Misschien had niet iedereen het in zijn agenda gezet, maar het is dit jaar 100 jaar geleden dat het progressieve en conservatieve blok vrede sloten en elkaar op twee aangelegen punten tegemoet kwamen. In het latijn is vrede ‘pax’ en maken ‘facere’, dus deze vredesluiting is de geschiedenis ingegaan als de pacificatie.

Sinds 100 jaar hebben we in Nederland vrijheid van onderwijs en algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen. Die vrijheid van onderwijs was een eis van de confessionele (christelijke) partijen, de uitbreiding van het kiesrecht van de liberalen. Lange tijd stonden beide blokken lijnrecht tegenover elkaar. Het onderwijs was een staatszaak geworden. De liberale minister Johan Kappeyne van de Coppello had in 1878 een Onderwijswet ingediend waarin hij wilde dat de laatste stand van de wetenschap (de ‘moderne levensbeschouwing’) via het onderwijs zou worden verbreid. Christenen die daar moeite mee hadden waren volgens hem de stinkende mug in de zalf van de samenleving en moesten zich maar schikken – zoals John Stuart Mill in 1859 in zijn boek On Liberty (de bijbel van het liberalisme) al had geschreven dat het grote goed van de vrijheid niet aan kinderen, barbaren en ‘achtergebleven’ groeperingen kon worden gegund. Als christenen eigen scholen wilden, moesten ze die maar zelf betalen.

Leider van die christenen was in die tijd Abraham Kuyper. En hij begin een grootse, populistische daad. Hij organiseerde een zogeheten ‘volkspetitionnement’ en wist 340.000 handtekeningen tégen de nieuwe onderwijswet te verzamelen. Een meesterlijke zet: in 1878 mochten welgeteld 200.000 mensen stemmen. Dus Kuyper legde een kloof tussen volk en elite bloot. Het volk wilde christelijk onderwijs, de elite gaf dat niet. Een jaar later richtte Kuyper zijn ARP op (een van de voorlopers van het CDA).

Na veel debat sloten christenen en liberalen, midden in de Eerste Wereldoorlog, een compromis: als de christenen een wetswijziging om het kiesrecht uit te breiden zouden steunen, zouden de liberalen een wetswijziging voor de gelijke bekostiging van openbaar en bijzonder onderwijs aan een meerderheid helpen. Dat historische feit wordt dit jaar allerwegen gevierd.

Terwijl iedereen een feestje bouwt rondom dit compromis, staat de zaak zelf behoorlijk onder druk. Tegenstanders hebben de gewoonte om niet artikel 23 van de Grondwet (waarin de vrijheid van onderwijs is vastgelegd) te veranderen – dat is, zoals bekend, een nogal omslachtige procedure – maar door nieuwe wetgeving de vrijheid van onderwijs in de praktijk te beperken.

Eén zo’n nieuwe wet is de acceptatieplicht. In de Grondwet is vastgelegd dat scholen voor bijzonder onderwijs zelf mogen bepalen wie ze toelaten. Dat wordt nu doorbroken door deze nieuwe wet die bijzondere scholen dwingt alle leerlingen aan te nemen waarvan de ouders de grondslag van de school weliswaar niet onderschrijven maar wel zeggen te respecteren. Natuurlijk zullen veel christelijke scholen als gevolg van deze nieuwe wet (op den duur) van kleur verschieten, en dat is blijkbaar de bedoeling.

Hier wreekt zich het feit dat grondwettelijke vrijheden in Nederland niet de adequatre verdediging krijgen die ze verdienen. In Amerika en Duitsland zijn er gerechtshoven die toetsen of nieuwe wetten in overeenstemming met de Grondwet zijn. Als zo’n hof in Nederland zou bestaan, zou de acceptatieplicht er niet komen. Maar zo’n hof is er in Nederland niet – sterker nog, onze Grondwet verbiedt expliciet deze toetsing door de rechter.

In plaats daarvan hebben we de Onderwijsraad – ooit door De Savornin Lohman in het leven geroepen om op de vrijheid van onderwijs toe te zien – en de Raad van State. Die voorzien wetsvoorstellen van een advies waarin ook de relatie van een voorstel tot de Grondwet wordt getoetst. Maar de Tweede Kamer legt die adviezen gemakkelijk naast zich neer – als dat zo uitkomt. Blijft over de Eerste Kamer, die bijvoorbeeld het initiatiefwetsvoorstel van de PvdD tegen de rituele slacht blokkeerde omdat die wet in strijd was met de grondwettelijke vrijheid van godsdienst. Maar als ook daar een meerderheid in de ban van het gelijkheidsdenken is, is de letter van de Grondwet een dode letter.

Honderd jaar na de Pacificatie van 1917 en bij alle gejuich over dit historische compromis, verdient de onderwijsvrijheid een betere verdediging dan zij nu krijgt.

 

Afbeelding: Het Guido de Brès in Rotterdam, Wikimedia / Wikipedia Commons