverandering was de kwestie Nieuw-Guinea. Nieuw-Guinea hoorde nog bij Nederland, terwijl de rest van Indonesië in december 1949 onafhankelijk was geworden. Terwijl de Nederlanders een belofte van zelfbeschikking aan de Papoea’s hadden gedaan nam de Indonesische druk op Nieuw-Guinea in de jaren vijftig toe. Bruins Slot ging in 1961 om en verklaarde voor een overeenkomst met Indonesië te zijn. Op 6 september 1962 zei hij tijdens het Kamerdebat over de goedkeuring van de reeds tot stand gekomen soevereiniteitsoverdracht:

‘Strijd voor een zaak van recht kan een plicht en zelfs een zege zijn, zeide Groen van Prinsterer. Maar een strijd die zinloos is, omdat het beoogde resultaat daardoor nimmer zal worden verkregen, is zedelijk niet aanvaardbaar. De nobelste bedoelingen worden in hun tegendeel verkeerd als zij alleen tot rampspoed leiden.’

Op 2 oktober 1962 lichtte Bruins Slot zijn wending toe. Een christelijke partij moest naar Nederland kijken, maar ook naar de rest van de wereld:

‘Haar blik en haar werk richten zich overeenkomstig de aard van de huidige politieke ontwikkeling en naar het wezen van haar bestaan en opdracht op een wereld als geheel, waarin veel armoede, onrecht en geweld heersen, en zij keert tot zich zelf en haar eigen wereld in om mee te werken aan herstel van de verbrokenheid, aan de reformatie van het leven, die voor christelijke politiek in wereldverband noodzakelijk zijn. Zo kan zij een misschien soms in omvang kleine, maar in intensiteit waardevolle bijdrage leveren aan een wereldpolitiek op lang zicht.’

De wending van Bruins Slot, die een afscheid van het conservatieve God-Nederland-Oranje-denken van Groen van Prinsterer inhield, werd door de traditionele vleugel van de partij niet bepaald op prijs gesteld. Tegenstanders vonden dat de beloftes van Nederland aan de Papoea’s moesten worden nagekomen. Verontruste kiesverenigingen slaagden er in om Bruins Slot te laten zakken tot de elfde plaats op de AR-lijst voor de Tweede Kamerverkiezingen. Bruins Slot bedankte daarop voor de mogelijkheid om nog tot fractievoorzitter te worden gekozen. Wel bleef hij het dagblad Trouw leiden en brochures schrijven over zijn wending, zoals het in 1963 verschenen boekje Kleine partij in grote wereld. Op deze manier droeg Bruins Slot bij aan de karakterverandering van de ARP en de gereformeerde wereld.

AR-voorzitter Berghuis zei op de deputatenvergadering van 23 maart 1963 dat ‘christelijke politiek naar haar aard radicaal [is], in de zin van een voortdurend bezig willen zijn de politiek op haar wortels terug te voeren en te beoordelen.’ Ondanks deze aandacht voor de wortels was Berghuis beslist niet voor een conservatief-Groeniaanse ARP. Volgens Berghuis was de ARP namelijk ‘in het kerkelijke oecumenisch, in het politieke op de wereld gericht, mondiaal […] en in het sociale radicaal.’ Bovendien stelde Berghuis dat de ARP een sterke democratische verwantschap had met de PvdA, een opmerking die enkele jaren eerder natuurlijk ongehoord zou zijn.

In reactie op de koerswijziging organiseerde een groep van verontrusten zich in VERAR (‘verontrusten in de ARP’). Ze bestond onder andere uit leden van de zeer conservatieve Stichting Johannes Althusius, die het blad Tot vrijheid geroepen uitgaf, en leden van de christelijk-sociale vereniging Patrimonium. In 1963 probeerden de verontrusten, overigens zonder succes, hun geestverwant Maarten Schakel met een voorkeursactie in de Kamer te krijgen.

De verontrusten trokken aan het kortste eind. De ARP ging zich vanaf 1966 evangelisch-radicaal noemen. Ook het wetenschappelijk bureau van de partij, de Abraham Kuyperstichting, ontwikkelde zich in deze richting. De filosofie van Dooyeweerd en Mekkes werd door J.H. Prins, W.C.D. Hoogendijk en Bob Goudzwaard progressief geïnterpreteerd. Een kernbegrip van Mekkes als ‘publieke gerechtigheid’ werd door Goudzwaard gebruikt om overheidsingrijpen in de economie te rechtvaardigen, terwijl Mekkes dit begrip zelf had gebruikt om te betogen dat de overheid zich voornamelijk diende bezig te houden met het recht. Ook in het Christelijk Nationaal Vakverbond en bij de Antirevolutionaire Jongeren (ARJOS) waren progressieve geluiden te horen. De gewone ARP-leden bleven traditioneel, maar protesteerden niet krachtig tegen de koerswijziging. De geprononceerde wijze van oppositievoeren van de verontrusten stootte juist veel potentiële geestverwanten af.

Van evangelisch-radicaal naar CDA

In 1967 verloren de CHU en de KVP bij de Tweede Kamerverkiezingen veel zetels, terwijl de ARP met twee zetels groeide naar vijftien. Dit electorale succes was te danken aan het ‘Zijlstra-effect’. Jelle Zijlstra had zich populair gemaakt als minister-president van het rompkabinet ARP-KVP, dat in 1966 het kabinet-Cals was opgevolgd dat gevallen was in de roemruchte Nacht van Schmelzer.

Met de evangelisch-radicale koerswijziging had het electorale succes van de ARP weinig te maken. De evangelisch-radicalen waren niet blij met de in 1967 gestarte fusiebesprekingen van de ARP met KVP en CHU, omdat een fusiepartij wellicht geen radicaal profiel zou krijgen. Toen het centrumrechtse kabinet-De Jong werd gevormd, onder leider van de op 27 juli 2016 overleden Piet de Jong, verklaarden elf radicale ARP’ers spijt te hebben ARP te hebben gestemd. Ze kregen steun van enkele radicale CHU’ers en KVP’ers en vormden de ‘werkgroep christen-radicalen’. Enkele leden van deze werkgroep – A.J. Bos, E. de Boer, L. Bosch en J. Hollander – hadden in mei 1967 in het blad AR-staatkunde een artikel geschreven, waarin ze betoogden dat gezag geen goddelijke oorsprong had. Hiermee sloegen ze een andere weg in dan de traditionele antirevolutionairen, die in de geest van Groen en Kuyper met beroep op Romeinen 13 van mening waren dat de overheid van God gegeven was.

Spanningen binnen de werkgroep christen-radicalen leidden in 1968 tot de oprichting van de Politieke Partij Radicalen door radicale KVP’ers, die niet zozeer confessioneel maar vooral progressief wilden zijn. Enkele radicale ARP’ers sloten zich bij de nieuwe partij aan. In 1972 werd ex-ARP’er Bas de Gaay Fortman, zoon van de vooraanstaande Antirevolutionaire politicus W.F. de Gaay Fortman, zelfs lijsttrekker van de PPR. Het leeuwendeel van de evangelisch-radicalen bleef echter lid van de ARP en probeerde de fusie met de conservatievere CHU en KVP te bemoeilijken.

Gematigde ARP’ers zagen wel wat in de fusie. In 1971 werd Barend Biesheuvel, die de ARP-Kamerfractie vanaf 1967 had geleid, minister-president. Na een jaar viel zijn kabinet echter vanwege een meningsverschil met de ministers van DS’70. Biesheuvels rompkabinet bereidde de verkiezingen van 1972 voor. De premier koos ervoor om premier te blijven en gaf zijn fractievoorzitterschap van de ARP op. Willem Aantjes, een belangrijke vertegenwoordiger van de christen-radicale vleugel van de partij, werd daarop de nieuwe fractievoorzitter.

Aantjes kwam uit de conservatieve Gereformeerde Bond, maar ontpopte zich tot de representant bij uitstek van de evangelisch-radicalen. In die rol speelde hij een pivotale rol bij de totstandkoming van het Christen-Democratisch Appèl. Het werd officieel op 11 oktober 1980 opgericht, maar feitelijk bestond de partij toen al een paar jaar. Tijdens het eerste CDA-congres, op 23 augustus 1975, sprak Aantjes zijn beroemde ‘Bergrede’ uit, een progressieve rede geïnspireerd door Mattheüs 25:

‘De wereld hunkert naar christelijke politiek. Een politiek, die spreekt voor wie geen stem hebben: die handelt voor wie geen handen hebben, die een weg baant voor wie geen voeten hebben, die helpt wie geen helper hebben.’

Na de verkiezingen van 1977 werd Aantjes fractievoorzitter van de Tweede Kamerfractie van het nieuwe CDA. Hij was een van de zeven ‘loyalisten‘, de linkse CDA-Kamerleden die het niet met het regeerakkoord van het Kabinet-Van Agt I eens waren, maar wel ‘loyaal’ wilden zijn aan het kabinet. Het eerste program van het CDA-in-wording was Niet bij brood alleen van de linkse ARP’er Bob Goudzwaard. Degenen die van het CDA een middenpartij wilden maken waren hierover niet heel enthousiast.

Aantjes wilde niet vrijblijvend met de Bijbel omgaan en had daarom moeite met de radicale KVP-voorzitter Dick de Zeeuw, die een open radicale christendemocratische partij wilde. De discussie over de grondslagen van het CDA werd in 1978 opgelost met een compromis: de zogenaamde antwoordfilosofie. CDA’ers zouden in de toekomst niet rechtstreeks kunnen worden aangesproken op het evangelie, maar wel op het beginselprogram van de nieuwe partij. Dit was een antwoord op het appel van het evangelie. Dat dit compromis door de ARP werd geaccepteerd hing samen met de val van de bergredenaar: historicus Lou de Jong had op 6 november 1978 bekendgemaakt dat Aantjes zich in de Tweede Wereldoorlog had aangesloten bij de SS. Hoewel het allemaal wat genuanceerder lag dan De Jong het voorstelde – Aantjes had zich niet bij de Waffen SS aangesloten maar bij de Germaansche SS en dit deed hij niet uit overtuiging want hij had geweigerd om in dienst te gaan – betekende deze persconferentie het einde van Aantjes politieke carrière. Hij moest vertrekken als CDA-fractievoorzitter en werd opgevolgd door Ruud Lubbers.

Een andere reden waarom het CDA uiteindelijk werd geaccepteerd door de ARP was de conservatieve koers van KVP’er Dries van Agt. Zijn ‘ethisch réveil’ sprak de traditionele ARP-achterban aan, die genoeg had van de progressieve koers van de ARP-leiding. Volgens politicoloog Ruud Koole heeft de afstand tussen de ARP-top en achterban de fusie met CHU en KVP vergemakkelijkt. Het samengaan met de christelijk-historischen en zeker met de katholieken was in de jaren vijftig bijna ondenkbaar. De traditionele AR-achterban had echter liever een vaag CDA dan een radicale ARP.

Niet iedereen ging met het nieuwe CDA mee. In december 1970 hadden enkele verontrusten de Gespreksgroep AR-gezinden opgericht, de opvolger van VERAR. De Gespreksgroep zou zich vanaf 1972 manifesteren en in 1975 met enkele andere conservatief-protestantse groepen opgaan in de Reformatorisch Politieke Federatie. Enkele linkse ARP’ers vonden het CDA op sociaal-economisch terrein te behoudend. Zij richtten in 1981 de Evangelische Volkspartij op, die in 1991 samen met onder andere de PPR in GroenLinks zou opgaan.

De erfenis van de ARP zien we dus bij drie partijen terug: 1) het CDA, dat natuurlijk minder christelijk, minder principieel en minder links is dan de ARP; 2) de ChristenUnie, die een linksige orthodox-protestantse koers vaart en nog gelooft in de filosofie van Dooyeweerd; 3) GroenLinks, die een geseculariseerde variant van het evangelische radicalisme van de ARP in haar latere jaren voorstaat en ‘kleine partij in grote wereld’ wil zijn.

Over die andere grote protestants-christelijke partij die in het CDA is opgegaan, de Christelijk-Historische Unie, gaat het de volgende keer.