In de laatste jaren van zijn leven leverde Joop den Uyl (1919-1987) harde kritiek op het christendom, waar hij zich in de Tweede Wereldoorlog van had losgemaakt. In 1986 werd de ex-gereformeerde Den Uyl geïnterviewd door de IKON. Hij deed tijdens deze uitzending een boel vervelende uitspraken over christenen, bijvoorbeeld dat ze alleen maar uit waren op zelfbevestiging en zich beter voelden dan andersdenkenden.[1]

Het interview stond niet op zichzelf. Twee jaar eerder deed Den Uyl een felle charge op de kleine christelijke partijen SGP, RPF en GPV (RPF en GPV gingen in 2000 op in de ChristenUnie). Volgens PvdA’er Jacques Wallage was Den Uyl tijdens deze actie eigenlijk vooral in discussie met zichzelf. Hij bleef altijd worstelen met zijn gereformeerde achtergrond, waarvan hij zich nooit helemaal losmaken kon.[2] Het is daarom een omissie dat Den Uyl-biografe Anet Bleich aan die worsteling geen woord wijdt. Voor de Nederlandse politieke geschiedenis is de kritiek van Den Uyl en de reactie van de christelijke en andere partijen daarop belangwekkend, omdat het in deze discussie ging om de vraag hoeveel ruimte een democratie moet bieden aan marginale partijen met politieke idealen die erg afwijken van die van de mainstream partijen.

Gert Schutte 1982.jpg

Gert Schutte in 1982

‘Een latente bedreiging van wezenlijke vrijheden’

De discussie begon in augustus 1984, toen Den Uyl op een PvdA-bijeenkomst in Zwolle zei dat de drie kleine orthodox-protestantse partijen “wezenlijk a-democratische trekken” vertoonden. De PvdA-leider meende dat de manier waarop in de kleine christelijke partijen over democratie werd gedacht, “een latente bedreiging van wezenlijke vrijheden” vormde. Den Uyl richtte zijn pijlen op SGP, RPF en GPV omdat het CDA steun zocht bij deze partijen in het kruisrakettendebat. De linkse partijen waren tegen de plaatsing van kruisraketten op Nederlandse bodem en de VVD en een groot deel van de CDA-fractie waren voor, maar om een meerderheid voor het kabinetsstandpunt te krijgen was de steun van de kleine orthodox-protestantse partijen nodig. Den Uyl vond de ‘flirtation’ van het CDA met SGP, RPF en GPV gevaarlijk. De kleine orthodox-protestantse partijen waren volgens hem theocratisch gezind, hoewel dit minder gold voor het GPV dan voor de SGP, en dit zou zich onder andere vertalen in sympathie voor de apartheid in Zuid-Afrika.[3]

CDA-fractievoorzitter Bert de Vries reageerde tegenover de pers verbolgen over de uitlatingen van Den Uyl: “Voor hetzelfde geld zouden wij de PvdA kunnen betichten van flirtations met de CPN, PPR en PSP”. De PvdA kon met de voorlopers van GroenLinks, in die tijd ‘klein links’ genoemd, goed door een deur. Schutte reageerde echter laconiek op de aanval van Den Uyl:

Het zal hem wel hoog zitten. Maar het is wel merkwaardig dat dit geluid juist uit de PvdA komt, een partij waarmee niet te praten valt over de plaatsing van kernwapens en die streeft naar meerderheidscolleges in de grote steden. Dat zijn óók a-democratische trekken.

De GPV-leider distantieerde zich bovendien van theocratie en fundamentalisme door te stellen dat zijn partij het geloof niet wilde afdwingen, maar rekening wilde houden met de geestelijke vrijheid.[4]

Meindert Leerling, fractievoorzitter van de RPF, dreef daarentegen de zaak verder op de spits door de aanval van Den Uyl als een compliment te beschouwen:

Den Uyl onderkent dat wij hogere normen kennen dan de helft plus één. Dat heeft hij dus goed gezien. De democratie kent haar grenzen. Dat kun je bijvoorbeeld ook in boeken van mensen als Verbrugh lezen.[5]

 

Schutte versus Den Uyl

Omdat Den Uyl in de media negatieve opmerkingen over de kleine orthodox-protestantse partijen bleef maken, kwam Schutte op de uitspraken van de PvdA-leider terug tijdens de Algemene Beschouwingen. Schutte verdedigde het recht van zijn partij om een eigen standpunt uit te dragen. Volgens Schutte zou geen enkele partij haar idealen opgeven indien de meerderheid van de bevolking anders dacht. Het ging in de democratie om iets anders, namelijk of een partij “haar doelstellingen (…) op parlementaire wijze probeert te realiseren”. Het GPV had volgens hem de afgelopen twintig jaar bewezen binnen de parlementaire democratie te willen opereren en hield zich aan de regels van het politieke spel.

Den Uyl interrumpeerde. Hij kwam Schutte een beetje tegemoet. De kwalificatie ‘klein rechts’ was volgens de PvdA-leider niet zonder meer van toepassing op het GPV, dat het kabinet ten aanzien van werkgelegenheid duidelijk links passeerde. Zijn grote bezwaar was dat het GPV en de andere orthodox-protestantse partijen met beroep op de Bijbel kritiek hadden op het gelijkheidsidee, dat volgens Den Uyl aan de Nederlandse democratie ten grondslag lag. Het GPV gaf in de jaren tachtig onder leiding van Schutte geen steun meer aan de apartheid, maar de partij was nog wel tegen een boycot van Zuid-Afrika. Den Uyl vond deze houding a-democratisch. Schutte vroeg zich af wat Den Uyl nu precies bedoelde met deze kwalificatie. Den Uyl zei dat het GPV zich beriep op een niet-verifieerbare bron, namelijk de Bijbel, en zich daarom aan een normale politieke discussie onttrok. Schutte antwoordde dat de Bijbel door iedereen gelezen en begrepen kon worden en dus wel verifieerbaar was. Den Uyl mocht het GPV alleen a-democratisch noemen als de partij zich niet aan de regels van de parlementaire democratie hield. Den Uyl zei hierop dat het hem niet om de spelregels ging, maar om zijns inziens a-democratische en discriminerende stellingnamen van de kleine orthodox-protestantse partijen, met beroep op “een niet nader verifieerbare wijze”. Eigenlijk zei Den Uyl hiermee dat christenen zich niet op de Bijbel mochten baseren, als ze hieruit conservatieve politieke conclusies trokken die in strijd waren met de gelijkheidsidee.

Meindert Leerling

Ook Leerling mengde zich in het debat. Hij koos in tegenstelling tot Schutte meteen voor de slachtofferrol. Leerling wilde namelijk weten of Den Uyl vond dat de orthodox-protestantse partijen hun idealen in het parlement mochten uitdragen, of dat ze moesten worden geboycot zoals Janmaat. Den Uyl antwoordde dat hij de orthodox-protestantse partijen niet wilde boycotten. Ten slotte mengde ook CDA-fractievoorzitter De Vries zich in het debat. Hij vond dat Den Uyl niet de term a-democratisch mocht gebruiken maar moest zeggen wat hij echt bedoelde, namelijk dat SGP, RPF en GPV zijn gelijkheidsideaal niet onderschreven. Schutte eindigde dit interruptiedebat met de verzekering aan het adres van Den Uyl dat het GPV de geestelijke vrijheid van alle burgers en de scheiding tussen kerk en staat respecteerde. Over de SGP en de RPF liet hij zich echter niet uit.[6]

 

Interne kritiek

Enkele leden van de PvdA-fractie hadden kritiek op Den Uyls optreden tijdens het interruptiedebat. Den Uyl schreef daarom een interne notitie, die op de fractievergadering van de PvdA werd besproken. Hij kwam daarin een beetje terug op zijn eerder gedane uitspraken. Het zou hem gaan om a-democratische trekken in het program van SGP, RPF en GPV, en niet om het a-democratische karakter van die partijen. Ook gaf Den Uyl toe dat het hem er vooral om te doen was het CDA te waarschuwen, dat in het kernwapendebat steun kreeg van de orthodox-protestantse partijen en eventueel met hun gedoogsteun na 1986 de CDA-VVD-coalitie zou voortzetten. Hij maakte bovendien een duidelijk onderscheid tussen SGP en GPV:

Het GPV heeft een program dat een andere sfeer ademt, waarvan slechts in zeer afgeleide zin kan worden gezegd dat het a-demokratische trekken vertoont. Slechts een enkele zinsnede kan in die zin worden uitgelegd als bijvoorbeeld: “Hernieuwde aandacht is nodig voor de hoge roeping die de Koningin heeft om het beleid dat de ministers voeren te beoordelen door toetsing aan de geboden van God.

Den Uyl sprak verder zijn waardering uit voor de ‘progressieve’ standpunten van het GPV op sociaal-economisch terrein. Hij vond het echter verkeerd dat het GPV met de SGP een lijstverbinding was aangegaan en veelvuldig met deze partij gelijk opereerde. Omdat GPV en RPF uitgingen van een christelijke staat gaven ze volgens Den Uyl indirect steun aan de opstelling van de SGP. In antwoord op kritische vragen van zijn medefractieleden zei de PvdA-leider dat het hem in de discussie niet te doen was om de spelregels van de parlementaire democratie. Hij zei bovendien geen moeite te hebben met christenen die zich in de politiek beriepen op de Bijbel, maar wel als de Bijbel gebruikt werd om een bepaalde geestelijke overtuiging met dwang op te leggen.[7]

Joop den Uyl 1982 (1).jpg

Joop den Uyl in 1982

Den Uyl zond zijn fractienotitie door naar Schutte, die hierop reageerde. Schutte probeerde de polarisatie in de discussie weg te nemen en was uit op verzoening. Hij complimenteerde Den Uyl uitgebreid met diens onlangs verkregen eredoctoraat. Ook zei blij te zijn dat de PvdA-leider hem in een persoonlijk gesprek had verteld niet van mening te zijn dat een beroep op de Bijbel in een politieke discussie niet mocht. Volgens Schutte was dit echter niet goed naar voren gekomen tijdens het interruptiedebat. Schutte schreef verder dat zijn partij mocht streven naar een christelijke staat, maar verzekerde Den Uyl nogmaals dat het GPV de geestelijke vrijheid van alle burgers wilde beschermen en dus geen theocratie wenste zoals de SGP. Den Uyl citeerde ten aanzien van de GPV-wens om wetten te toetsen aan de grondwet een verouderde tekst. Het ging het GPV bovendien niet, wat Den Uyl in de oude tekst las, om een christelijke toetsing tegen de grondwet in. Eerst moest de grondwet veranderd worden. Het GPV vertoonde, omdat de partij voor gewetensvrijheid was en de grondwet respecteerde, volgens Schutte daarom geen a-democratische trekken. Deze constatering deed volgens Schutte uiteraard niets af aan het feit dat GPV en PvdA heel andere politieke doelstellingen hadden.[8] In zijn reactie schreef Den Uyl dat zijn spreken over ‘a-democratische trekken’ uitsluitend betrekking had op “op het niet erkennen van geestelijke vrijheid door de staat dan wel het niet respekteren van in de Grondwet neergelegde rechten en verplichtingen”. Impliciet trok Den Uyl met deze woorden de beschuldigingen aan het adres van het GPV in, hoewel de PvdA-leider dit niet openbaar maakte.[9] Schutte beschouwde de correspondentie later inderdaad als bewijs dat Den Uyl zijn kritiek had teruggenomen.[10]

Jurn-de-vries.jpg

J.P. de Vries in 2009

Intellectuele verwerking door het GPV

In GPV-kring werd de kritiek van Den Uyl pas laat kritisch verwerkt. In 1980 had GPV-ideoloog Verbrugh de democratie in het eerste deel van zijn trilogie Universeel & antirevolutionair nog ondubbelzinnig afgewezen.[11] Als Den Uyl dit boek gelezen had, was hij in de discussie met Schutte wellicht niet zo in het nauw gebracht. Nu konden GPV’ers de kritiek van Den Uyl afdoen als gemaakt door iemand die iets tegen het christelijk geloof had en hoefden ze niet kritisch te reflecteren op het antidemocratische gedachtegoed van Verbrugh. J.P. de Vries, hoofdredacteur van het Nederlands Dagblad, zag de kritiek van Den Uyl in zijn hoofdredactionele commentaar van 11 oktober 1984 dan ook puur als een aanval op de christelijke politiek. Hij maakte gebruik van de argumentatie van Schutte en betitelde GPV, RPF en ook de SGP als democratisch, omdat ze hun doelen via de parlementaire weg wilden nastreven. Volgens De Vries was democratie voor Den Uyl een soort van geloof, het geloof in de gelijkheid van alle mensen. Degenen die dit gelijkheidsgeloof niet onderschreven moesten buiten de orde worden geplaatst. Net als Leerling vermoedde De Vries dat Den Uyl de orthodox-protestantse partijen wilde boycotten, zoals de Centrumpartij werd geboycot.[12] Eerder al sprak Ons Burgerschap zijn angst voor een boycot door de progressieven uit. Het zou namelijk geen toeval zijn dat Den Uyl zijn verdachtmakingen juist deed in een tijd dat sommigen hun ‘heksenjacht’ op extreem-rechts wilden uitbreiden tot SGP, RPF en GPV.[13]

Ook de Groen van Prinsterer Stichting, het wetenschappelijke bureau van het GPV, bracht de uitlatingen van Den Uyl aanvankelijk niet in verband met de visie van Verbrugh. Toen in juni 1985 een speciaal nummer van het Groen Katern aan de democratie werd gewijd, koos de jonge historicus en Groen-directeur Herman Timmermans voor de aanval. Hij vond Den Uyl hypocriet omdat de PvdA streefde naar een linkse meerderheid en flirtte met de CPN en PSP, die geen moeite hadden met buitenparlementaire acties en zich dus niet aan de spelregels van de parlementaire democratie hielden. Het wetenschappelijk bureau van de PvdA, de Wiardi Beckman Stichting, wees buitenparlementaire acties alleen maar af omdat deze tegen de PvdA gebruikt kon worden als de partij in de regering zou zitten.[14] Dieper gravend was het artikel van Frans Godschalk, die constateerde dat er in de twintigste eeuw een verschuiving was opgetreden in het democratie-concept. In de negentiende eeuw zou democratie vooral als instrument worden beschouwd, maar anno 1985 was de democratie een doel op zich geworden, een ideaal. Godschalk sloot zich aan bij de kritiek van Joseph Schumpeter op het klassieke democratieconcept van de achttiende-eeuwse filosoof Jean-Jacques Rousseau. Rousseau veronderstelde dat mensen rationeel en goed waren en daarom goede beslissingen namen en dat democratie daarom altijd goed was, maar dit was volgens Schumpeter naïef en te optimistisch gedacht. Een land kon christenen vervolgen, heksen verbranden en joden vermoorden en toch democratisch zijn. Er waren volgens Schumpeter hogere waarden dan de democratie. De volkswil was niet altijd goed en mocht niet de norm van het handelen zijn. Democratie was goed, mits het een middel was en geen doel.[15]

GGvP.gif

Groen van Prinsterer, de naamgever van het wetenschappelijk bureau van het GPV

Pas in 1991 werd er echt serieus ingegaan op Den Uyls kritiek. Den Uyl was op 24 december 1987 overleden, zodat de spanning die rond het onderwerp hing toen uit de lucht was. Volgens J.P. de Vries, die het artikel schreef in de hoedanigheid van voorzitter van het curatorium van de Groen, was het GPV met het woord ‘democratie’ voorzichtig maar gebruikten GPV’ers het woord ‘democratisch’ onbeschroomd. GPV’ers wensten volgens hem ook niet voor a-democratisch uitgemaakt worden. Dit impliceerde namelijk dat het GPV geestelijke dwang zou willen uitoefenen ten gunste van de godsdienst zoals het Iran van de ayatollahs. De keuze voor democratie was volgens De Vries geen keuze uit opportuniteit maar een uit overtuiging. Hij beriep zich op de reformator Johannes Calvijn, die in tegenstelling tot Groen van Prinsterer een uitgesproken voorkeur zou hebben voor een staatsregeling waarbij sprake was van volksinvloed.[16] De overtuiging dat het gezag van de overheid van God gegeven was impliceerde volgens De Vries nog niet dat gezag daarom autoritair moest zijn.

De Vries noemde verder zes kenmerken van “een democratie in positieve zin”. Dit waren 1) volksinvloed op de keuze van de regeerders en de totstandkoming van wetten, 2) vrije en geheime verkiezingen, 3) openbaarheid van bestuur, 4) rechten voor minderheden, 5) eerbiediging van burgerlijke vrijheden en 6) de verbinding tussen democratie en rechtsstaat. Aan de opsomming ontbrak de gelijkheidsidee. Ook had De Vries bewust niet de term volkswil of volkssoevereiniteit laten vallen. Met Groen van Prinsterer was hij namelijk van mening dat volkssoevereiniteit gemakkelijk kon leiden tot een dictatuur van de meerderheid die de minderheid zou onderdrukken. Omdat de mening van ‘de helft plus één’ ook in een democratie niet altijd allesbeslissend hoefde te zijn, was het volgens De Vries ook niet ondemocratisch om te pleiten voor een verwijzing naar christelijke normen voor het overheidshandelen in de grondwet. Het vastleggen van christelijke normen in de grondwet had in de ogen van De Vries te maken met de rechtsstaat. Bepaalde wetten mochten niet doorgevoerd worden, omdat dan de rechtsstaat werd bedreigd. Democratie was ten slotte geen grondslag en mocht daarom niet worden opgehemeld, het was echter wel een werkwijze en diende daarom te worden verdedigd.[17]

Hoewel De Vries voor de democratie koos verschilde zijn visie eigenlijk niet zo erg van die van Verbrugh. Het ging vooral om een definitiekwestie: Verbrugh verstond onder democratie volkssoevereiniteit en wees daarom de democratie af; De Vries daarentegen kon de democratie wel accepteren, omdat democratie en volkssoevereiniteit volgens hem twee verschillende zaken waren. De democratieopvatting van De Vries was dus heel minimaal, zonder volkssoevereiniteit, zonder de gelijkheidsidee, maar met en sterke nadruk op het naleven van politieke spelregels en een pleidooi voor een christelijke grondwet. Dat De Vries in tegenstelling tot Verbrugh wel voor het begrip democratie koos, had alles te maken met het feit dat het GPV relevant wilde zijn. Als het GPV zich a-democratisch zou noemen dan plaatste de partij zich bij voorbaat buiten het politieke debat. Toch kon de partij niet ondubbelzinnig voor de democratie kiezen en de gelijkheidsidee en volkssoevereiniteit omarmen, omdat dit een breuk zou betekenen met haar eigen verleden en met het gedachtegoed van Groen van Prinsterer. Bovendien bestond de vrees dat de minderheidsmening van het GPV door de seculiere meerderheid zou worden verdrukt. Dat de partij desalniettemin de democratie verdedigde was een mijlpaal. Het GPV werd steeds meer een gewone partij.

In de jaren tachtig verdedigde het GPV een aantal standpunten die door de meerderheid niet werden gedeeld en door de progressieve consensus met discriminatie en theocratie in verband werden gebracht. Om toch serieus genomen te worden moest de partij water bij de wijn doen en kon ze zich op deze punten niet al te nadrukkelijk profileren. Schutte kwam op voor de rechten van de orthodox-protestantse minderheden en sprak over de regels van democratie, in plaats van dat hij in de Kamer de GPV-idealen over de christelijke staat zou propageren, wat Verbrugh in zijn plaats misschien wel gedaan zou hebben. Hij had met deze strategie succes, want Den Uyl trok in het Kamerdebat aan het kortste eind en kreeg flinke kritiek te verduren. GPV’ers aanvaardden in de jaren tachtig dat ze een minderheidspositie in de Nederlandse samenleving hadden en lieten hun ideaal om Nederland gereformeerd te maken in de praktijk voorzichtig varen. Hoewel het GPV door Den Uyl aanvankelijk ook in het a-democratische verdachtenbankje werd geplaatst, had de PvdA-voorman toch meer waardering voor Schutte dan voor SGP en RPF, die zich minder aanpasten aan de progressieve consensus. Het GPV maakte in de ogen van buitenstaanders deel uit van klein rechts, maar wist zich dankzij Schutte deels aan de karikatuurbeelden te ontworstelen en werd door buitenstaanders beschouwd als de minst rechtse en meest redelijke van de drie.

 

[1] H. van Gerven en B. Rijpert, ‘‘Ik wou dat ik het kon relativeren’. Gesprek met J.M. den Uyl’ in: idem, Geweten op het Binnenhof. Gedachtengoed van: R.F.M. Lubbers, E.H.T.M. Nijpels, H.A.F.M.O. van Mierlo, J.M. den Uyl (Amsterdam en Tricht 1986) 63-79. De kranten stonden twee weken lang bol van de uitspraken van Den Uyl. De PvdA-leider nam niets terug, maar betreurde het achteraf wel dat hij zich te generaliserend over christenen had uitgelaten. Zie ook: H. Timmermans, ‘Den Uyl en de christenen’, Ons Burgerschap, 19 april 1986.

[2] Interview met J. Wallage, 19 maart 2009. Geautoriseerd gespreksverslag.

[3] J.M. den Uyl, ‘Negentig jaar sociaal-democratie’, Socialisme en Democratie 41 (augustus 1984) 231-236, aldaar 235.

[4] ‘‘Klein rechts a-democratisch’. Den Uyl: Verontrustend dat CDA op hun steun rekent’, Brabant Pers, 27 augustus 1984.

[5] ‘De Vries (CDA) meent dat grens is gepasseerd. Den Uyl: SGP, RPF en GPV vertonen ‘a-democratische’ trekken’, Nederlands Dagblad, 28 augustus 1984.

[6] Handelingen II, 1984-1985, 353-355.

[7] J.M. den Uyl aan de leden van de fraktie, 18 oktober 1984. Afschrift. Persoonlijk archief G.J. Schutte.

[8] G.J. Schutte, Kanttekeningen bij de notitie van dr. J.M. den Uyl, d.d. 18 oktober 1984. Persoonlijk archief G.J. Schutte.

[9] J.M. den Uyl aan G.J. Schutte, 7 februari 1985. Persoonlijk archief G.J. Schutte.

[10] G.J. Schutte, ‘De les van een tegenstander’, Ons Burgerschap, 23 januari 1988; P.H. de Jong, ‘Joop den Uyl maakte altijd gevoelens los’, Nederlands Dagblad, 16 januari 1998.

[11] A.J. Verbrugh, Universeel en antirevolutionair I, 46-47.

[12] J.P. de Vries, ‘A-democratisch?’, Nederlands Dagblad, 11 oktober 1984.

[13] H.H. Sietsma, ‘A-sociaal-democratisch’, Ons Burgerschap, 15 september 1984.

[14] H. Timmermans, ‘Zo de waard is vertrouwt hij zijn gasten. Den Uyl’s bewering over het a-democratisch karakter van het GPV’, Ons Burgerschap Groen Katern 38 (22 juni 1985) gk 55-57.

[15] F. Godschalk, ‘Theoretische geschiedenis van de democratie-theorie’, Ons Burgerschap Groen Katern 38 (22 juni 1985) gk 49-52. Zie: J.A. Schumpeter, Capitalism, socialism and democracy (New York 1942).

[16] Volgens J.W. Sap stonden Calvijn en het calvinisme aan de wortel van de Nederlandse rechtsstaat. Zie: J.W. Sap, Wegbereiders der revolutie: calvinisme en de strijd om de democratische rechtsstaat (Groningen 1993).

[17] J.P. de Vries, ‘Past democratie in de gereformeerde visie op de overheid?’, Ons Burgerschap Groen Katern 44 (25 mei 1991) gk 25-32.

 

 

Afbeeldingen: Wikimedia / Wikipedia Commons