De Eerste Wereldoorlog was de oorlog die aan alle oorlogen een einde moest maken, maar eindigde in een vrede die, in ieder geval in het Midden-Oosten, voorgoed een einde aan alle vrede maakte. Het verhaal is tamelijk bekend, maar een nieuwe biografie over een van de hoofdrolspelers, de Engelse archeoloog, officier en spion T. E. Lawrence (later beroemd geworden als Lawrence of Arabia), werpt toch weer nieuw licht op de zaak, met name op de raadselachtige persoonlijkheid van Lawrence.

In het najaar van 1914 koos het Ottomaanse Rijk de zijde van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije tegenover Engeland, Frankrijk en Ruisland. Rusland was immers een van de grote vijanden, en uit voorzorg had Winston Churchill (in 1914 First Lord of the Admiralty) de levering van twee Engelse oorlogsschepen aan de Turken geschrapt, waarna zij zich in de armen van de Duitsers wierpen.
De Engelsen zaten al in Egypte, vanwege het Suezkanaal natuurlijk. In de strijd tegen de Ottomaanse Turken eindigden twee expedities in regelrechte rampen: bij Gallipoli en in het zuiden van Mesopotamië. Langzaam maar zeker ontstond het plan om een Arabische revolte tegen de Turken te organiseren en Istanboel zo op de knieën te krijgen. De grote voorvechter van dit idee was een wonderlijke man – een aartsromanticus, een groot geleerde, archeoloog-spion, officier in het Engelse leger, een asceet die zichzelf graag in ontberingen pijnigde. T. E. Lawrence dus. Hij was een buitenechtelijke zoon (toen nog ‘een dingetje’), studeerde in Oxford, schreef een proefschrift over de invloed van de kruisvaarderskastelen op de bouw van kastelen op het Europese vasteland, maakte deel uit van een archeologische expeditie in Karchemish (die vooral was georganiseerd om de bouw van de spoorlijn Berlijn-Bagdad in de gaten te houden), en werd daarna vanwege zijn grote kennis van het Midden-Oosten aan de staf van de General Head Quarters in Cairo toegevoegd.

Lawrence koesterde één grote droom. Als romanticus zag hij in de Arabische Bedoeïenen de wild savages die zo gunstig afstaken tegen zijn overgeciviliseerde, decadente mede-Europeanen. Deze Arabieren moesten voor hun inspanningen aan de zijde van de Engelsen worden beloond met de toekenning van één grote nationale Arabische staat (alhoewel de Arabieren niet wisten wat een natie of wat een staat was). Aan hun zijde veroverde hij Akaba, voerde hij guerilla-activiteiten uit en veroverde hij Damascus. Hij had haast. Want hoe meer terrein de Arabieren o.l.v. emir Feisal veroverden, des te sterker was hun claim op die ene staat.

Want er was natuurlijk een probleempje. De Engelse diplomaat Mark Sykes en zijn Franse evenknie Georges Picot hadden al lang een ander verdrag gesloten: het Sykes-Picot-verdrag dat voorzag in de deling van het Midden-Oosten (van de a van Accra tot de derde k van Kirkoek) in een Engelse en Franse invloedsfeer. Arabische leiders zouden in dat plan hooguit als vazal-koningen van nieuwe staten als Syrië, Irak en Jordanië een rol kunnen spelen. Lawrence kende dit verdrag uiteraard, maar had het er zo min mogelijk over, of spiegelde zijn Arabische vrienden voor dat het hooguit met potlood was geschreven en na de inspanningen van de Arabieren kon worden herzien.

Op de vredesconferenties van 1919 en 1922 bleken die revisies tegen te vallen. Er ontstonden nieuwe staten in het Midden-Oosten, er kwam een nationaal tehuis voor de Joden, maar er kwam geen grote Arabische staat. Gedesillusioneerd, met een groot schuldgevoel vooral, trok Larence zich uit het openbare leven. Hij veranderde tot twee keer toe zijn naam en werd weer gewoon soldaat. Ongemakkelijk genoeg werd hij juist in deze jaren ontdekt als ‘held’ en verschenen er biografieën over hem – een persoonsverheerlijking die zou uitmonden in de film uit 1962 over Lawrence of Arabia, met een hoofdrol voor Peter O’Toole. Zelf beschreef hij zijn ervaringen in de klassieker De zeven zuilen van wijsheid (The Seven Pillars of Wisdom). Hij kwam in mei 1935 bij een motorongeluk om het leven.

Alhoewel er heel veel over Lawrence is geschreven, heeft Robert Lemm daar nog een boek aan toegevoegd (uitgegeven door De Blauwe Tijger). Zijn boek houdt het midden tussen een biografie, een psychologisch portret, en een commentaar op de ontwikkelingen in het Midden-Oosten na de Eerste Wereldoorlog – uitlopend op Osama bin Laden en IS die zeggen te hebben gehandeld uit protest tegen Sykes-Picot en de vredesverdragen van 1919 en 1922. We kennen Lemm als een begaafd en gelauwerd vertaler van Spaanse literatuur en als scherp essayist. Zijn nieuwe boek is daarom zeer welkom, vooral vanwege de scherpe psychologische tekening van Lawrence, in zijn enigma, in al zijn twijfels, dubbelzinnigheden, schuldgevoelens en (seksuele) complexen. Lemm typeert Lawrence als ‘heraut van het kalifaat’, en kraakt vele kritische noten over de Europese en Amerikaanse buitenlandse politiek in het Midden-Oosten. We hebben er onhistorisch gehandeld, zonder de culturele en religieuze situatie in het Midden-Oosten te doorgronden en te verdisconteren, met de grote puinhoop van vandaag als resultaat, aldus Lemm. Hij heeft natuurlijk gelijk, ook als hij suggereert dat een oplossing in de complexe werkelijkheid van het Midden-Oosten eigenlijk nauwelijks voorstelbaar is.

 

Foto: Wikimedia / Wikipedia Commons. Lawrence of Arabia staat uiterst links.